Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7393

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
08-11-2007
Zaaknummer
357170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkoming behandelingsovereenkomst tandarts

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om de juistheid van de conclusies van de klachtcommissie in twijfel te trekken. De tandarts dient het aan de patiënt gedeclareerde bedrag terug te betalen. Daarnaast heeft de patiënt recht op smartengeld. De patiënt heeft geen recht op vergoeding van gevorderde herstelkosten, nu onvoldoende is aangetoond dat die kosten zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 21
GJ 2007/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 357170 / HA ZA 06-3826

Vonnis van 24 oktober 2007

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. G. Beydals,

tegen

B,

wonende te,

gedaagde,

procureur mr. M.A. Hupkes.

Partijen zullen hierna A en B genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 januari 2007;

- de op 3 april 2007 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakte proces-verbaal met de daarin genoemde stukken;

- de akte van A, met producties,

- de antwoordakte van B.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. De rechter ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, kan dit vonnis niet wijzen.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden bewijsstukken, staat in deze zaak het volgende vast:

2.1. B is tandarts van beroep.

2.2. A was patiënt bij B. B heeft op 22 april 2003 rechtsboven een brug met vier pijlers bij A geplaatst.

2.3. B heeft voor deze behandeling op 22 april 2003 een bedrag van € 2.657,40 in rekening gebracht. A heeft het verschuldigde bedrag voldaan.

2.4. Na aanhoudende pijnklachten bij A heeft B zowel de kiezen in de onderkaak als de brug ingeslepen, een verstandskies (nmr. 48) getrokken en uiteindelijk nog tweemaal een nieuwe brug geplaatst.

2.5. Op 19 februari 2004 heeft mevrouw C, afdeling Mondziekten en Kaakchirurgie van het Slotervaartziekenhuis, na verwijzing door B A gezien in verband met aanhoudende pijnklachten. In haar schrijven van 19 februari 2004 aan B stelt zij de volgende diagnose: “c.m.d. rechts. Op basis van bruxisme (tandenknarsen; rechtbank): duidelijke slijtagefacetten zichtbaar.” Zij adviseerde een opbeetplaat te vervaardigen voor ‘s nachts. De behandeling is door haar aan A uitgelegd. Dit advies is niet door A opgevolgd.

2.6. A heeft na verwijzing door B op 3 juni 2004 de polikliniek Mondziekten en Kaakchirurgie van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis bezocht in verband met pijnklachten in de rechterbovenkaak. Bij brief van 4 juni 2004 aan B stelt kaakchirurg D de volgende diagnose: waarschijnlijk (ir?)reversibele pulpitis (wortelkanaalontsteking; rechtbank) van 14. Therapievoorstel: “proefboeren en zo nodig endo 14”.

2.8. Bij schrijven van 31 augustus 2004 heeft A bij B geklaagd over de behandeling. A had last van drie kiezen en er zat ruimte tussen zijn tandvlees en de kroon. A had pijn en kon zijn eten niet malen. A heeft B verzocht de brug in orde te maken zoals was afgesproken of de brug weg te halen. Als dat te moeilijk was wilde A worden doorgestuurd naar een andere tandarts.

2.9. Bij brief van 22 september 2004 heeft D aan B meegedeeld dat A op 21 september 2004 op controle is geweest en dat hij klachtenvrij was.

2.10. Bij brief van 1 oktober 2004 heeft A bij de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) een klacht over de geneeskundige behandeling van B ingediend. De klacht is voorgelegd aan de Centrale Klachtencommissie (CKC).

2.11. Op 15 december 2004 hebben twee leden van de CKC een mondonderzoek bij A verricht, waarvan een verslag is opgemaakt. Daarbij was B niet aanwezig.

2.12 A heeft de brug na 15 december 2004, maar voor 17 juni 2005, in Turkije door een tandarts laten vervangen.

2.13. Op 17 juni 2005 is de klacht op een zitting van de CKC behandeld. Het verslag van het mondonderzoek is B eerst na deze zitting toegezonden. B heeft bij brief van 29 juni 2005 op het verslag gereageerd.

