Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7164

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
351052 - HA ZA 06-3000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toerekenbaar tekortschieten rechtsbijstandverzekeraar

De rechtbank oordeelt dat DAS tekort is geschoten in haar taak als rechtsbijstandverlener, doordat zij eiseres niet volledig heeft geïnformeerd over haar kansen.

De vordering tot vergoeding van de schade wordt afgewezen omdat de schade niet is komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2008, 31
NJF 2007, 551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351052 / HA ZA 06-3000

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A B.V.,

gevestigd te,

eiseres,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de naamloze vennootschap

D.A.S. NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. H.J. Stehouwer.

Partijen zullen hierna A en DAS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 29 augustus 2006,

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 15 november 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 14 februari 2007.

2. De feiten

2.1. A heeft zich in 2003 bij DAS verzekerd tegen de kosten van rechtsbijstand.

2.2. In februari 2003 heeft A een ontslagvergunning aangevraagd voor haar werkneemster mevrouw B. Het CWI heeft op 28 april 2003 aan A schriftelijk toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met B op te zeggen. Bij brief van 9 mei 2003 heeft A de arbeidsovereenkomst met B opgezegd tegen 30 september 2003.

2.3. Op 18 augustus 2003 is namens B een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter te Utrecht strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 30 september 2003 onder toekenning van een vergoeding van EUR 38.876,20 aan B.

2.4. Eind augustus 2003 heeft A DAS om rechtsbijstand verzocht. De zaak van A is behandeld door de juriste arbeidsrecht mr. C. Op 5 september 2003 heeft een bespreking (hierna: de bespreking) plaatsgevonden tussen C en de heer A (statutair directeur van A).

2.5. Op 8 september 2005 is een minnelijke regeling tot stand gekomen tussen A en B, bestaande uit een ontbinding van de overeenkomst per 30 september 2003 onder toekenning van een vergoeding van EUR 25.000,=, welk bedrag door A aan B is betaald.

3. Het geschil

3.1. A vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat- veroordeling van DAS tot betaling van EUR 25.000,=, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. A legt aan haar vorderingen ten grondslag dat DAS is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst door A onjuist en onvolledig te informeren over haar juridische positie, als gevolg waarvan A schade heeft geleden. De schade bestaat uit de betaalde ontbindingsvergoeding van EUR 25.000,= inclusief de werkgeverslasten en de buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten bedraagt EUR 2.500,=. Subsidiair vordert A vergoeding van deze kosten conform het rapport Voorwerk II van EUR 1.158,=. Voorts maakt A aanspraak op de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2003.

3.3. DAS voert daartegen ten verwere het volgende aan:

- DAS betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Zij stelt daartoe dat alle mogelijkheden en risico’s zijn besproken met A en dat zij zelf de keuze had om in te gaan op het schikkingsvoorstel

- DAS betwist dat A schade heeft geleden. Indien inhoudelijk verweer zou zijn gevoerd, dan had dit niet geleid tot niet-ontvankelijkheidsverklaring van B, dan wel afwijzing van de door B gevorderde ontbindingsvergoeding. Voorts stond voor B nog de weg open van het kennelijk onredelijk ontslag.

- DAS betwist voorts de gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag of DAS tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de rechtsbijstandsverzekering, dient te worden beoordeeld of DAS heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend rechtsbijstandverlener te werk zou gaan. DAS betwist dat zij, zoals door A is gesteld, tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen.

4.2. Ter onderbouwing van haar stelling heeft A aangevoerd dat DAS ten onrechte heeft geadviseerd de zaak in der minne te regelen, omdat B niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in haar verzoek, dan wel een verzoek tot toekenning van een vergoeding zou zijn afgewezen. A verwijst daartoe naar uitspraken van kantonrechters waarin werknemers niet-ontvankelijk worden verklaard in een tijdens de opzegtermijn gedaan ontbindingsverzoek, dan wel dat hun verzoek tot vergoeding wordt afgewezen.

4.3. Zoals A terecht heeft aangevoerd behoort het tot de taak van een rechtsbijstandverlener zijn cliënt juist en volledig te informeren. Immers een cliënt is pas in staat een weloverwogen beslissing te nemen indien hij is gewezen op de consequenties en risico’s die verbonden zijn aan de verschillende opties. Het behoorde tot de taak van C de kwade en goede kansen van eiser in kaart te brengen. Terecht heeft A in dat verband aangevoerd dat C A tijdens de bespreking had moeten wijzen op verschillende uitspraken van de kantonrechter waarin deze een werknemer in een tijdens de opzegtermijn gedaan ontbindingsverzoek niet-ontvankelijk verklaarde, dan wel zijn verzoek afwees, omdat de procedure op grond van kennelijk onredelijk ontslag de aangewezen weg werd geacht. Temeer ook nu A (onbetwist) heeft aangevoerd dat hij tijdens de bespreking heeft gevraagd hoe het kan dat B een ontbindingsverzoek kon indienen, terwijl A al een ontslagvergunning had. Nu DAS niet heeft weersproken, dat C A niet heeft gewezen op genoemde uitspraken, heeft C A niet volledig geïnformeerd, waardoor DAS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Dat A zelf verantwoordelijk is voor het vervolgens opvolgen van het advies en dat zij ook altijd een second opion had kunnen vragen, doet aan het voorgaande niets af.

4.4. Beoordeeld dient vervolgens te worden of, en zo ja, in welke mate A schade heeft geleden als gevolg van het feit dat DAS is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting. Voor het antwoord op die vraag moet worden beoordeeld hoe de kantonrechter had behoren te beslissen, althans moet de kans op afwijzing van de vordering van B tot toekenning van een vergoeding worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die A in de door haar aanhangig gemaakte procedure bij de kantonrechter had gehad.

In de rechtspraak wordt door kantonrechters verschillende geoordeeld over verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werknemer tijdens de opzegtermijn. Niet kan dan ook worden vastgesteld hoe de kantonrechter had behoren te beslissen. Gelet echter op de gepubliceerde uitspraken van kantonrechters uit Utrecht van 11 juli 1988 ( LJN AI8015) en 22 september 1994 (LJN AGO849), waarin de werknemer niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek is afgewezen en gelet op het feit dat er geen andersluidende gepubliceerde uitspraken van kantonrechters uit Utrecht bekend waren, gaat de rechtbank er van uit dat de kantonrechter te Utrecht in de lijn van haar eerdere uitspraken B niet-ontvankelijk had verklaard in haar verzoek, dan wel het verzoek had afgewezen. In dit oordeel wordt de rechtbank ook bevestigd door de uitspraak van de kantonrechter te Utrecht van 26 november 2003 (LJN AO2317).

Zoals door DAS terecht is aangevoerd, betekent dit echter niet dat A ten onrechte een vergoeding heeft betaald, aangezien er voor B nog de mogelijkheid open stond om in een procedure uit hoofde van een kennelijk onredelijk ontslag een vergoeding te vorderen. Gelet op dit verweer van DAS had het op de weg van A gelegen om zich uit te laten over de kans dat B een dergelijke procedure was gestart, en zo ja, indien een dergelijke procedure was gestart, gemotiveerd had moeten stellen dat de kantonrechter in een dergelijke procedure de vordering tot een vergoeding had afgewezen. Nu A dit heeft nagelaten, is de vordering tot vergoeding van de schade onvoldoende onderbouwd. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.5. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DAS worden begroot op:

- vast recht 630,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.788,00

4.6. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van DAS tot op heden begroot op EUR 1.788,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Hall en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.?