Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7163

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
350512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

erfrecht, in strijd handelen met hetgeen van een executeur mag worden verwacht

art. 3:194 lid 2 BW

De vader, de langstlevende echtgenoot van erflaatster, is benoemd tot executeur. De rechtbank stelt vast dat hij zijn taak als executeur heeft verzaakt, door bewust vermogen buiten de boedelbeschrijving te houden. Hij verbeurt daardoor zijn aandeel in dat deel van de nalatenschap (art. 3:194 lid 2 BW).

De rechtbank zal een notaris benoemen als deskundige, ten overstaan van wie de vader rekening en verantwoording zal moeten afleggen over de alsnog op te stellen boedelbeschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 350512 / HA ZA 06-2908

Vonnis van 24 oktober 2007

in de zaak van

1. A,

wonende te,

2. B,

wonende te,

3. C,

wonende te,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. E.J. Rasker,

tegen

D,

wonende te,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. F.M.N. Janssen.

Eisers zullen hierna ook de kinderen dan wel (ieder afzonderlijk) A, B en C genoemd worden; gedaagde zal hierna ook de vader genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 oktober 2006

- de akte houdende aanpassing (correctie) eis, tevens akte houdende overlegging producties van 11 oktober 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 14 februari 2007

- de akte van de vader van 14 maart 2007, met een productie

- de akte van de kinderen van 11 april 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 22 juli 2004 overleed E. Zij (verder: de moeder) was in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met de vader, uit welk huwelijk de kinderen zijn geboren.

2.2. Het door de moeder op 10 juni 2004 opgemaakte testament houdt onder meer het volgende in:

“C. WETTELIJKE VERDELING

Indien mijn huidige echtgenoot op het moment van mijn overlijden in leven is bepaal ik dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenoot worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening komt.

Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenoot ter grootte van de waarde van zijn of haar erfdeel.

D. VASTSTELLING GELDVORDERINGEN

De geldvorderingen van mijn afstammelingen worden vastgesteld bij notariële akte binnen een jaar na mijn overlijden. In verband met deze vaststelling moet door de executeur een boedelbeschrijving worden opgemaakt die de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap bevat.

E. BIJZONDERE BEPALINGEN

Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde, het volgende.

1. De geldvorderingen van mijn kinderen op mijn echtgenoot zijn, naast de gevallen in de wet bepaald (...) tevens opeisbaar:

a. indien en zodra mijn echtgenoot hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden. Deze voorwaarden dienen in te houden de uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zonder toevoeging van enig verrekenbeding dat leidt of kan leiden tot verrekening van door hem ten huwelijk of partnerschap aangebracht vermogen;

b. Indien en zodra mijn echtgenoot na hertrouwen of het aangaan van een geregistreerd partnerschap de bestaande huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden wijzigt of opheft zodanig dat zijn ten huwelijk of partnerschap aangebracht vermogen niet langer privé-eigendom zal blijven of zal moeten worden verrekend;

c. (...)

2. In afwijking van het in de wet bepaalde worden de geldvorderingen van mijn kinderen jaarlijks verhoogd met een enkelvoudige rente die, rekening houdend met de ten tijde van mijn overlijden geldende levens- en sterftekansen van mijn echtgenoot, neerkomt op het samengestelde rentepercentage van artikel 21 lid 8 Successiewet 1956 of een bepaling die hiervoor in de plaats is gekomen. Deze rente is pas opeisbaar wanneer de geldvorderingen opeisbaar zijn.

3. (...)

4. Mijn echtgenoot is te allen tijde bevoegd over te gaan tot gehele of gedeeltelijke aflossing en/of rentebetaling aan een of meer van mijn kinderen, hetzij in contanten hetzij door overdracht van goederen waarop de wettelijke verdeling van toepassing is.

(...)

F. EXECUTEUR

Ik benoem mijn echtgenoot tot executeur voor welke benoeming de volgende bepalingen gelden:

(...)

