Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7165

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
353063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

burenruzie, verkrijgende verjaring

art. 3:99 lid 1 en 3:102 lid 2 BW

De stelling van eisers met de verste strekking komt erop neer dat sprake is van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 lid 1 jo 3:102 lid 2 BW - voor zover vast zou komen te staan dat de schutting niet de perceelsgrens markeert en een deel van het perceel aan de zijde van eisers van gedaagde zou zijn. Zoals ook bij gelegenheid van de comparitie is overwogen, zouden bij de juistheid van die stelling eisers eigenaar zijn van de grond tot aan de schutting, ongeacht of die schutting nu wel of niet precies op de oorspronkelijke grens staat. Het is aan eisers om te bewijzen dat de schutting waar het in deze procedure om gaat door hen en door vorige bezitter(s) werd beschouwd als juiste en rechtmatige markering van de erfgrens tussen de aan elkaar grenzende percelen van partijen, zodanig dat kan worden gesproken van bezit te goeder trouw.

Na het horen van getuigen acht de rechtbank eisers geslaagd in het leveren van voornoemd aan hen reeds bij eerder tussenvonnis opgedragen bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

____________________________________________________________________________ __

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer 353063 / HA ZA 06-3270

Vonnis van 31 oktober 2007

in de zaak van:

1. A

2. B

beiden wonende,

e i s e r s in conventie,

v e r w e e r d e r s in reconventie,

procureur mr. C.E. Schouten,

tegen:

C

wonende te,

g e d a a g d e in conventie,

e i s e r in reconventie,

procureur mr. E. van Huis.

Partijen worden hierna A c.s. en C genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 september 2006, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie, met bewijsstukken;

- het vonnis van deze rechtbank van 29 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de op 9 februari 2007 gehouden comparitie van partijen, met het daarin op de voet van artikel 232 lid 1 en lid 2 aanhef onder a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) uitgesproken tussenvonnis;

- het proces-verbaal van de op 23 februari 2007 gehouden gerechtelijke plaatsopneming;

- de processen-verbaal van de op 4 mei en 10 juli 2007 (met bijlage) gehouden getuigenverhoren;

- de conclusie na enquête van A c.s.;

- de conclusie na enquête van C.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

In conventie en in reconventie

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, als¬mede op grond van de in zoverre niet bestreden in¬houd van overgelegde bewijs¬stuk¬ken, staat het volgende vast.

a. A c.s. zijn sinds 25 januari 2000 eigenaar van een woning met tuin en toebehoren, plaatselijk bekend als Mozartlaan 7 te Hilversum en kadastraal bekend, gemeente Hilversum, sectie I 2534, 2535 en 2676.

De (mede)rechtsvoorganger van A c.s. was mevrouw D.

b. C is sinds 30 juni 1999 mede-eigenaar van de woning met tuin en toebehoren, plaatselijk bekend als Wagnerlaan 30 te Hilversum en kadastraal bekend als gemeente Hilversum, sectie I 2536.

De (mede)rechtsvoorganger van C was de heer E.

c. Beide percelen grenzen (aan de achterzijde) met de tuinen aan elkaar, zoals aangeven op ondertaande kadastrale tekening.

De percelen (tuinen) worden feitelijk gescheiden door onder meer een schutting.

d. In januari 2006 heeft C een aantal (minimaal 23) beukenbomen doen afzagen tot op een hoogte van circa 3 tot 4 meter boven de grond. Die beuken staan aan de zijde van de schutting - en dichtbij dan wel tegen die schutting - waar A c.s. hun tuin hebben.

e. Bij brief van 13 februari 2006 hebben A c.s. C aansprakelijk gesteld voor de schade voortvloeiden uit het afzagen van de bomen, met de mededeling dat tevens aangifte was gedaan van vernieling.

