Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7161

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
341230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

letselschade, verkeersongeval, aanrijding tussen tram en voetganger, zorgplicht trambestuurder, bewijsopdracht, voorlopige inschatting verder verloop van de zaak om eventueel een schikking te faciliteren

Als gevolg van een aanrijding tussen een tram en een voetganger (eiseres) heeft eiseres letsel opgelopen.

De rechtbank oordeelt dat enerzijds sprake is van een voorrangsfout van eiseres. Anderzijds is het zo dat op de bestuurder van een tram een zware zorgvuldigheidsplicht rust.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de trambestuurder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zodat de onrechtmatigheid van zijn handelen jegens eiseres is gegeven.

De gemeente wordt in ieder geval aansprakelijk geacht voor de helft van de schade van eiseres. In verband met de vraag of de gemeente ook voor meer dan de helft van de schade aansprakelijk is, staat verder ter discussie de onderlinge verhouding waarin de verkeersfouten hebben bijgedragen aan het ongeval. In dit kader stelt de rechtbank eiseres in de gelegenheid te bewijzen dat de snelheid waarmee de tram reed meer dan 30-35 km per uur bedroeg op het moment dat de trambestuurder eiseres voor het eerst zag.

Mede gelet op de zeer aanzienlijke tijd die al is verstreken sinds het ongeval, acht de rechtbank het echter passend om reeds nu een voorlopige inschatting te geven van een en ander opdat partijen desgewenst in onderling overleg mogelijk tot een oplossing van het geschil buiten rechte zullen kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 341230 / HA ZA 06-1259

Vonnis van 26 september 2007

in de zaak van

A,

wonende te,

eiseres,

procureur mr. A.F. Collignon-Smit Sibinga,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. G.C. Endedijk.

Partijen zullen hierna A en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 28 februari 2007, met de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen

- het tussenvonnis van 28 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 3 juni 1994 stak A omstreeks 16.40 uur samen met een vriendin (B) lopend het Damrak te Amsterdam over, komend vanaf de zijde van de Beurs van Berlage en ter hoogte van perceel Damrak 50. Terwijl zij bezig was met het oversteken van de trambaan werd zij aangereden door een tram van het Gemeentevervoerbedrijf (verder: GVB) die werd bestuurd door C. Deze tram kwam van het Centraal Station en reed in de richting van de Dam. Als gevolg van dit ongeval (verder: het ongeval) liep A ernstig letsel op en eindigde haar zwangerschap voortijdig, waarbij haar dochtertje dood ter wereld kwam.

2.2. Het GVB is een onderdeel van de Gemeente. C is een ondergeschikte van de Gemeente als bedoeld in artikel 6:170 BW.

2.3. Het Damrak bestaat ter plaatse van het ongeval, beginnend vanaf de zijde van de Beurs van Berlage, uit achtereenvolgens: een smal trottoir met daarnaast parkeerhavens; een rijbaan met een gedeelte voor fietsers en een rijstrook voor gemotoriseerd verkeer in de richting van het Centraal Station;. een dubbele trambaan, zowel (als eerste) voor trams van de Dam richting Centraal Station als (als tweede) voor trams van het station richting Dam; een smalle strook voorzien van lantaarnpalen en afscheidingspaaltjes; een fietspad voor fietsers en bromfietsers in de richting van de Dam en vervolgens een breed trottoir. De trambaan is ter plaatse recht, zonder bochten.

2.4. Tegenover de politie zijn onder meer, voor zover van belang, de volgende verklaringen afgelegd met betrekking tot het ongeval:

2.4.1. C op 3 juni 1994 omstreeks 16.40 uur (niet door hem ondertekend):

“Ik reed met een snelheid van ongeveer 40 à 45 kilometer per uur. Ik zag dat ter hoogte van het Beursgebouw twee vrouwen de rijbaan van het Damrak waren overgestoken en dat zij daarna de vrije trambaan begonnen over te steken. Op een gegeven moment dacht ik: ‘Dit gaat mis’. Je voelt dat namelijk aankomen. Ik heb vervolgens een paar maal gebeld om de vrouwen erop te attenderen dat ik met de tram eraan kwam rijden. Alles ging echter zo snel. Ik raakte vervolgens een van de vrouwen met de rechtervoorzijde van de tram. Ik weet nog wel dat ik door een noodstop te maken een aanrijding met die vrouw heb geprobeerd te voorkomen.”