3. De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de successierechten die ten laste komen van erfgenamen. In verband met de betaling van de schulden is de executeur bevoegd de door hem beheerde goederen van mijn nalatenschap te gelde te maken.

De executeur behoeft over de keuze en de te gelde making niet in overleg te treden met de erfgenamen en hun toestemming daarvoor is ook niet vereist.

De executeur zal bij de uitoefening van zijn bevoegdheden rekening houden met mijn schriftelijk vastgelegde wensen dienaangaande.

(...)

7. De taak en het beheer van de executeur eindigen:

a. wanneer hij zijn werkzaamheden heeft voltooid;

b. door zijn dood;

c. door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent.”

2.3. Op 16 november 2005 beschreef de vader de omvang en waarde van de gemeenschap van goederen (de rechtbank begrijpt: naar het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de moeder) aldus:

“Waarde woonark minus hypotheek (EUR 735.000,--

- 60% = EUR 441.000,-- - hypotheek EUR 363.781,-- =) EUR 69.781,--

Waarde inventaris EUR 104.710,--

Contant geld EUR 5.000,--

Waarde auto EUR 5.000,--

Waarde motorbootje EUR 35.000,--

Waarde sieraden EUR 51.710,--

Waarde aandelen in Advocatenkantoor F BV EUR 301.356,--

Tegoed op diverse bankrekeningen EUR 614.489,--

Af: IB 2003 EUR 6.274,--

______________________

Subtotaal EUR 1.180.772,--”

2.4. Op 26 april 2006 verklaarde de vader tegenover een notaris waaruit de gemeenschap van goederen ten tijde van het overlijden van de moeder bestond. Hij verklaarde daarbij overeenkomstig de hiervoor onder 2.3 bedoelde beschrijving, zij het dat de rekenfout met betrekking tot de waarde woonark minus hypotheek (EUR 441.000,-- minus EUR 363.781,--) hierbij niet werd herhaald. Van deze verklaring werd een notariële akte opgemaakt, die voorts onder meer het volgende bevat:

“Tenslotte verklaart de comparant (de rechtbank begrijpt: de vader) dat hij met deze opgave alles heeft opgegeven dat hij weet dat behoort tot voormelde algehele gemeenschap van goederen, waarop hij in handen van mij, notaris, de eed heeft afgelegd mede inhoudende dat, mocht hem een nieuw bestanddeel bekend worden, hij daarvan onmiddellijk melding zal doen.”

2.5. Op 4 maart 2006 schreef mr. Rasker een brief aan de vader, waarin hij verzocht om een aantal concreet genoemde stukken met betrekking tot de omvang van de nalatenschap van de moeder. De vader heeft deze brief wel ontvangen, maar mr. Rasker geen stukken toegezonden.

2.6. In maart 2006 hertrouwde de vader met G. Voordien waren zij geregistreerd partners. Op 18 november 2005 kwamen zij partnerschapsvoorwaarden overeen met het oog op hun voorgenomen geregistreerd partnerschap en hun voorgenomen huwelijk. Deze partnerschapsvoorwaarden houden onder meer in dat tussen hen geen vermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan en dat geen enkele periodieke of finale verrekening zal plaatsvinden.

2.7. Bij verzoekschrift van 3 april 2006 wendden de kinderen zich tot de kantonrechter met het verzoek om bij notariële akte een boedelbeschrijving op te doen maken. De vader reageerde hierop bij verweerschrift van 26 april 2006, dat onder meer het volgende inhield:

“De kinderen (...) menen (...)dat er op de sterfdatum geld op een buitenlandse rekening stond en grond was in het buitenland. Dat zo zijnde moge het duidelijk zijn dat de benoeming van een notaris het dispuut niet oplost. Zolang vader het bestaan van bedoeld actief ontkent, zal elke notaris – net zoals de eerste notaris – slechts kunnen opschrijven wat al met Bijlage 1 (de rechtbank begrijpt: de hiervoor onder 2.4 bedoelde akte) notarieel vastligt.”