In conventie

Vordering en de grondslag

2. A c.s. vorderen, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

a. de grens tussen de percelen van A c.s. en C vast te stellen op grond van artikel 5:47 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en voor recht te verklaren dat het perceel waar A c.s eigenaar van zijn zich uitstrekt tot aan de schutting en dat de beuken derhalve hen toebehoren;

b. C te veroordelen tot betaling van de schade die is ontstaan door zijn onrechtmatig handelen, tot op heden begroot op € 50.082,50;

c. C te veroordelen te gedogen dat de herstelwerkzaamheden plaatsvinden vanaf zijn terrein, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat C zich niet houdt aan het in deze te wijzen vonnis;

d. C te veroordelen in de kosten van de procedure, met bepaling van het nasalaris van de gemachtigde.

3. A c.s. leggen naast de vaststaande feiten aan hun eis ten grondslag dat de erfgrens tussen beide percelen wordt gevormd door de aanwezige schutting. Deze grens correspondeert met de kadastrale tekening die hoort bij de koopakte. De werkelijke erfgrens heeft ook nimmer ter discussie gestaan en A hebben steeds de beschikking gehad over de grond tot aan de schutting.

4. A c.s. stellen subsidiair - voor het geval dat de schutting niet precies op de erfgrens zou staan - dat zij eigenaar zijn van het perceel tot aan de schutting op grond van verkrijgende verjaring. Niet alleen A c.s. zijn sinds januari 2000 in het onafgebroken bezit van de grond tot aan de schutting, maar daarvóór ook hun rechtsvoorganger, D. Voordat de schutting werd gezet werd de erfgrens op dezelfde plaats gemarkeerd door een laag hek en op verzoek van de rechtsvoorganger van C - E - is op de erfgrens de schutting geplaatst. Zowel D als E zijn er steeds vanuit gegaan dat de schutting - en daarvoor het hek - de erfgrens vormde. Ook A c.s. zijn daar steeds vanuit gegaan en er was geen reden daaraan te twijfelen. Zij zijn, naar zij stellen, dan ook bezitter te goeder trouw in de zin van artikel 3:99 lid 1, in samenhang met artikel 3:102 lid 2 BW en op die wijze eigenaar geworden. Uit de openbare registers kon niet blijken dat de erfgrens anders zou zijn dan de schutting weergeeft, aldus A c.s.

5. Meer subsidiair stellen A c.s. dat zij eigenaar zijn geworden door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:105 BW. A c.s. en hun rechtsvoorganger zijn sinds 1960, in ieder geval meer dan 20 jaar, onafgebroken in bezit van de grond tot aan de schutting.

6. A c.s. stellen dat C met het afzagen van 25 beukenbomen inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. Er is namelijk nimmer overleg geweest over het afzagen van die beuken en A c.s. hebben ook geen toestemming gegeven. Uit kadastrale meting blijkt ook niet dat de beuken zich op het perceel van C zouden bevinden. Zelfs als die beuken blijkens kadastrale gegevens wel op het perceel van C zouden staan, betekent dat niet dat C gerechtigd was zich als eigenaar te gedragen, omdat die eventuele rechten van hem inmiddels zijn verjaard. C heeft derhalve onrechtmatig gehandeld jegens A c.s. en dient de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. De schade bestaat uit de kosten voor het terugbrengen in de oude toestand, hetgeen onder meer noodzakelijk is omdat de gemeente heeft aangekondigd dat het gaat om een zone van beschermd groen, waartoe een aanschrijving tot herstel onderweg is. De schade is begroot door Kwekerij De Limieten tot het bedrag van € 50.082,50 inclusief BTW, ervan uitgaande dat kan worden gewerkt vanuit de tuin van C. De kans is groot dat er beuken doodgaan of dat ze niet meer uitlopen. Ter nadere toelichting stellen A c.s. nog dat de afgezaagde beuken niet kunnen worden beschouwd als een beukenhaag, zoals C aanvoert, zodat er geenszins noodzaak bestond de bomen af te zagen.

Het verweer

7. C betwist de vorderingen en voert aan dat de erfgrens niet wordt gevormd door de schutting. Vóórdat de schutting werd geplaatst heeft er op de erfgrens een hek gestaan waarvan de restanten thans nog zichtbaar zijn in de vorm van (restanten van ) ijzeren palen. Dit hekwerk stond wel op de kadastrale erfgrens en stond circa 20 centimeter ten noorden van de schutting (derhalve in de richting van de tuin van A c.s.). Het ijzeren hek stond in één lijn, zodanig dat een strook grond achter het saunagebouw van C ook tot zijn eigendom moet worden gerekend. De loop van de grens is derhalve niet onzeker, zodat de vordering op dit punt moet worden afgewezen. In november 2002 heeft op verzoek van C nog kadastrale meting plaatsgevonden en een kopie van de resultaten heeft hij bij A c.s. in de brievenbus gedaan.