2.14. Op 17 juni 2005 heeft de CKC een beslissing op de klacht genomen. Op 13 september 2005 is de beslissing aan partijen toegestuurd.

Daarbij heeft de CKC weergegeven dat de klacht betrekking heeft op de volgende punten:

1. na plaatsing van de brug is er teveel ruimte ontstaan tussen de brug en het tandvlees;

2. de brug rust op 4 in plaats van op 2 pijlers;

3. na plaatsing van de brug is pijn ontstaan op 3 plaatsen;

4. de brug is niet geheel van porselein vervaardigd;

5. de verstandskies 48 is ten onrechte getrokken;

6. in de praktijk is een woordenwisseling ontstaan.

De CKC is van oordeel dat B een slechte brug heeft gemaakt vanwege het feit dat deze tekortschiet in de occlusie, de articulatie, de randaansluiting én heeft geleid tot een dwangbeet. Er is teveel ruimte tussen de brug en het tandvlees. De rand van de kroon van de 12 sluit niet aan op de pijler. Bovendien is de brug enorm ingeslepen, waardoor de brug plat is geworden. Ook zijn de tegenoverliggende elementen in de onderkaak fors ingeslepen.

Uit het mondonderzoek d.d.15-12-2004 kan ook worden geconcludeerd, dat de kwaliteit van de brug slecht wordt bevonden en dat de pijnklachten nog steeds bestonden: de 12 (cervicaal gevoelig bij koud en warm) en de 18 (gevoelig bij het kauwen).

De CKC acht het mogelijk, dat de twee bruggen die geplaatst zijn nà het eerste exemplaar niet nieuw zijn geweest, maar steeds zijn opgebakken met als gevolg dat de situatie in de mond steeds slechter werd.

De CKC is het eens met het besluit van B dat de overspanning voor deze brug moet rusten op vier pijlers; deze zou te groot geweest zijn voor slechts twee pijlers.

Ook kan de CKC zich vinden in het besluit van B om de brug niet geheel van porselein te vervaardigen. In verband met bruxisme (en de end-to-end beet) is occlusaal en palatinaal goud gebruikt bij de 18.

Bovendien is de CKC van oordeel, dat de extractie van de 48 een volkomen juiste handeling is geweest.

Wat het klachtonderdeel betreffende de bejegening aangaat, is niet komen vast te staan wat A tegenover B heeft aangevoerd.

Op grond van het bovenstaande acht de CKC klachtonderdeel:

1. gegrond

2. ongegrond

3. gegrond

4. ongegrond

5. ongegrond

6. ongegrond

De CKC beveelt aan dat B het declaratiebedrag ad € 2.657,00 terug zal betalen aan A.

2.15. Bij brief van 1 december 2005 heeft de gemachtigde van B aan de CKC meegedeeld de aanbeveling niet te accepteren.

2.16. Op 7 december 2005 heeft de gemachtigde van B aan A meegedeeld dat de aanbeveling van de CKC niet wordt gevolgd en dat de behandelingskosten niet worden gerestitueerd.

2.17. De CKC heeft in haar schrijven van 22 december 2005 erkend dat in het verloop van de klachtenprocedure onregelmatigheden waren voorgevallen, maar dat deze constatering niet heeft geleid tot een verandering van inzicht.

2.18. Bij brief van 20 januari 2006 heeft A de geneeskundige behandelings-overeenkomst met B ontbonden.

3. Het geschil

3.1. A vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren, dat de overeenkomst tussen partijen wegens verzuim van B is ontbonden;

II. B te veroordelen het door A betaalde bedrag van € 2.657,40 als zijnde onverschuldigd betaald aan A terug te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2004 tot aan de dag der algehele betaling;

III. B te veroordelen aan A terzake van de immateriële schade € 1.650,00 te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2004 tot aan de dag der algehele betaling;

IV. B te veroordelen aan A terzake van de kosten van herstel € 357,00 te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2004 tot aan de dag der algehele betaling;

V. B te veroordelen aan A terzake van de door A gemaakte buitengerechtelijke kosten € 1.521,21 te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele betaling;

subsidiair:

VI. de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en voorts B te veroordelen als in het primair gevorderde;

meer subsidiair:

VII. B te veroordelen aan A terzake van de kosten van herstel € 3.014,40 te vergoeden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2004 tot aan de dag der algehele betaling en voorts te veroordelen de immateriële en de buitengerechtelijke kosten te vergoeden, zoals primair gevorderd.