3. Het geschil

in conventie

3.1. De kinderen vorderen na eiswijziging:

voor recht te verklaren dat:

1. de vader door ten onrechte en welbewust in zijn boedelbeschrijving geen melding te maken van de tegoeden op de Bank Societé Generale Luxemburg en grondstukken op Madeira als erfgenaam geen recht meer heeft op deze waardes;

2. de vader paulianeus heeft gehandeld jegens eisers door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden, c.q. willens en wetens onder ede een valselijke verklaring af heeft gelegd ter zake van de tot de gemeenschap(pelijke boedel) behorende gelden en zaken;

3. de vader na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebrachte vermogen niet langer privé-eigendom is gebleven, dan wel zal moeten worden verrekend.

4. de kosten van juridische bijstand die de kinderen ten deze hebben gemaakt ten laste komen van de boedel,

met veroordeling van de vader:

5. tot volledige opening van zaken betreffende de in het lichaam van de dagvaarding gemelde vraagpunten door overlegging van de in de hiervoor onder 2.5 bedoelde brief gevraagde documenten met heldere schriftelijke toelichting;

idem ter zake van andere waardebestanddelen waarvan duidelijk wordt dat de vader deze bewust buiten de boedelbeschrijving heeft gehouden en tekst en uitleg te geven;

6. om rekening en verantwoording af te leggen van zijn taak als executeur testamentair aan een door de rechtbank ten laste van de boedel te benoemen onpartijdige deskundige (notaris);

6a. voorwaardelijk, namelijk ingeval de vader weigert mee te werken aan de vorderingen ex 5 en 6, respectievelijk de rechtbank meent dat de kinderen niet in hun vordering sub 7 kunnen worden ontvangen, de vader af te zetten als executeur met benoeming van een nieuwe executeur / vereffenaar;

7. om de kinderen ieder hun alsdan vastgestelde geldvordering te voldoen;

8. in de kosten van deze procedure.

3.2. De vader voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. De vader vordert:

te verklaren voor recht dat de vader met de betaling van de contante waarde van het in de boedelbeschrijving als netto vordering van elk van de kinderen opgenomen nominale bedrag tegen een rendement van 6% over het actuarieel berekende aantal jaren tussen afkoop en verwachte sterfjaar de erfdeelvordering van gedaagden in reconventie te allen tijde geheel of gedeeltelijk kan afkopen;

en voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover de vader wordt veroordeeld tot betaling van de kosten als genoemd in punt 4 van het petitum: de kinderen te veroordelen aan de vader te betalen de kosten van het kort geding van september 2005, de kantonprocedure, de mediation van de heer Van Wieringen en de kosten die de vader in deze procedure heeft moeten maken.

3.4. De kinderen voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De kinderen verwijten de vader met name dat hij bij de boedelbeschrijvingen delen van de huwelijksgoederengemeenschap niet heeft vermeld dan wel onjuist heeft gewaardeerd. De rechtbank zal op dit verwijt nader ingaan, alvorens de verschillende onderdelen van het petitum te beoordelen.

ten aanzien van de (on)juistheid van de boedelbeschrijvingen

grond in Madeira

4.2. De kinderen stellen zich in deze procedure op het standpunt dat de vader en de moeder ten tijde van het overlijden van de moeder grond in Madeira bezaten, en dat deze ten onrechte ontbreekt in de boedelbeschrijving. De rechtbank acht hieromtrent het volgende van belang:

a. ook in de hiervoor onder 2.5 bedoelde brief vroeg mr. Rasker al om “documenten grondstukken Madeira, waaruit blijkt van de marktwaarde per medio 2004”;

b. de vader ontkende het bestaan van bedoelde grond eerder in het hiervoor onder 2.7 aangehaalde verweerschrift;