8. C betwist dat A c.s. door verjaring eigendom hebben verkregen. Voor zover er sprake is van bezit is dat bezit niet te goeder trouw, aldus C.

9. C voert met betrekking tot de beuken aan dat het gaat om een beukenhaag en dat in het voorjaar van 2001 met A c.s. is gesproken over de noodzaak tot snoeien daarvan. De bedoeling van E en D was destijds het plaatsten van een beukenhaag op de erfgrens en er bestaat uit dien hoofde voor beide partijen de verplichting die haag periodiek te snoeien, om de functie als haag te behouden, aldus C. De beukenhaag is - voor zover die op de kadastrale grens staat - mandelig in de zin van artikel 5:65 BW en dat brengt mee dat partijen gezamenlijk onderhoudsplichtig zijn. C is derhalve niet aansprakelijk voor schade. Hij heeft uit eerzame bedoelingen gehandeld - derhalve geen schuld - en de haag is op zijn kosten op deskundige wijze gesnoeid. Hij ging er daarbij vanuit dat de haag op zijn grond staat en heeft wat dit betreft derhalve gedwaald.

10. C betwist dat A c.s. schade hebben geleden door het snoeien van de haag. Het enige wat C heeft gedaan is het herstellen van de functie als haag. De beuken zijn ook alweer uitgelopen. De beuken zijn ook al eerder gesnoeid geweest en daarna weer aangegroeid. Er is derhalve geen noodzaak tot vervanging van de beuken. Alleen als C de functie als haag zou hebben aangetast - hetgeen wordt betwist - zou sprake kunnen zijn van schade, maar dan alleen in de vorm van waardevermindering, aldus C. A c.s. hebben dat echter niet gesteld. Door het snoeien van de haag is de waarde van het perceel van A c.s. niet gedaald, hetgeen blijkt uit de overgelegde brief van F Onroerend Goed. C betwist de prijsopgave van Kwekerij De Limieten. Een redelijke prijs voor vervanging van de beuken zou totaal € 12.350,-- zijn, aldus C.

In reconventie

De vordering en de grondslag

11. C vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. vastgesteld wordt, dat A c.s. en C, ieder voor de helft, met betrekking tot de beukenhaag op of bij de grens tussen de percelen kadastraal bekend gemeente Hilversum, sectie I nummers 2534 en 2535 enerzijds en anderzijds perceel kadastraal bekend gemeente Hilversum, sectie I nummer 2536 verplicht zijn de kosten van het twee keer per jaar snoeien - althans de kosten van snoeien zodra de haag hoger is dan drie meter - en van vernieuwen, voor zover noodzakelijk, te dragen;

b. dat A c.s. bevolen wordt eraan mee te werken, dat behoorlijk waarneembare grenstekens, waarvan de rechtbank in goede justitie de omschrijving vaststelt, worden geplaatst en blijven staan, althans vier holle ijzeren gemetalliseerde groene palen, merk Heras, van 1,50 meter lengte, waarvan 50 centimeter de grond in gedreven wordt, en met een doorsnede van vijf centimeter, worden geplaatst en blijven staan, op de kadastrale grens tussen genoemde percelen; op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- in geval van overtreding van dit bevel, vermeerderd met € 200,-- per dag in geval van voortdurende overtreding;

c. dat bepaald wordt, dat elk van partijen de helft van de kosten van die palen en van plaatsing ervan dragen;

d. dat gedaagden, ieder hoofdelijk voor het geheel, zodanig dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld worden als vergoeding van de kosten van aan C verleende buitengerechtelijke rechtsbijstand aan C te betalen de somma van € 1.600,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 15 november 2006 tot aan de dag van volledige betaling;

e. met veroordeling van A c.s. in de kosten van de procedure, in zowel conventie als in reconventie.