Alles met veroordeling van B in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf 8 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele betaling.

3.2. A stelt dat B ernstig tekort is geschoten in de uitvoering van de tandheelkundige behandelingen. Nu de CKC – zo stelt A – in haar uitspraak heeft geoordeeld dat de brug slecht is gemaakt en heeft aanbevolen dat B het volledige betaalde bedrag aan A dient terug te betalen, blijkt dat ook de CKC van mening is dat B is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Het feit dat C en D andere problemen hebben geconstateerd zegt volgens A niets over de geplaatste brug. Het CKC heeft verder niet geoordeeld dat er sprake was van eigen schuld zijdens A. A stelt naar aanleiding van het desbetreffende verweer van B dat B dient te bewijzen dat de CKC een andere brug heeft beoordeeld.

3.3. Verder stelt A dat hij immateriële schade, begroot op een bedrag van

€ 1.650,00, heeft geleden door de pijn, overlast en het opnieuw moeten ondergaan van tandheelkundige behandelingen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt met het oog op het treffen van een minnelijke regeling en het vaststellen van de

aansprakelijkheid en de omvang van de schade. A merkt op dat indien hij in deze een schadevergoeding ontvangt hij de gemeente daarvan op de hoogte zal moeten stellen.

3.4. A erkent dat hij zich na het mondonderzoek in december 2004, maar voor juni 2005, heeft laten behandelen door een Turkse tandarts. Deze tandarts heeft een nieuwe brug geplaatst. A stelt dat het niet mogelijk is gebleken stukken in het geding te brengen waaruit de werkelijk gemaakte kosten terzake het plaatsen van de nieuwe brug blijken. A betoogt dat - onder overlegging van een begroting van tandarts E - terzake het herstel van de brug een bedrag van € 3.014,40 gemoeid is geweest. Het is volgens A evenmin gelukt bewijsstukken te verkrijgen waaruit blijkt welk bedrag door de ziektekostenverzekeraar is uitgekeerd dan wel waaruit blijkt welk bedrag aan Bijzondere Bijstand aan hem is uitgekeerd.

3.5. B betwist te kort te zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst van de geneeskundige behandeling. Hij voert aan dat - gelet op het rapport van C - de oorzaak van de slijtage van de elementen het knarsen van de tanden door A is en dat geen sprake is van een gebrekkige vervaardiging van die elementen. A weigerde de voorgestelde behandeling en volgens B is hij daardoor niet in staat gesteld de pijnklachten te bestrijden en het gebit niet verder te laten slijten. B betoogt verder dat ook hierom het onderzoek van de CKC geloofwaardigheid mist nu dit onderzoek 1,5 jaar later volgde en de slijtage heeft doorgezet. De second (3) opinion – zo stelt B - heeft plaatsgevonden door D en deze constateerde een wortelkanaalontsteking. Een dergelijke ontsteking is volgens B heel pijnlijk maar het betreft een pijn die geheel losstaat van de door hem geleverde behandeling. B meent dat het tweede rapport van D van belang is, omdat A klachtenvrij werd verklaard. B meent dan ook dat het oordeel van de CKC geloofwaardigheid mist omdat niet ingegaan is op de expertise van C en D. Bovendien – zo stelt B – heeft de CKC niet geverifieerd wat er in de tussentijd met het gebit is gebeurd. B voert aan dat A bij een Turkse tandarts onder behandeling is geweest. B betwist dan ook dat de CKC “zijn arbeid” heeft beoordeeld. Volgens B heeft de CKC verder nog de elementaire beginselen van een goede procesorde en een eerlijk proces geschonden. Daarbij doelt B onder meer op het feit dat de CKC een mondonderzoek bij A heeft uitgevoerd zonder hem daarover te informeren en hem daarvoor uit te nodigen.