2.4.2. C op 3 juni 1994 omstreeks 19.30 uur:

“Ik reed op de Damrak met een snelheid van 30 à 35 km/uur. Ik zag ter hoogte van perceel Damrak 50 een grote groep mensen staan aan de rechterzijde, tussen de paaltjes. Deze paaltjes staan ter afscheiding tussen de trambaan en het fietspad. Toen ik de groep zag, gaf ik geen stroom meer aan de tram. Mijn aandacht was volledig gericht op de groep. Om de groep te waarschuwen liet ik de tram regelmatig kort bellen. De groep bleef stil staan. Toen de voorzijde van de tram de groep was gepasseerd, gaf ik weer stroom aan de tram. Plotseling zag ik twee dames oversteken. (...) Ik zag, dat de dames net op de rand van de rijbaan en de trambaan liepen. (...) De afstand van de groep tot de twee vrouwen zal ongeveer 15 meter zijn geweest. Ik liet de tram vervolgens bellen en gaf de tram gelijktijdig geen stroom meer. Ik zag, dat de vrouwen niet direct reageerden op mijn bellen en doorliepen. Vervolgens stelde ik de noodrem in werking. (...) Wat er toen precies is gebeurd weet ik niet meer. Tijdens het remmen hoorde ik een doffe knal. Ik zag geen van beide vrouwen meer. Na de klap schoof ik nog ongeveer 1 à 2 meter door.”

2.4.3. De getuige D op 3 juni 1994 omstreeks 17.20 uur:

“Ik stond op het trottoir van het Damrak voor perceel 55. (...) Ik zag dat de twee dames de rijbaan overstaken om bij de trambaan aan te komen. (...) Ik zag toen de dames de tramrails wilden oversteken voor de trams die vanaf het Centraal Station in de richting van de Dam rijden. Ik hoorde een luid belsignaal en zag dat dit werd afgegeven door een tram die uit de richting van het Centraal Station gereden kwam. Ik ervaarde de snelheid van deze tram als hoog (...). Deze snelheid was volgens mij, gezien de situatie met al die voetgangers op het Damrak veel te snel. De afstand tussen de tram en de dames was misschien 3 meter op het moment dat ik het belsignaal hoorde. (...) Ik zag dat het slachtoffer door de tram werd aangereden, ik zag namelijk dat het slachtoffer in contact kwam met de rechtervoorzijde van de tram. Ik zag dat het slachtoffer aan haar rechterzijde werd geraakt door de tram. (...) Ik zag dat het slachtoffer een stukje door de lucht ging en vervolgens een stukje werd meegesleurd om vervolgens neer te komen (...).”

2.4.4. B op 3 juni 1994 omstreeks 17.57 uur:

“Om bij ons hotel te komen moesten wij de rijbaan van het Damrak oversteken. Op het moment dat wij gingen oversteken kwam er geen verkeer aan. (...) Na de rijbaan liepen wij de trambaan op, op zoek naar ons hotel. Opeens keek ik naar opzij en zag ik dat er een tram kwam aangereden. Ik schrok daar erg van en ik slaakte een kreet. A (de rechtbank begrijpt: A) schrok daar ook van en slaakte vervolgens ook een kreet. Op dat moment reed de tram nog ongeveer 10 meter bij ons vandaan. Ik liep vervolgens snel door naar de kant waar de voetgangers lopen. Toen ik daar was aangekomen keek ik vervolgens achterom. Ik zag toen dat mijn vriendin, A dus, door de tram werd aangereden. (...) Na de aanrijding kwam A enkele meters verder naast de trambaan terecht. (...) U vraagt mij of ik nog gehoord heb of de tram een signaal heeft gegeven ter waarschuwing dat de tram eraan kwam rijden. Dit was niet het geval.”