12. C legt aan zijn eis te grondslag hetgeen hij in conventie als verweer heeft aangevoerd. Hij heeft er onder meer belang bij dat er duidelijkheid komt omtrent de vraag wie er moet opkomen voor de kosten van het onderhoud van de beukenhaag. Tevens heeft hij er belang bij dat er duidelijke grenstekens worden geplaatst.

13. C heeft kosten moeten maken, anders dan die bedoeld in artikel 237 tot en met 240 Rv, in verband met rechtskundige bijstand. Die kosten bedragen € 1.600,--.

Het verweer

14. A bestrijden de vordering en voeren aan hetgeen zij in conventie hebben gesteld.

In conventie en in reconventie

15. De vorderingen in conventie en in reconventie zijn zo nauw met elkaar verweven dat die gezamenlijk zullen worden behandeld.

16. De stelling van A c.s. met de verste strekking komt erop neer dat sprake is van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 lid 1 jo 3:102 lid 2 BW - voor zover vast zou komen te staan dat de schutting niet de perceelsgrens markeert en een deel van het perceel aan de zijde van A c.s. van C zou zijn. Zoals ook bij gelegenheid van de comparitie is overwogen, zouden bij juistheid van die stelling A c.s. eigenaar zijn van de grond tot aan de schutting, ongeacht of die schutting nu wel of niet precies op de oorspronkelijke grens staat. Het is aan A c.s. om die stelling te bewijzen en bij tussenvonnis van 9 februari 2007 (bij gelegenheid van de comparitie van partijen) is aan A c.s. opgedragen te bewijzen:

dat de schutting waar het in deze procedure om gaat door hen en door vorige bezitter(s) werd beschouwd als juiste en rechtmatige markering van de erfgrens tussen de aan elkaar grenzende percelen van Mozartlaan 7 en Wagnerlaan 30, zodanig dat kan worden gesproken van bezit te goeder trouw.

A c.s. hebben ter uitvoering van die bewijsopdracht getuigen doen horen, waarna C getuigen in contra-enquête heeft doen horen. Het komt derhalve aan op de beoordeling van die verklaringen.

17. De verschillende getuigen hebben, voor zover hier van belang, als volgt verklaard.

D

Ik ben samen met mijn man op de Mozartlaan 7 gaan wonen in 1962. In 1961 is de bouw begonnen. We hebben het huis nieuw laten bouwen en wij waren ook de eigenaar. In januari 2000 hebben wij de woning met toebehoren verkocht aan de familie A / B. Toen wij daar in het begin gingen wonen, is er een laag hekje gezet bij wijze van erfafscheiding tussen onze tuin en het perceel Wagnerlaan 30. […] Dat is nadien vervangen door de familie E. Die hebben er een hoger hek neergezet en nadien een schutting. Dat is steeds in overleg met ons gedaan. Dat tweede hek was hoger dan het eerste hek. Ik denk dat het tweede hek is geplaatst niet lang nadat zij daar zijn komen wonen. […] Het ging allemaal in goede harmonie. Ik neem aan dat het eerste en tweede hek op de erfgrens stonden. Ik heb met de familie E nooit enige discussie gehad over de erfafscheiding.

Voor zover ik mij herinner is er ongeveer 20 tot 22 jaar geleden een schutting neergezet. […] Die is neergezet op de erfgrens. Dat weet ik, omdat dat was afgesproken.

Mijn man heeft indertijd een beukenhaag geplaatst met haagbeuken. […] Ik neem aan dat de schutting later is geplaatst dan de bomen. […] Ik ben ongeveer een half jaar geleden nog in de tuin geweest en ik heb de afgezaagde bomen toen gezien. Ik ben er ook vrij kort geleden nog een keer geweest. Ik neem aan dat de schutting nog steeds op dezelfde plaats staat. […]

(Aan de getuige wordt voorgehouden haar schriftelijke verklaring van 26 juni 2006, productie 17 bij dagvaarding).

Ik heb deze verklaring gelezen en afgezien van het jaartal 1960 in de eerste regel, klopt het. We zijn daar niet in 1960 gaan wonen maar in 1962.