3.6. Nu A verder geen stukken heeft overgelegd waaruit de hoogte van de herstelkosten blijkt is B van mening dat A zijn schade niet heeft kunnen bewijzen. B voert verder aan dat de door A gevorderde behandelingskosten dienen te worden verminderd met hetgeen de Sociale Dienst heeft bijgedragen. B betoogt dat hij niet door A nauwkeurig is geïnformeerd over de wellicht door diens verzekering uitgekeerde bedragen.

3.7. B voert voorts aan dat sprake is van eigen schuld van A aan de geleden schade door het niet opvolgen van de adviezen van C en D. Bovendien ontbreekt het causale verband tussen de aan B verweten gedraging en de gestelde schade.

3.8. B betwist de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Immers, B heeft direct aangegeven niet te betalen, derhalve was er onder die omstandigheden geen reden buitengerechtelijk te corresponderen.

3.9. B meent dat de immateriële schade afstuit op de eigen schuld van A en het ontbreken van causaliteit.

3.10. Ter zitting heeft A, aldus B, verklaard dat hij lijdt aan een chronische ontsteking van de neusslijmvliezen. Het is bekend dat deze ontstekingen tot hardnekkige pijnklachten in het gebit kunnen leiden. Niet valt uit te sluiten dat deze chronische ontsteking de pijn in het gebit heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat B niet verantwoordelijk voor die pijnklachten is.

3.11. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. A stelt dat B tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de behandelingsovereenkomst. Ter onderbouwing van deze stelling heeft A een uitspraak van de CKC van 17 juni 2005, verzonden op 13 september 2005, in het geding gebracht. Hierin heeft de CKC de klachten van A beoordeeld naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, een op 15 december 2004 door twee tandartsen uitgevoerd mondonderzoek en de bij B opgevraagde tandheelkundige gegevens. De CKC heeft bevonden en geconcludeerd dat de kwaliteit van de brug slecht was vanwege het feit dat deze tekortschoot in de occlusie, de articulatie, de randaansluiting én heeft geleid tot een dwangbeet.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om de juistheid van de conclusies van de CKC in twijfel te trekken.

4.2. Weliswaar heeft B gewezen op de bevindingen van de kaakchirurgen C en D, maar die doen aan de vorenstaande conclusies niet af, nu geen van beiden zich specifiek heeft uitgelaten over de kwaliteit van de brug. C heeft geconcludeerd dat A tandenknarst en dat hij daarvoor een opbeetplaat zou moeten gebruiken. D heeft een wortelkanaalontsteking gediagnostiseerd en behandeld, welke zich in een andere tand bevond dan de geplaatste brug.

B heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de CKC hem ten onrechte niet heeft uitgenodigd het mondonderzoek bij te wonen. Echter, in het onderhavige geval leidt deze omstandigheid niet tot het oordeel dat daarmee de conclusies van het onderzoek zouden zijn beïnvloed en daarmee dat het oordeel van de CKC tot een andere uitkomst zou hebben geleid. B heeft voor het tegendeel onvoldoende aangevoerd.

Tenslotte betwist B dat de CKC “zijn arbeid” heeft beoordeeld, omdat volgens B A zijn gebit reeds door een andere tandarts zou hebben laten behandelen. A heeft gesteld dat hij eerst na het mondonderzoek in december 2004, maar voor de zitting in juni 2005, de brug in Turkije heeft laten vervangen. Daar tegenover heeft B slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat niet uit de uitspraak van de CKC blijkt dat gecontroleerd is dat de door hem uitgevoerde behandelingen zijn beoordeeld. Het had echter op de weg van B gelegen om gemotiveerd te onderbouwen waaruit zou blijken dat A zijn gebit voor het mondonderzoek van 15 december 2004 zou hebben laten behandelen. Nu B dat heeft nagelaten heeft hij dienaangaande onvoldoende gesteld, zodat zijn verweer wordt gepasseerd.

