Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7517

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
AWB 05/2848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderzoek SVB naar voormalige woonplaats en werkgevers.

Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de door eiser opgegeven woonplaatsen en werkgevers in verband met de vaststelling van eisers recht op ouderdomspensioen. Nagelaten is om ook het adres van eiser dat blijkt uit een door hem overgelegde ontslagbrief te onderzoeken. Verder valt uit de gedingstukken niet op te maken waaruit het onderzoek naar de door eiser opgegeven werkgevers heeft bestaan. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen of verweerder bij de voorbereiding van zijn beslissing de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en houdt het er voor dat verweerder dat heeft nagelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/2848 AOW

van:

[Eiser], wonende te [woonplaats] in Marokko,

eiser,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.Y. van den Berg.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 13 juni 2005 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 2 september 2004 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 september 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1929, heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW).

Bij besluit van 19 maart 2004 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser verzekerd is geweest voor de AOW. Eiser heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de gemeente Rotterdam heeft bericht dat eiser daar nooit onder de twee door hem opgegeven namen met bijbehorende geboortedata ingeschreven is geweest. Voorts heeft verweerder de door eiser opgegeven bedrijven waar hij zou hebben gewerkt niet kunnen achterhalen. Derhalve heeft verweerder geen bewijs kunnen vinden dat eiser ooit ingezetene is geweest van Nederland of in Nederland in loondienst heeft gewerkt waardoor hij onderworpen is geweest aan de Nederlandse loonbelasting.

Eiser heeft in beroep gesteld dat hij bij meerdere werkgevers in Nederland heeft gewerkt in de periode van 1970 tot 1973 en in 1979. Namen van de werkgevers heeft eiser aan verweerder gemeld. Hij heeft in de bezwaarfase ook een werkgeversverklaring (bestaande uit een ontslagbrief) overgelegd van de firma Boonstoppel te Klaaswaal, hetgeen volgens eiser bewijst dat hij in Nederland heeft gewerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge artikel 7 van de AOW heeft iemand overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen indien diegene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingevolge deze wet verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de leeftijd van 15 jaar is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt.

Bij zijn aanvraag om ouderdomspensioen heeft eiser aangegeven dat hij van 1970 tot 1973 heeft gewerkt bij “ijzerfabriek te Oudenbosch” en bij “DRS schoonmaakbedrijf te Rotterdam, Hembornsingel 155”. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij in die periode heeft gewoond op de adressen [adres 1] te Rotterdam en [adres 2] te Rotterdam. Voorts heeft eiser een handgeschreven brief overgelegd waarop in de Nederlandse taal staat vermeld dat eiser heeft gewerkt in 1970 bij de IJzerfabriek te Oudenbosch en DRS Schoonmaakbedrijf te Rotterdam, Hembrandsingel 155; en gewoond op de [adres 1] te Rotterdam en de [adres 2] te Rotterdam.

In bezwaar heeft eiser bij brief van 7 april 2004 naar voren gebracht dat hij ook heeft gewerkt bij de firma D. Boonstoppel te Klaaswaal. Ten bewijze daarvan heeft eiser een ontslagbrief overgelegd van 15 oktober 1979, afkomstig van D. Boonstoppel, Tuin-en Groenvoorziening B.V., Dansersweg 1 te Klaaswaal, gericht aan [eiser], [adres3] te Rotterdam.

Bij brief van 6 juli 2004 heeft eiser verweerder nog aanvullend bericht dat hij in de periode 1970 tot 1973 onder de naam [alias] heeft gewerkt.

Verweerder heeft bij brief van 4 februari 2004 de gemeente Rotterdam verzocht na te gaan of eiser onder de naam [eiser] dan wel [alias] geboren te [geboorteplaats], met als laatst bekende adres [adres 2] te Rotterdam, ingeschreven heeft gestaan in het bevolkingsregister. De gemeente Rotterdam heeft verweerder op 13 februari 2004 te kennen gegeven dat de gevraagde gegevens niet zijn gevonden in hun basisadministratie. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat de bedrijven die eiser heeft opgegeven voor verweerder niet te achterhalen zijn.

De rechtbank stelt met betrekking tot verweerders onderzoek naar eisers woonplaats in Nederland vast dat verweerder heeft nagelaten om nader onderzoek te (laten) doen naar aanleiding van de ontslagbrief die eiser in bezwaar heeft overgelegd. Uit die ontslagbrief blijkt immers dat eiser in 1979 woonachtig was aan de [adres 3] te Rotterdam. Uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder ook naar dat laatste adres onderzoek heeft laten doen door gemeente Rotterdam. Bovendien stelt de rechtbank vast dat verweerder als geboorteplaats van eiser Metalsa heeft opgegeven aan de gemeente Rotterdam, terwijl uit de door eiser aan verweerder overgelegde geboorte-akte blijkt dat eiser in Mellouk is geboren. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het onderzoek naar eisers woonplaats in Nederland onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de gedingstukken niet blijkt welk onderzoek verweerder heeft gedaan naar de door eiser opgegeven werkgevers en wat dat onderzoek precies heeft opgeleverd. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd aangegeven dat een onderzoek naar een werkgever kan bestaan uit het natrekken van de naam en het adres in de telefoongids of op internet. Of dat in dit geval ook was gebeurd kon verweerders gemachtigde niet bevestigen. Nu niet uit gedingstukken of het verhandelde ter zitting blijkt waaruit verweerders onderzoek naar de door eiser gestelde werkgevers heeft bestaan, kan door de rechtbank niet worden vastgesteld of verweerder bij de voorbereiding van zijn beslissing de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en moet het er voor worden gehouden dat verweerder dat heeft nagelaten.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich niet voldoende heeft gekweten van de op hem rustende onderzoeksplicht naar de door eiser aangeleverde gegevens, zodat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Eisers beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal opnieuw, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen dienen te beslissen op het bezwaar van eiser.

Daarnaast dient verweerder het door eiser gestorte griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op eisers bezwaar neemt;

- bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- aan eiser vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2007 door mr. B.E. Mildner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Schipper, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B