In de hiervoor genoemde verklaring van getuige D van 26 juni 2006 is onder meer vermeld:

Vanaf de bouw van het huis in 1960 tot aan de overdracht ervan aan de huidige bewoners, de familie A, in januari 2000, bewoonde ik met mijn familie het huis aan de Mozartlaan 7 te Hilversum.

In deze periode bewoonden verschillende families het huis aan de Wagnerlaan 30, waaronder de familie E en de huidige bewoners, de familie C.

Al die tijd bevond de perceelgrens zich op de plaats waar de laatste jaren een schutting is gesitueerd. Al deze tijd is er omtrent de positie van de perceelgrens tussen deze twee percelen geen discussie geweest.

Ruim 20 jaar geleden verzochten de toenmalige achterburen van de Wagnerlaan 30, de familie E, ons een schutting te mogen plaatsen op de perceelgrens van ons beider percelen, die tot dan toe werd gemarkeerd door een laag hekje. In goed onderling overleg werd de schutting geplaatst tussen de bomen door de achterburen. De schutting markeert sindsdien de perceelgrens tussen beide percelen. Tijdens onze periode is er niets meer veranderd aan de positie van de schutting. Bij de verkoop van ons huis aan de familie A is de perceelgrens dus uiteraard ook gemarkeerd door deze lijn.

E

Ik heb destijds gewoond op het adres Wagnerlaan 30 te Hilversum. […] Ik weet niet meer precies wanneer we daar zijn gaan wonen, maar dat zal rond 1982 zijn geweest. De erfafscheiding met de tuin van Mozartlaan 7 bestond toen uit een ijzeren hekje met verroest gaaswerk. Het waren ijzeren staanders met gaas. Die staanders waren ongeveer een meter hoog. […]. Dat stenen gebouwtje stond er al toen wij de woning kochten. Dat was destijds in gebruik als badhuis. [...] In het verlengde van het stenen gebouw stond het hek op de erfafscheiding. […] Ik neem aan dat het hek op de erfgrens stond. Daar is nooit discussie over geweest. Ik ging er steeds vanuit dat dat de erfgrens was en de familie D heeft nooit laten weten dat zij er anders over dachten.

De houten schutting is gezet in 1985. Dat weet ik nog omdat dat het jaar is waarin mijn dochter is geboren. Die schutting is neergezet op mijn initiatief. […] Volgens mij is die schutting op dezelfde plaats gezet als het hek. […] De beukenhaag stond er toen al. Die stond er al toen ik er kwam wonen. Ik heb die beukenhaag nooit bijgehouden. De bomen waren van de familie D, althans wij gingen daar beiden vanuit.

Ik ben deze week nog geweest in de tuin van Wagnerlaan 30. De schutting staat voor zover ik kan beoordelen nog op dezelfde plek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat er iets is gewijzigd. […]

Over de afscheiding rechts van het saunagebouw, bezien vanuit de woning Wagnerlaan 30, is ook nooit discussie geweest. […]. De schutting zoals die destijds door mij is geplaatst liep tot aan het badhuis.

F

Ik heb de schutting waar het in deze procedure over gaat gezien. Ik weet niet hoelang deze schutting daar staat. Ik weet ook niet wie die schutting daar heeft neergezet. Ik weet niet of die schutting destijds is geplaatst op de erfgrens. Ik heb met deze zaak voor het eerst te maken gekregen ongeveer een half jaar geleden. […]

Ik was in juni 1998 betrokken bij de aankoop van de woning door de familie C. Er was geen discussie over de erfgrens. […]

G.

Ik ben bekend met de situatie in de tuin van de familie C. We hebben de tuin aangelegd in 2001 en een jaar twee of drie het onderhoud gedaan. De schutting die u mij laat zien op foto 9 en 10 (bij antwoord) die stond er toen al. […] Ik heb geen idee of die schutting op de erfgrens staat. Ik heb geen idee wie die schutting heeft gezet.

H

Ik doe sinds ongeveer twee jaar het onderhoud aan de tuin van de familie C. Ik weet niet wie de schutting, waar het hier om gaat, destijds heeft gezet. Ik kan u ook niet vertellen hoe lang die er staat. […] De schutting staat op het perceel van de familie C. Dat zeg ik omdat kleine ijzeren paaltjes zichtbaar geworden zijn van de oude erfafscheiding. Dat dat de oude erfafscheiding is, leid ik af uit het feit dat er ook twee kadasterpaaltjes zichtbaar zijn geworden. Ik weet niet hoelang die er staan. Die kadasterpaaltjes stonden in dezelfde lijn als de restanten van de ijzeren paaltjes. […]

18. A c.s. concluderen onder verwijzing naar de afgelegde verklaringen dat zij in het hun opgedragen bewijs zijn geslaagd.

19. C concludeert dat A c.s. niet zijn geslaagd in het hun opgedragen bewijs, waarbij wordt betoogd dat A c.s. niet kunnen worden beschouwd als bezitter te goeder trouw. Voor verkrijging uit hoofde van extinctieve verjaring is derhalve een bezitstermijn van twintig jaar vereist. C betwist ook de juistheid van de bewijsopdracht.

20. De rechtbank acht A c.s. geslaagd in het hun opgedragen bewijs. Uit de verklaringen van D en E blijkt duidelijk dat zij er sinds jaar en dag vanuit gingen dat de schutting de erfgrens markeerde. Die schutting is in onderling overleg geplaatst en er is blijkens die verklaringen nooit onduidelijkheid of discussie geweest over de juistheid van de erfafscheiding. Anders dan C concludeert (na enquête) waren A c.s. sinds de verkrijging van het perceel ook bezitter te goeder trouw. Zij beschouwden zich als rechthebbenden en mochten dat redelijkerwijs ook doen. Bij gelegenheid van de gerechtelijke plaatsopneming is gebleken dat er achter de schutting restanten van ijzeren palen zichtbaar zijn, doch die zijn zo miniem dat die - voor zover die al betrekking hebben op het destijds verwijderde hek - redelijkerwijs niet als voormalige erfafscheiding herkenbaar zijn. Daaraan konden A c.s. derhalve niet herkennen dat de erfafscheiding in het verleden wellicht iets anders was. Daar komt bij dat aan de meest westelijke kant van het perceel het restant van de ijzeren paal vrijwel tegen de schutting aan staat en ook de paar andere restanten dicht tegen de schutting waarneembaar zijn. A c.s. wisten derhalve niet beter en gedroegen zich niet anders dan dat de schutting de erfafscheiding vormde. Dat was ook het geval bij D en E, zodanig dat A c.s. het bezit te goeder trouw van hun rechtsvoorganger heeft voortgezet. Uit de verklaringen van de getuigen volgt genoegzaam dat dat bezit te goeder trouw meer dan tien jaar aaneengesloten heeft geduurd, zodat A c.s. als eigenaar hebben te gelden van het perceel tot aan de schutting.

21. Daar doen de verklaringen van de getuigen F, G en H niet aan af. Deze getuigen hebben immers niet specifiek kunnen verklaring over de wel of niet juiste erfgrens. Wel bevestigd getuige F dat bij de aankoop van het perceel door C in 1998 geen discussie was over de erfgrens. De schutting stond er toen óók al.

22. C wijst nog op een meting van het kadaster ( productie 10 bij eis), doch voor zover de juistheid van de erfgrens daaruit al kan worden afgeleid - duidelijk is dat niet - is gesteld noch gebleken dat A c.s. bij de aankoop van het perceel door raadpleging van de openbare registers een en ander hadden kunnen kennen. Bovendien is die meting pas nadien, in 2002 uitgevoerd. Toen woonden A reeds op het adres en was hij bezitter te goeder trouw. Een bezitter te goeder trouw wordt geacht dit te blijven. Dit bezit te goeder trouw geldt voor zover de schutting de erfgrens markeert.

23. De vordering van A c.s. onder 2 a. sterkt - naar de rechtbank begrijpt - tot het vaststellen van de totale grens tussen beide percelen. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat die erfgrens voor het grootste deel wordt gevormd door de schutting. Bij de gerechtelijke plaatsopneming is vastgesteld dat die schutting loopt tot aan een muur die de achterkant vormt van een stenen (sauna)gebouw, dat in eigendom toebehoort aan C. Zoals in het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming is verwoord, is aan de achterzijde van het stenen gebouw een afvoerbuis zichtbaar die in de grond verdwijnt. Tevens zijn daar - duidelijker dan bij de schutting - ijzeren palen zichtbaar met restanten van draad, zodanig dat dit als (voormalig) hekwerk herkenbaar is. Deze ijzeren palen staan in het verlengde van de schutting. Gelet op de getuigenverklaringen, waaruit blijkt dat de schutting op de erfgrens staat, gelet voorts op de duidelijker aanwezigheid van de ijzeren palen achter het stenen (sauna)gebouw, moet het ervoor worden gehouden dat de erfgrens in het verlengde van de schutting doorloopt, op een afstand van circa 35 centimeter achter het stenen gebouw langs, tot aan de schuin weglopende schutting aan de oostkant van de percelen, een en ander zoals weergegeven met de stippellijn op onderstaande tekening. A c.s. beroepen zich met betrekking tot de strook grond tussen die grens en het (sauna)gebouw ook niet op verkrijgende verjaring.

24. De vordering van A c.s. genoemd onder 2 a. kan op met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.

25. Met de vaststelling van de erfgrens staat tevens vast dat de beuken in de tuin van A c.s. staan en derhalve hen toebehoren. Vast staat dat C die beuken ongevraagd en zonder toestemming heeft doen afzagen. Verder kan worden vastgesteld dat die beuken niet de erfgrens vormen en dus niet mandelig zijn, zoals C aanvoert. C betoogt verder weliswaar dat het ging om een beukenhaag die dringend onderhoud nodig had, doch voor zover dat al juist is, is dat geen reden om zonder overleg die beuken af te doen zagen. Indien C last had van de beuken, door bijvoorbeeld overhangende takken, had hij de weg van artikel 5:44 BW kunnen volgen. Het beroep van C op dwaling gaat niet op omdat die niet verschoonbaar is. De beuken stonden in de tuin van A c.s. en C wist, althans had moeten beseffen, dat hij niet zonder overleg en zonder toestemming de bomen van een ander kon doen afzagen. Het afzagen van de beuken is onder die omstandigheden in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en deze handelwijze kan C worden toegerekend. C is jegens A c.s. aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.

26. De door A c.s. gevorderde schade is door C gemotiveerd betwist, zowel de noodzaak tot vervanging van de beuken, als de kosten daarvan. Bij de gerechtelijke plaatsopneming is vastgesteld dat vervanging van de beuken zeer ingrijpend zou zijn, gelet op de plaats van de beuken, tegen de schutting en omringd door andere bomen. Zoals ook door A c.s. is gesteld zal vervanging van de beuken ook slechts vanuit de tuin van C kunnen plaatsvinden en verder is bij de gerechtelijke plaatsopneming duidelijk geworden dat in dat geval ook de schutting weg zal moeten. Vervangen van de beuken is derhalve naar moet worden aangenomen voor beide partijen een forse ingreep in de voor het overige mooi aangelegde tuinen. Daar komt bij dat de rechtbank niet overtuigd is van de noodzaak tot vervanging van de beuken. C heeft onweersproken aangevoerd dat de beuken eerder gesnoeid zijn geweest en weer zijn gegroeid, en ook bij de gerechtelijke plaatsopneming is vastgesteld dat de beuken uitlopen. De beuken staan ook achterin de relatief omvangrijke tuin van A c.s. en kunnen, bezien tegen het geheel van de tuin, niet beeldbepalend genoemd worden. A c.s. stellen nog wel dat een aanschrijving van de gemeente zou volgen stekkende tot vervanging van de bomen, doch dat is in het verdere verloop van de procedure niet gebleken. De rechtbank gaat hieraan derhalve voorbij. De vervangingskosten zoals door A c.s. worden gevorderd kunnen op grond van het voorgaande niet worden toegewezen.

27. Dat neemt niet weg dat - anders dan C aanvoert - kan worden gesproken van schade aan de zijde van A, door aantasting van de beuken. De schade kan door de rechtbank worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In dat verband gaat de rechtbank ervan uit dat sprake is van een zeker minderwaarde van het perceel, die wordt geschat op een bedrag van € 12.500,--. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat het in dit geval gaat om een perceel met woning in het hogere prijssegment, met een mooie en ruime tuin. Aantasting van de oorspronkelijk hoge beuken - tot op een lengte van circa 3,5 meter is naar moet worden aangenomen van invloed op de waarde van het geheel. C betoogd weliswaar, onder verwijzing naar de brief van makelaar F Onroerend Goed, dat die schade nihil is, doch de opvatting wordt gelet op het voorgaande niet gedeeld.

28. De vordering van A c.s. onder 2 b. is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van

€ 12.500,--.

29. Gelet op het voorgaande zal de vordering onder 2 c. worden afgewezen. C heeft wel te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Het gevorderde nasalaris is niet gespecificeerd zodat dat buiten beschouwing zal worden gelaten.

In reconventie

30. Op grond van hetgeen in conventie is overwogen en zal worden beslist wordt de vordering van C onder 11 a. afgewezen.

31. In conventie is de erfgrens vastgesteld en afgebakend met de aldaar genoemde schutting. C heeft derhalve voor het grootste deel geen belang meer bij zijn vordering onder 11 b. Wat resteert is afbakening van de in conventie vastgestelde erfgrens in het verlengde van de schutting, dat wil zeggen op de erfgrens achter het (sauna)gebouw, tot aan de oostelijk gelegen schuin weglopende schutting, zoals aangegeven met de stippellijn in de hiervoor onder 23 weergegeven tekening. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met het aanbrengen van een aantal ijzeren palen die tot circa één meter boven de grond uit steken. Tot zover is de vordering van C onder 11 b. toewijsbaar. De vordering van C op dit punt is kennelijk gebaseerd op artikel 5:46 BW, zodat beide partijen dienen op te komen voor de kosten hiervan. Ter vermijding van verder dispuut tussen partijen zullen die kosten worden begroot op totaal € 500,--, derhalve € 250,-- per partij, welk bedrag bij wijze van verrekening in mindering zal worden gebracht op het in conventie toegewezen bedrag. Voor een dwangsom is geen reden nu de erfgrens eerst met dit vonnis is vastgesteld en er niet zonder meer vanuit gegaan kan worden dat A c.s. niet willen meerwerken aan het plaatsen en in stand laten van een paar ijzeren palen.

32. C heeft in reconventie te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Er is derhalve geen plaats voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. C zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

in conventie;

- stelt de grens tussen de percelen van A c.s. en C vast volgens de lijn die wordt gemarkeerd door de schutting en voor het overige, in het verlengde van de schutting achter het stenen (sauna)gebouw langs - op een afstand van circa 35 centimeter - tot aan de schuin weglopende schutting aan de oostkant van de percelen, een en ander zoals weergegeven met de stippellijn op de onder 23 weergegeven tekening;

- verklaart voor recht dat het perceel waar A c.s. eigenaar van zijn zich uitstrekt tot aan de schutting en dat de beuken aan A c.s. toebehoren;

- veroordeelt C om aan A c.s. te betalen een bedrag van € 12.250,-- (zegge: twaalfduizend tweehonderd vijftig euro);

- veroordeelt C in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van A c.s. begroot op:

- griffierecht € 1.100,--

- kosten dagvaarding € 84,87

- salaris procureur (5 punten € 452,--) € 2.260,--

totaal € 3.444,87

- verklaart de betalingsveroordeling en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

- beveelt A c.s. eraan mee te werken dat afpalingstekens worden geplaatst en blijven staan in de vorm van een paar ijzeren palen (met maximaal 5 centimeter doorsnede), die ongeveer één meter boven de grond uitsteken, dat wil zeggen in het verlengde van de schutting, op de erfgrens achter het (sauna)gebouw, tot aan de oostelijk gelegen schuin weglopende schutting, zoals aangegeven met de stippellijn in de hiervoor onder 23 weergegeven tekening;

- veroordeelt C in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van A c.s. begroot op (salaris procureur 1/2 punt € 452,--) € 226,--;

in conventie en in reconventie:

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg en in het openbaar uitgesproken op 31oktober 2007.