c. in deze procedure stelde de vader in de conclusie van antwoord onder meer: “Gedaagde ontkent de onvolledigheid van de boedelbeschrijving. (...) Er was geen grond op Madeira op de sterfdatum. Gedaagde en moeder waren van plan op enig moment, toen de ziekte van moeder overwonnen leek, te emigreren naar Madeira. De voorgenomen grondaankoop heeft gedaagde buiten medeweten van moeder (die in herstel en vertrek naar Madeira bleef geloven) teruggedraaid toen de ziekte weer opkwam. De misverstanden hierover moeten zijn postgevat door gesprekken van moeder met eisers”;

d. ter comparitie verklaarde de vader aldus: “Begin 2001 heb ik een optie genomen op grond in Madeira, waarvan later dat jaar de levering zou plaatsvinden. Aangezien de gezondheidstoestand van mijn vrouw inmiddels verslechterd was, heb ik die optie laten verlopen zonder dat mijn vrouw dat wist. Ik heb als gevolg van het niet afnemen van de grond wel een boete van enkele duizenden guldens moeten betalen: dat heb ik contant gedaan toen ik eens in Madeira was. De optie betrof een koopsom van ongeveer ? 75.000; ik heb daarop een aanbetaling van enkele duizenden guldens gedaan. Ook dat ging contant, in Madeira. Die aanbetaling heb ik niet meer teruggekregen. Ik heb geen stukken die deze stellingen kunnen onderbouwen: ik ben sindsdien een paar keer verhuisd en heb dat soort dingen daarbij niet bewaard. Ik zou ook niemand weten die mijn stellingen ter zake kan bevestigen. Als u vraagt of de verkoper van de grond dat niet zou kunnen doen, zeg ik u dat dat een mij onbekende Portugees was”;

e. nadat de kinderen ter comparitie een uittreksel uit Portugese registers overlegden, waaruit bleek dat de vader sinds 19 april 2001 enig eigenaar is van een stuk grond met bouwbestemming, wilde de vader niet meteen reageren. Bij akte heeft hij vervolgens zonder nadere toelichting aangegeven “dat het stuk grond in 2001 is gekocht voor omgerekend EUR 39.900 en EUR 124.700”.

4.3. Daarmee staat vast dat grond in Madeira wel degelijk deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap van de vader en de moeder op de sterfdatum van laatstgenoemde. De vader heeft niet alleen nagelaten deze grond eigener beweging op te nemen in de boedelbeschrijvingen, maar heeft ook door de kinderen daarnaar gevraagd gedurende langere tijd expliciet het bestaan van die grond ontkend. Zelfs door de rechter ter comparitie ernaar gevraagd, heeft de vader hieromtrent gelogen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze wijze van invulling geven aan de positie van executeur uiterst laakbaar. De vader heeft hiermee het vertrouwen dat de moeder en de kinderen in hem mochten stellen ernstig geschonden.

4.4. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap van een nalatenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Voor de nalatenschap van de moeder (waartoe de grond in Madeira voor de helft behoort) betekent dat, gelet op het testament, dat de vader dit deel van de nalatenschap verbeurt en dat de overige erfgenamen het aandeel van de moeder in de grond in Madeira verkrijgen.

banktegoed in Luxemburg

4.5. De kinderen stellen zich op het standpunt dat de vader en de moeder ten tijde van het overlijden van de moeder tegoeden op buitenlandse (Luxemburgse) bankrekeningen hadden, en dat deze ten onrechte ontbreken in de boedelbeschrijving. De rechtbank acht hieromtrent het volgende van belang:

a. in de hiervoor onder 2.5 bedoelde brief staat onder meer: “Spaartegoeden (Society General Luxemburg). Deze staan niet vermeld in de concept-notariële akte, noch in uw laatste opstelling. Kunt u bankafschriften toesturen over de periode april 2004 – augustus 2004?”;

b. de vader ontkende het bestaan van bedoelde tegoeden eerder in het hiervoor onder 2.7 aangehaalde verweerschrift;

c. in deze procedure brachten de kinderen een afschrift van een fax van de vader in het geding (verder: productie 7a), waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vader een bank- en spaarrekening bij een buitenlandse bank heeft waarnaar ongeveer EUR 205.000 zou worden overgemaakt. Vervolgens stelde de vader in de conclusie van antwoord onder meer: “Er was op de sterfdatum van moeder geen geld in depot in het buitenland. Eisers productie 6 bewijst slechts dat er in 2005 een groot bedrag (EUR 227.238,92) op de derdengeldrekening van de advocaten-B.V. van gedaagde heeft gestaan. Dat bedrag is nagenoeg geheel overgemaakt naar die bank, zoals aangegeven in productie 7a van eisers (gedaagdes fax aan een bank in Luxemburg).”;

d. ter comparitie verklaarde de vader aldus: “De bankrekening in Luxemburg, waarover in de stukken wordt gesproken, bestaat al sinds voor de sterfdatum van mijn eerste echtgenote, maar tot 2005 stond er niet meer dan zo’n EUR 100 op.”

4.6. De vader verweert zich tegen het toekennen van bewijskracht aan onder meer de producties 6 en 7a, stellende dat deze door C zijn gestolen uit de computer en het bureau van de vader en dus onrechtmatig verkregen zijn. Ook het bewijs dat voortkomt uit het onrechtmatig verkregen bewijs mag niet worden gebruikt, aldus de vader.

4.7. Dit verweer faalt. In het midden kan blijven of genoemde producties onrechtmatig zijn verkregen. Immers heeft de vader in deze procedure zelf, zoals hiervoor onder 4.5 sub c en sub d aangehaald, onder verwijzing naar de betreffende producties verklaard over de bankrekening in Luxemburg. Voor zover de stelling van de vader in zijn algemeenheid al juist zou zijn, dat ook bewijs dat voortkomt uit onrechtmatig verkregen bewijs niet mag worden gebruikt, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg staan aan het gebruik van door hemzelf onverplicht in het kader van een gerechtelijke procedure afgelegde verklaringen. Nu hij in deze verklaringen bovendien expliciet heeft verwezen naar de producties 6 en 7a, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel voor het toekennen van bewijskracht daaraan. Uit het verwijzen naar die producties door de vader leidt de rechtbank bovendien af dat deze kennelijk niet door C gemanipuleerd zijn, zoals de vader heeft gesteld ten aanzien van een aantal niet nader genoemde door C onrechtmatig verkregen stukken.

4.8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vader in de boedelbeschrijvingen geen buitenlandse banktegoeden heeft opgenomen. Voorts stelt de rechtbank vast dat de vader gedurende langere tijd ook desgevraagd (ook in deze en de eerdere gerechtelijke procedure) tegenover de kinderen heeft ontkend dat op de sterfdatum van de moeder buitenlandse tegoeden tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden. Niettemin heeft de vader ter comparitie verklaard dat al voor de sterfdatum van de moeder een bankrekening in Luxemburg werd aangehouden, waarop enig tegoed stond. Onduidelijk is nog hoe groot dat tegoed op de sterfdatum was, aangezien de vader noch naar aanleiding van de hiervoor onder 2.5 bedoelde brief, noch in deze procedure de relevante bankafschriften heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter, ongeacht de omvang van de tot de nalatenschap behorende helft van het buitenlandse banktegoed, gelet op het voorgaande vast dat de vader dit opzettelijk heeft verzwegen en verborgen gehouden.

4.9. Ook met betrekking tot het tot de nalatenschap behorende deel van het banktegoed in Luxemburg heeft de vader dus gehandeld in strijd met hetgeen van hem als executeur verwacht mocht worden. Hij heeft daarmee zijn aandeel in dat deel van de nalatenschap verbeurd aan de andere erfgenamen.

vordering Lochem

4.10. De kinderen stellen dat in de boedelbeschrijving ten onrechte niet een bedrag van EUR 227.239,92 is opgenomen. Dit betreft de opbrengst van de verkoop van een woning van de ouders van de moeder, waarover de vader jarenlang heeft geprocedeerd.

4.11. De vader voert verweer. Bij conclusie van antwoord stelde hij daartoe dat de tot de boedel behorende vordering ‘Lochem’ op de sterfdatum niet was geïnd, niet opeisbaar was en dat er ook geen zicht was op toekomstige opeisbaarheid omdat er nog geen onherroepelijke einduitspraak was in de tot dan toe uiterst grillig verlopen procedure. De vader heeft daarom de vordering op nul gewaardeerd en niet meegenomen als actief in de boedelbeschrijving.

4.12. Ter comparitie hebben de kinderen onweersproken gesteld dat het gerechtshof al bij arrest van 12 mei 2004 de vordering had toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad, en dat het geld toen bovendien veilig in depot stond. In reactie hierop heeft de vader erop gewezen dat op de sterfdatum de cassatietermijn nog liep, en dat met de bij conclusie van antwoord gestelde niet-opeisbaarheid is bedoeld dat de notaris bij wie het geld in depot stond niet wilde uitbetalen zolang er nog de mogelijkheid van cassatie was.

4.13. De rechtbank kan de vader niet volgen in diens redenering. Een tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende vordering behoort immers hoe dan ook in de boedelbeschrijving te worden opgenomen, ook als het toekennen van een waarde daaraan (nog) niet mogelijk is. Omtrent de onbepaalbaarheid van de waarde zal zo nodig een aantekening in de boedelbeschrijving kunnen worden opgenomen, zodat later, als de vordering wordt geïncasseerd en dus geld in de boedel valt, verdeling dan wel vaststelling van de geldvorderingen van de erfgenamen kan plaatsvinden.

4.14. In de onderhavige situatie, waarin de vordering vóór het overlijden van de moeder reeds in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad was toegewezen, op de sterfdatum nog geen cassatie was ingesteld, en bovendien ten tijde van het opmaken van de boedelbeschrijvingen de uitspraak onherroepelijk was geworden en het geld al was betaald, is naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet verdedigbaar dat de vader aan die vordering geen enkele waarde toekende. Hij had zonder meer het toegewezen bedrag in de boedelbeschrijving moeten verwerken.

vorderingen op C

4.15. De kinderen stellen dat tot de huwelijksgoederengemeenschap op de sterfdatum drie vorderingen op C behoorden, van onderscheidenlijk EUR 68.067,00, EUR 22.500,00 en EUR 10.000,00 (telkens vermeerderd met rente). Ten onrechte zijn deze niet verwerkt in de boedelbeschrijving, aldus de kinderen.

4.16. De vader bevestigt het bestaan van genoemde vorderingen, maar betwist dat hij deze had moeten verwerken in de boedelbeschrijving. Daartoe stelt hij dat er op de sterfdatum geen reëel uitzicht was op een geslaagde incasso. Daarom heeft hij de vorderingen op nul gewaardeerd, en de vader stelt zich op het standpunt dat hij geen op nul te waarderen vorderingen hoefde op te nemen in de boedelbeschrijvingen.

4.17. Dit verweer faalt op grond van het hiervoor onder 4.13 overwogene.

waarde woonboot

4.18. De kinderen stellen dat de woonboot moet worden gewaardeerd op de vrije verkoopwaarde in onbewoonde staat. Weliswaar heeft de vader ook zodanige taxatie doen plaatsvinden, maar deze wordt betwist omdat zij plaatsvond in het kader van de aangifte voor de successiewet en daarom laag zal zijn gehouden. Bovendien is de vader in de boedelbeschrijvingen ten onrechte uitgegaan van de waarde in bewoonde staat, gegeven zijn leeftijd en sterftekansen, aldus de kinderen.

4.19. De vader betwist dat van de waarde in onbewoonde staat moet worden uitgegaan: gegeven zijn leeftijd en sterftekansen mocht hij op die waarde een aftrek van 40% toepassen.

4.20. Het verweer faalt. Het enkele feit dat de vader na het overlijden van de moeder in de woonboot kon blijven wonen en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan, beïnvloedt niet de waarde die de woonboot had direct na het overlijden van de moeder. De vader had immers de vrije keuze om al dan niet in de woonboot te blijven wonen.

ten aanzien van de onderdelen van de vordering

ad 1.

4.21. Het hiervoor onder 4.2 tot en met 4.9 overwogene leidt ertoe dat het door de kinderen onder 1. gevorderde toewijsbaar is.

ad 2.

4.22. Bovendien volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat de vader paulianeus heeft gehandeld jegens de kinderen door willens en wetens onder ede een valselijke verklaring af te leggen ter zake van de tot de gemeenschap behorende gelden en zaken; in zoverre is het onder 2. gevorderde dus eveneens toewijsbaar. Voor zover het onder 2. gevorderde echter ziet op het vervreemden van gelden, geldswaarden en goederen, is hiertoe onvoldoende gesteld, alleen al omdat niet is onderbouwd dat benadeling van de kinderen in hun verhaalsmogelijkheden (dat wil zeggen: in de toekomst, namelijk na het overlijden van de vader) hiervan het gevolg zou zijn.

ad 3.

4.23. De kinderen hebben ter comparitie verklaard ervan uit te gaan dat de huwelijkse voorwaarden van de vader en G gelijk zijn aan de hiervoor onder 2.6 bedoelde partnerschapsvoorwaarden. Zij stellen zich op het standpunt dat buiten die huwelijkse voorwaarden om afspraken zijn gemaakt met de bedoeling om de privé-eigendommen gemeenschappelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling echter, nu zij niet onderbouwd is, niet leiden tot toewijzing van onderdeel 3. van de vordering.

ad 4.

4.24. De vader betwist dat de kosten van juridische bijstand die de kinderen te dezen hebben gemaakt ten laste komen van de boedel. Volgens hem is er geen enkel argument om dat wel te doen en zijn boedelkosten de kosten die de executeur moet maken ten behoeve van de boedel.

4.25. De rechtbank overweegt het volgende. Aan de vader kan worden toegegeven dat onder de kosten van executele, die ingevolge artikel 4:7 BW tot de schulden van de nalatenschap behoren, normaliter kosten worden begrepen die de executeur heeft moeten maken. In dit geval heeft de vader echter zijn taken als executeur ernstig verzaakt, zoals hiervoor onder 4.2 tot en met 4.20 is overwogen. Daarmee heeft hij de kinderen genoodzaakt kosten van juridische bijstand te maken, teneinde alsnog tot een ordentelijke afwikkeling van de nalatenschap te kunnen komen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om deze kosten te begrijpen onder de kosten van de executele, zodat zij ten laste komen van de boedel. Het onder 4. gevorderde is dus toewijsbaar.

ad 5.

4.26. De vader stelt in reactie op het onder 5. gevorderde dat alle vraagpunten reeds zijn opgehelderd en dat hij de bij brief van 4 maart 2006 door mr. Rasker gevraagde stukken al bij de boedelbeschrijving van 16 november 2005 aan de kinderen had toegezonden. Voor zover hij daarmee beoogt verweer te voeren, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en faalt het. Immers blijkt alleen al uit het hiervoor overwogene omtrent de grond in Madeira en het banktegoed in Luxemburg, dat de vader niet heeft voldaan aan het verzochte in de brief van 4 maart 2006 en dat van een adequate beantwoording van de vraagpunten geen sprake is geweest. Op dit punt is de vordering dus toewijsbaar.

ad 6.

4.27. Zoals hiervoor reeds is overwogen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vader zijn taken als executeur ernstig heeft verzaakt. Hij is de uit het testament onder D volgende verplichting om een boedelbeschrijving op te maken, ten behoeve van het vaststellen van de geldvorderingen, nog niet nagekomen.

4.28. Nu de vader zijn werkzaamheden als executeur dus nog niet heeft voltooid, staat vast dat hij nog steeds executeur is. In het testament is immers bepaald dat de taak en het beheer van de executeur eindigen wanneer hij zijn werkzaamheden heeft voltooid, door zijn dood of door ontslag door de kantonrechter. Geen van deze voorwaarden is vervuld.

4.29. Aangezien de vader ervan heeft blijk gegeven de hem als executeur toevertrouwde verantwoordelijkheid om tot een adequate boedelbeschrijving te komen, niet aan te kunnen, oordeelt de rechtbank het aangewezen dat hij over de alsnog op te stellen boedelbeschrijving rekening en verantwoording aflegt tegenover een door de rechtbank als deskundige te benoemen (kandidaat-)notaris. Tegen de daartoe strekkende vordering van de kinderen heeft de vader geen gemotiveerd verweer gevoerd, zodat die vordering toewijsbaar is.

4.30. Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige. De rechtbank stelt zich voor te benoemen:

Mw. mr. H

Postbus

--

Tel. --

Fax. --

4.31. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen eventuele bezwaren tegen de persoon van de voorgenomen deskundige kenbaar te maken. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

4.32. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de vader moet worden gedeponeerd.

met betrekking tot de taxatiewaarde van de woonboot

4.33. Zoals hiervoor onder 4.18 reeds is overwogen, wordt de in opdracht van de vader verrichte taxatie van de woonboot door de kinderen betwist. Zij wensen een nieuwe taxatie, ten laste van de boedel. De vader heeft hierop niet gereageerd.

4.34. Naar het oordeel van de rechtbank is een nieuwe taxatie van de woonboot, gelet op de hiervoor onder 4.33 aangehaalde omstandigheden, aangewezen. Partijen zullen daartoe in onderling overleg een taxateur kunnen kiezen en deze gezamenlijk een taxatie-opdracht kunnen geven. Indien partijen hieromtrent echter niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij dat via de rol kunnen laten weten en daarbij tevens hun onderscheiden voor- en afkeuren van taxateurs kunnen kenbaar maken. De rechtbank zal dan zelfstandig een taxateur benoemen tot deskundige.

4.35. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in reconventie

4.36. De vader gaat ervan uit, blijkens de gevorderde verklaring van recht, dat hij de geldvordering van een andere erfgenaam zou kunnen afkopen tegen een contante waarde die lager ligt dan het nominale bedrag van de betreffende geldvordering. Dit uitgangspunt vindt geen steun in het recht of in het testament. Integendeel: artikel E onder 2 van het testament heeft juist betrekking op de jaarlijkse verhoging van dat nominale bedrag. De gevorderde verklaring van recht is daarom niet toewijsbaar.

4.37. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van het in voorwaardelijke reconventie gevorderde. Nu immers, gelet op het hiervoor onder 4.25 overwogene, in conventie toewijsbaar is de gevorderde verklaring van recht dat de kosten van juridische bijstand die de kinderen te dezen hebben gemaakt ten laste komen van de boedel, is geen sprake van een veroordeling van de vader tot betaling van die kosten. De voorwaarde is dus niet vervuld.

4.38. Nu de vader de in het ongelijk gestelde partij is, zal hij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op EUR 226,00 aan salaris procureur.

4.39. De rechtbank houdt iedere beslissing aan tot op de vordering in conventie zal worden beslist.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 21 november 2007 voor de hiervoor onder 4.31 en 4.34 omschreven doelen;

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan;

in reconventie

5.3. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Wijngaart en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007.?