2.4.5. De getuige E op 4 juni 1994 omstreeks 12.45 uur:

“Ik zag dat de tram hard reed. Op het moment dat de tram ter hoogte van mij was hoorde ik een klap, het remmen van de tram en een belsignaal. Ik keek vervolgens naar opzij en zag dat de tram tegen een voetgangster was gereden. Ik zag, als het ware, dat de voetgangster aan de tram “gekleefd” zat. Ik zag dat de voetgangster enkele meters met de tram werd meegesleurd. Hierna zag ik dat de voetgangster kwam te vallen en naast de tram op het wegdek terecht kwam. De tram kwam pas enkele meters verder tot stilstand.”

2.5. De getuige F op 5 juni 1994 omstreeks 15.20 uur:

“Ik zat in deze tram op de voorste stoel rechts voorin. Ik zat in de rijrichting van de tram en had een zicht voor de tram uit op het Damrak. Ik zag dat er een stel mensen over wilde steken of in de buurt van de tramrails liepen. Ik hoorde dat de bestuurder een paar seconden een belsignaal gaf. Ik zag dat deze mensen waar kennelijk dit belsignaal voor bedoeld was ervoor zorgden dat de tramrails vrij was. Ik had het idee dat de tram wel hard voor de voetgangers die zo maar kunnen oversteken. Ik kan het niet zo goed schatten maar ik denk ongeveer 30 à 40 kilometer per uur. Toen de bestuurder begon te bellen begon de tram langzamer te rijden. Ik zag dat de tram doorreed en ik denk op dat moment met dezelfde snelheid of mogelijk minder. Ik hoorde dat er weer een belsignaal klonk. Ik zag dat er twee vrouwen aan het oversteken waren. (...) De vrouwen liepen niet met een gewone wandelpas maar langzamer. (...) Ik voelde en zag dat de tram aan het remmen was. Ik hoorde dat de tram een belsignaal afgaf. Ik zag dat de blonde vrouw in de richting keek van de tram. Ik zag aan de gezichtuitdrukking van de blonde vrouw dat zij kennelijk heel erg schrok. Ik zag dat de blonde vrouw naar links keek in de richting van de vrouw met het bruine haar. Op datzelfde ogenblik maakte de blonde vrouw een versnelde stap naar voren en zij pakte daarbij de vrouw met het bruine haar vast om haar kennelijk mee te trekken. Ik zag dat ook de vrouw met het bruine haar in de richting van de tram keek en een versnelde pas deed in de richting van de winkelzijde van het Damrak. Ik zag dat de blonde vrouw net op tijd voor de tram weg was. Ik zag dat de vrouw met het bruine haar door de rechter voorzijde van de tram werd aangereden. Ik hoorde een behoorlijke klap door het contact van de vrouw met de tram. Ik zag dat de vrouw tussen de paaltjes kwam te liggen naast de trambaan. Ik zag dat de tram nog een stukje doorreed het was in ieder geval zo dat de vrouw met het bruine haar onder mijn raam lag waar ik gezeten was. Ik had wel het idee en het gevoel dat de bestuurder voor de aanrijding al vol zijn remmen gebruikte. Op het moment van de aanrijding reed de tram zo hard niet meer maar zijn remweg in eerste instantie was gewoon te lang. (...) U vraagt mij of ik vond dat de trambestuurder onvoorzichtig reed dan vind ik dat niet omdat de trambestuurder ruim van te voren belde.”

2.5.1. De getuige G op maandag 6 juni 1994 omstreeks 14.30 uur:

“Ik reed in lijn 9. (...) Ik reed het Stationsplein af, het Damrak op (...) De afstand tot lijn 16 (de rechtbank begrijpt: de door C bestuurde tram) was ongeveer 40 meter. (...) De afstand van mijn tram tot die van lijn 16 bleef constant. Ik reed met mijn tram een snelheid van 30 à 35 km per uur.”

2.6. De remweg van een tram als die welke bij het ongeval betrokken was, bedraagt bij een snelheid van 30 kilometer per uur 11,5 meter en bij een snelheid van 40 kilometer per uur ruim twintig meter.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. A vordert samengevat - veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van alle door A als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met rente en kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.2. A grondt haar vordering op een onrechtmatige daad van C, waarvoor de Gemeente ingevolge artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Zij stelt daartoe het volgende, onder verwijzing naar tegenover de politie in juni 1994 afgelegde verklaringen van betrokkenen en getuigen. C reed met een snelheid van 40-45 kilometer per uur over het Damrak. Dit is één van de drukste straten van Amsterdam, waarvan bekend is dat er veel voetgangers lopen, onder wie veel toeristen die ter plaatse niet bekend zijn en evenmin bekend zijn met de tram als vervoermiddel. Gezien de drukte, de massa en de lange remweg van de tram, en het feit dat een tram niet kan uitwijken, was genoemde snelheid onaanvaardbaar hard. Bovendien heeft C niet genoeg opgelet op overstekende voetgangers, waardoor hij A en B te laat heeft opgemerkt. Verder heeft C geen, althans te laat waarschuwingssignalen afgegeven om A te waarschuwen. Het verkeersgedrag van A was ook niet zo onwaarschijnlijk dat C een beroep op overmacht toekomt, aldus A.

3.3. De Gemeente voert verweer. Zij stelt dat C reed met een verantwoorde snelheid van 30-35 kilometer per uur en dat hij voldoende oplettend was. C zag A en B toen deze nog ongeveer vijftien meter van hem verwijderd waren en mogelijk de trambaan wilden gaan oversteken. Hij heeft toen stroom teruggenomen en met een belsignaal gewaarschuwd. De aanrijding is ontstaan doordat A en B vervolgens toch nog snel voor de tram probeerden over te steken; niet door een verkeersfout van C. Hem komt een beroep op overmacht toe, want deze verkeersfout van A was zo onwaarschijnlijk dat C daarmee in redelijkheid geen rekening kon houden, aldus de Gemeente.

3.4. De rechtbank overweegt als volgt. Het ongeval heeft plaatsgevonden terwijl A de trambaan overstak, waarover de tram van C reed. A had als voetganger de tram voorrang moeten verlenen, maar heeft dat – zoals blijkt uit het plaatshebben van het ongeval – nagelaten. Er is dus enerzijds sprake van een voorrangsfout van A.

3.5. Anderzijds is het zo dat op de bestuurder van een tram een zware zorgvuldigheidsplicht rust, met het oog op de bescherming die kwetsbare verkeersdeelnemers als voetgangers en fietsers behoeven in verband met de ingrijpende gevolgen die een botsing met een tram voor hen kan hebben (Hoge Raad 14 juli 2000, NJ 2001/417). Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat de trambestuurder bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden met fouten van die kwetsbare verkeersdeelnemers, tenzij deze fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. In deze zaak moet daarom onderzocht worden of C rechtens enig verwijt kan worden gemaakt in de hiervoor bedoelde zin. De rechtbank zal daarbij veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de stellingen van de Gemeente.

3.6. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang:

a. de snelheid van C bedroeg 30-35 kilometer per uur;

b. de remweg van het type tram dat bij het ongeval betrokken was, bedraagt bij een gereden snelheid van 30 kilometer per uur 11,5 meter;

c. op vrijdagmiddagen kan een voetganger ter plaatse van het ongeval op ieder moment in beide richtingen ten minste meerdere trams zien rijden en is op het Damrak ook altijd het waarschuwingsbellen van een tram te horen;

d. toen C A en B opmerkte was hij ongeveer vijftien meter van hen verwijderd en bleek hem dat zij mogelijk de trambaan zouden gaan oversteken;

e. als hij op dat moment was gaan remmen had C tijdig kunnen stoppen om een aanrijding te voorkomen;

f. C heeft toen niet meteen geremd, maar heeft een belsignaal gegeven om A en B te waarschuwen en stroom teruggenomen om de snelheid van de tram te doen afnemen;

g. toen vervolgens bleek dat A niet reageerde op het belsignaal, maar doorliep, heeft C een noodremming uitgevoerd. Op dat moment was A reeds een rijbaan (met een gedeelte voor fietsers en een rijstrook voor gemotoriseerd verkeer) en één trambaan overgestoken;

h. de noodremming kwam te laat om het ongeval te voorkomen.

3.7. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat uit Cs hiervoor onder 2.4.2 aangehaalde verklaring blijkt dat A en B zich op de grens van de rijbaan met de trambaan bevonden toen C hen opmerkte, en dat zij dus (op weg naar de winkelzijde van het Damrak) de rijbaan reeds waren overgestoken. Noch uit de stellingen van partijen, noch anderszins uit het dossier kan voorts worden afgeleid dat A en/of B op enig moment de indruk hebben gegeven (bijvoorbeeld door de pas in te houden of door een blik of gebaar) C voorrang te zullen verlenen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat van het geven van zodanige indruk geen sprake is geweest.

3.8. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat de voorrangsfout van A niet zo onwaarschijnlijk was dat C daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Immers merkte C A pas op toen zij nog slechts vijftien meter van hem verwijderd was. Zij was op dat moment bezig met het oversteken van het Damrak en daarbij al behoorlijk ver gevorderd, en gaf niet de indruk C voorrang te zullen verlenen. Gelet op de minimaal benodigde remweg van 11,5 meter, en rekening houdend met het gegeven dat ook in de tijd die nodig was om te reageren nog enige afstand zou worden afgelegd, was er (zoals helaas ook is gebleken uit het feit dat het ongeval zich voordeed) onvoldoende tijd beschikbaar om voorafgaand aan het remmen nog te proberen of met bellen en stroom terugnemen kon worden volstaan om een aanrijding te voorkomen. Daarbij is van belang dat het niet onwaarschijnlijk moest worden geacht dat A niet of te laat of op onjuiste wijze op het belsignaal zou reageren: er zijn ter plaatse volgens de Gemeente immers voortdurend belsignalen te horen, en bovendien is onweersproken gebleven dat op het Damrak veel toeristen lopen die daar niet bekend zijn en evenmin bekend zijn met de tram als vervoermiddel.

3.9. Daarmee staat vast dat C onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zodat de onrechtmatigheid van Cs handelen jegens A gegeven is.

3.10. Aangezien de Gemeente niet stelt dat A haar voorrangsfout opzettelijk of met aan opzet grenzende roekeloosheid beging – voor zover de Gemeente al heeft bedoeld dit wel te stellen, is haar terloopse opmerking in een voetnoot daartoe immers onvoldoende – is de Gemeente in ieder geval aansprakelijk voor de helft van de schade van A. Vervolgens moet worden nagegaan in welke mate de verkeersfouten van A en C aan het ongeval hebben bijgedragen. Indien C immers in verhouding tot A voor meer dan de helft tot de schade heeft bijgedragen, moet ook meer dan de helft van die schade worden vergoed.

3.11. Met betrekking tot de onderlinge verhouding waarin de verkeersfouten van A en C aan het ongeval hebben bijgedragen, is naar het oordeel van de rechtbank het volgende van belang.

3.11.1. Uit de verklaringen van de getuigen D, B en F tegenover de politie (in onderling verband en samenhang bezien) blijkt dat B en – naar moet worden aangenomen – A zich pas zeer kort voor de aanrijding bewust werden van de naderende tram en dat zij daarvan schrokken. In aanmerking genomen de omstandigheid dat de trambaan ter plaatse geen bochten heeft en de aanzienlijke afmetingen van een tram, moet de tram op zichzelf goed zichtbaar zijn geweest. Nu A en B verplicht waren om voorrang te verlenen aan eventuele naderende trams – hetgeen mede inhoudt de verplichting om de trambaan zodanig te naderen dat bij naderende trambestuurders het vertrouwen zou worden gewekt dat voorrang zou worden verleend – moet uit dit een en ander worden afgeleid dat As voorrangsfout is voortgekomen uit onvoldoende oplettendheid bij het oversteken.

3.11.2. Partijen verschillen van mening over de snelheid waarmee de door C bestuurde tram reed. Die snelheid bepaalde de benodigde remweg van de tram en (mede daardoor) de tijd die zowel A als C hadden om het ongeval te voorkomen, vanaf het moment dat zij zich van de ongevaldreiging bewust werden. Voorts kan de snelheid van de tram een rol hebben gespeeld bij de afstand waarop A en C zich ten opzichte van elkaar bevonden op het moment dat zij elkaar voor het eerst opmerkten.

3.11.3. De door A ter comparitie ingenomen stelling dat C in strijd met voor hem geldende instructies harder reed dan 25 kilometer per uur, kan onbesproken blijven. A heeft deze stelling immers niet gehandhaafd na de gemotiveerde betwisting ervan door de Gemeente.

3.11.4. Geen van partijen heeft zich bediend van deskundigenrapportage waarin concreet is uitgewerkt hoe de toedracht van (het voorkomen van) het ongeval zou zijn geweest bij de verschillende genoemde snelheden. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat een rapportage moet zijn opgemaakt door de Ongevallendienst, maar deze bevindt zich evenmin bij de stukken.

3.11.5. Voorstelbaar is dat A – op wie overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv. de bewijslast rust – zal trachten te bewijzen dat de snelheid van de tram meer dan 30-35 kilometer per uur bedroeg. De rechtbank zal haar in elk geval toelaten tot dat bewijs. Voorstelbaar is dat vervolgens deskundigenrapportage zal worden gelast als hiervoor onder 3.11.4 bedoeld; en dat de rechtbank aan de hand van de aldus verkregen informatie de mate zal vaststellen waarin de verschillende verkeersfouten aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen. Mede gelet op de zeer aanzienlijke tijd die al verstreken is sinds het ongeval acht de rechtbank het echter passend om reeds nu een voorlopige inschatting te geven van een en ander, opdat partijen desgewenst in onderling overleg mogelijk tot een oplossing van het geschil buiten rechte zullen kunnen komen.

3.11.6. Vaststaat (als door de Gemeente gesteld en door A niet voldoende weersproken) dat de onderlinge afstand tussen A en de tram ongeveer vijftien meter bedroeg op het moment dat C A opmerkte. De door partijen gestelde snelheid van de tram beloopt ten minste (de Gemeente) 30 en ten hoogste (A) 45 kilometer per uur.

3.11.7. Een snelheid van 30 kilometer per uur betekent dat (zonder remmen) 8,3 meter per seconde wordt afgelegd zodat (zonder remmen) vijftien meter in 1,8 seconde wordt overbrugd. De remweg bij deze snelheid bedraagt 11,5 meter. Dit mede in aanmerking nemend overweegt de rechtbank het volgende. Een normaal oplettende voetganger had de tram moeten opmerken en deze voorrang moeten verlenen. De voorrangsfout van A heeft dan ook een substantieel aandeel gehad in het ongeval. Daartegenover staat bij deze snelheid dat C niet meteen is gaan remmen toen hij A opmerkte. Gegeven de hiervoor onder 3.8 vermelde omstandigheden moet het ongeval daarom eveneens in belangrijke mate aan Cs handelen worden toegerekend. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank houden beide verkeersfouten elkaar bij een snelheid van 30 kilometer per uur in evenwicht, zodat het ongeval in gelijke mate aan de verkeersfouten van A en C is toe te rekenen. De aansprakelijkheid van de Gemeente zou bij deze snelheid dus in beginsel beperkt blijven tot 50%.

3.11.8. Een snelheid van 45 kilometer per uur betekent dat (zonder remmen) 12,5 meter per seconde wordt afgelegd zodat (zonder remmen) vijftien meter in 1,2 seconde wordt overbrugd. De remweg bij deze snelheid bedraagt in elk geval meer dan ruim twintig meter (zijnde de remweg bij een snelheid van 40 kilometer per uur). Dit mede in aanmerking nemend overweegt de rechtbank het volgende. Een normaal oplettende voetganger had ook bij deze snelheid de tram moeten opmerken en deze voorrang moeten verlenen. De voorrangsfout van A heeft dus ook bij deze snelheid een substantieel aandeel gehad in het ongeval. Het aandeel van Cs handelen bij het ontstaan van het ongeval is bij deze snelheid echter groter. Immers, bij deze snelheid had de tram ook bij een onmiddellijke noodremming op het moment dat C A en B opmerkte, niet meer op tijd kunnen stoppen. C reed dus onder de gegeven omstandigheden te hard en/of hij betrachtte onvoldoende oplettendheid om A al vanaf grotere afstand op te merken. Gelet op het voorgaande had C ook volstrekt niet in eerste instantie mogen volstaan met bellen en stroom terugnemen, maar had hij die onmiddellijke noodremming daadwerkelijk moeten toepassen om de schade door het dreigende ongeval in elk geval zoveel mogelijk te beperken. Ten slotte restte A door deze snelheid aanmerkelijk minder tijd om, toen zij de tram eenmaal had opgemerkt, het ongeval nog te proberen te voorkomen. Naar voorlopig oordeel van de rechtbank heeft het foutieve handelen van C bij deze snelheid een ongeveer tweemaal zo groot aandeel in het ongeval gehad, als de voorrangsfout van A. De rechtbank acht daarom voorshands, indien wordt uitgegaan van de snelheid van 45 kilometer per uur, het ongeval voor circa 65 % toe te rekenen aan de verkeersfout van C, zodat de Gemeente in beginsel voor dat percentage van de schade aansprakelijk zou zijn.

3.11.9. Ten aanzien van de snelheid waarmee de tram daadwerkelijk heeft gereden, komt de rechtbank tot de volgende voorlopige inschatting. Uitgaande van: een onderlinge afstand tussen A en de tram van ongeveer vijftien meter op het moment dat C A opmerkte; de omstandigheid dat C niet meteen is gaan remmen maar eerst heeft gebeld en stroom teruggenomen in afwachting van een reactie; het ervaringsfeit dat een mens een (korte) tijd nodig heeft om te kunnen reageren en dat de tram in die korte tijd is doorgereden; het gegeven dat verschillende getuigen tegenover de politie hebben verklaard dat de tram “enkele meters” of “een stukje” doorreed nadat deze A had geraakt; en de hiervoor onder 3.11.8 genoemde remweg, acht de rechtbank het voorshands waarschijnlijk dat de tram een snelheid had van minder dan 40 kilometer per uur.

3.12. De uit het dossier naar voren komende feiten en omstandigheden geven de rechtbank voorshands geen aanleiding tot het toepassen van een billijkheidscorrectie op de hiervoor onder 3.11.7 en 3.11.8 bedoelde aansprakelijkheidspercentages.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. draagt A op te bewijzen dat de bij het ongeval betrokken tram reed met een snelheid van meer dan 30 tot 35 kilometer per uur op het moment dat C A voor het eerst zag,

4.2. bepaalt dat, indien A het bewijs door middel van getuigen wil leveren, getuigen kunnen worden gehoord door het lid van deze rechtbank mr. N. van der Wijngaart;

4.3. verwijst de zaak naar de rol van 24 oktober 2007 opdat A alsdan kan doen mededelen of zij van de gelegenheid tot bewijslevering door getuigen en zo ja, door welke, gebruik maakt, en met een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel wordt voortgeprocedeerd;

4.4. bepaalt dat A, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen vier weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven,

4.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Wijngaart en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007.?