4.3. Gelet op het vorenstaande heeft A de behandelovereenkomst met recht ontbonden wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan door B. Daaruit volgt dat in het onderhavige geval wederzijds ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan.

A dient het door hem betaalde bedrag ad € 2.657,40 van B retour te ontvangen. De wettelijke rente over voornoemd bedrag is toewijsbaar, nu B dat niet dan wel onvoldoende heeft betwist.

A kan daartegenover - gelet op de aard van de prestatie van B - de genoten behandeling en brug niet terugleveren. Echter, nu B toerekenbaar tekort is geschoten en derhalve de prestatie niet aan de verbintenis heeft beantwoord, wordt de in artikel 6:272 BW genoemde vergoeding ter compensatie daarvan beperkt tot nihil.

4.4. A heeft een vergoeding van € 1.650,00 gevorderd terzake geleden immateriële schade. B heeft gesteld dat een dergelijke vergoeding niet in de rede ligt nu sprake is van eigen schuld zijdens A en vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen zijn behandeling en de geleden schade. De rechtbank volgt B daarin niet. B heeft ter onderbouwing daarvan onvoldoende gesteld en nu de CKC in haar uitspraak heeft geconcludeerd dat A als gevolg van de behandeling aanhoudende pijnklachten heeft ondervonden, is de rechtbank van oordeel dat A recht heeft op smartengeld.

De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij de bedragen die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen. Daarbij wordt rekening gehouden met de pijnklachten die A heeft gehad en de pijnlijke behandelingen die A heeft ondergaan ter herstel van de door B geplaatste brug. De rechtbank acht op zijn plaats een bedrag van € 900,00. De gevorderde wettelijke rente over voornoemd bedrag is toewijsbaar, nu B dat niet dan wel onvoldoende heeft betwist.

4.5. De door A gevorderde herstelkosten terzake de plaatsing van een nieuwe brug door een tandarts in Turkije zijn niet toewijsbaar nu hij niet in staat is gebleken een factuur dan wel enig ander stuk over te leggen waaruit de hoogte van die - door B betwiste - kosten blijkt.

4.6. A stelt buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt en vordert ter zake daarvan een bedrag. A specificeert die kosten ook. Daaruit valt echter niet af te leiden dat het gaat om meer dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie, het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Nu een geding is gevolgd, moeten de gevorderde kosten worden aangemerkt als kosten waarvoor het bepaalde in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering al een vergoeding pleegt in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

4.7. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat A eventueel de zich terzake van door hem ontvangen bedragen uit hoofde van Bijzondere Bijstand van de Sociale Dienst en de ziektekostenverzekering van zijn verzekeringsmaatschappij met hen dient te verstaan over terugbetaling daarvan, nu die betalingen - gelet op de ontbinding van de behandelingsovereenkomst - onverschuldigd zijn gedaan.

5. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering van A wordt toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.

6.1. Gelet op de afloop van deze procedure dient B de proceskosten die aan de zijde van A zijn gevallen te dragen. Deze kosten zijn:

-griffierecht: niet in debet: € 74,00

-griffierecht in debet: € 222,00

-kosten dagvaarding: € 84,87

-salaris procureur: € 960,00 (2,5 punten x € 384,00)

---------,---

Totaal: € 1.340,87

6.2. De gevorderde rente over de proceskostenveroordeling zal worden afgewezen. Aangezien de proceskosten aan de griffier moeten worden betaald, heeft A geen belang bij dit onderdeel van de vordering.

7. De beslissing

De rechtbank

I. Verklaart voor recht dat de tussen A en B gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst is ontbonden;

II. Veroordeelt B tot betaling aan A van een bedrag van € 2.657,40, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 5 oktober 2004 tot de dag der algehele voldoening;

III. Veroordeelt B tot betaling aan A van een bedrag van € 900,00, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 5 oktober 2004 tot de dag der algehele voldoening;

IV. Veroordeelt B in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op € 1.340,87, te voldoen aan de griffier van dit gerecht door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van “proceskostenveroordeling” en het zaak- en rolnummer;

V. Verklaart dit vonnis behoudens de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad;

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober

2007.

type: MB

coll: