Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7160

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
299624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tot stand gekomen pandrecht op vorderingen die voortvloeien uit ten tijde van de pandakte nog niet bestaande rechtsverhouding? Betaling in het kader van een overwaardearrangement?

3:239 BW, 3:253 lid 1 BW

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval noch krachtens de pandakte, noch krachtens de ongedateerde overeenkomst, noch krachtens de notariële akte een rechtsgeldig pandrecht tot stand is gekomen op de vorderingen die voortvloeien uit ten tijde van (het registreren van) de pandakte van 28 september 1998 nog niet bestaande rechtsverhoudingen.

De in het geschil zijnde betaling kan voorts niet worden aangemerkt als een betaling in het kader van een overwaardearrangement. Kenmerkend voor een betaling in het kader van een overwaardearrangement is dat een dergelijke betaling geschiedt uit de eigen middelen van de partij die krachtens het overwaardearrangement betaling verschuldigd is en dat deze betaling rechtstreeks aan de andere partij bij dit overwaardearrangement wordt gedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 239
Burgerlijk Wetboek Boek 3 253
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2008, 2
RN 2008, 10
JOR 2008/21 met annotatie van A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 299624 / HA ZA 04-3073

Vonnis van 4 juli 2007

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTERDAM EN OMSTREKEN UA,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. A. van Hees,

tegen

JORIS LENSINK

in hoedanigheid van curator,

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. A.A. Krips.

Partijen zullen hierna Rabobank Amsterdam en Lensink q.q. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 augustus 2004,

- extract uit de minuten berustende ter griffie van de rechtbank Amsterdam, waaruit blijkt dat Rabobank Amsterdam is bevolen de getuigen te vermelden die zij kan doen horen ter staving van haar eis,

- akte houdende overlegging producties van Rabobank Amsterdam,

- akte houdende opgave getuigen van Rabobank Amsterdam,

- de conclusie van antwoord, met bewijsmiddelen,

- de conclusie van repliek, met bewijsmiddelen,

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen is, voor zover hier van belang, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken het volgende komen vast te staan.

2.1. Met het oog op een door Rabobank Amsterdam aan de besloten vennootschap V.B. Fototechniek B.V. (hierna; V.B. Fototechniek) te verstrekken lening heeft de besloten vennootschap De Lage Landen Trade Finance B.V. (hierna; De Lage Landen) zich in 1996 jegens Rabobank Amsterdam borg gesteld voor een bedrag dat gerelateerd is aan het bedrag van de door V.B. Fototechniek B.V. aan haar in het kader van een factoringsovereenkomst overgedragen vorderingen.

2.2. Voorts heeft V.B. Fototechniek in het kader van aan haar verstrekte financiering ten behoeve van De Lage Landen en Rabobank Amsterdam een pandrecht op haar vorderingen op derden gevestigd. De op 28 september 1998 opgemaakte pandakte is op 16 oktober 1998 geregistreerd.

2.3. In de eerder genoemde pandakte heeft V.B. Fototechniek zich verbonden om;

“de reeds bestaande vorderingen die rechtstreeks zullen worden verkregen uit reeds bestaande rechtsverhoudingen met derden op de door de bank aangegeven wijze te vermelden op een door of namens de pandgever te ondertekenen pandlijst, en deze pandlijst terstond te zenden of af te geven aan de bank”

en om

“vorderingen op derden die na ondertekening van deze akte zullen ontstaan, en vorderingen die rechtstreeks zullen worden verkregen uit rechtsverhoudingen die na ondertekening van deze akte zullen ontstaan, door middel van pandlijsten aan de bank te verpanden.”

2.4. In de pandakte heeft V.B. Fototechniek aan De Lage Landen en aan Rabobank Amsterdam een onherroepelijke volmacht verstrekt om de beoogde vorderingen aan zichzelf te verpanden en de genoemde pandlijsten voor en namens haar te ondertekenen.

2.5. Ingevolge de in de pandakte opgenomen regeling rangorde zal “[d]e netto-opbrengst van de verpande goederen (...) strekken:

a. in mindering van al hetgeen [De Lage Landen] van de debiteur te vorderen heeft of mocht hebben;

b. nadat de vorderingen van [De Lage Landen] zijn voldaan: in mindering op al hetgeen [Rabobank Amsterdam] van de debiteur te vorderen heeft of mocht hebben.

2.6. In een ongedateerde, niet geregistreerde akte (hierna: de ongedateerde akte), opgemaakt tussen onder meer V.B. Fototechniek en Rabobank Amsterdam, is – zo volgt uit artikel A.1 van die akte – vastgelegd dat tot meerdere zekerheid voor al hetgeen De Lage Landen en Rabobank Amsterdam van onder meer V.B. Fototechniek te vorderen hebben een pandrecht op de in de overeenkomst vermelde roerende zaken en vorderingen zoals vermeld in de considerans wordt gevestigd. In de betreffende considerans wordt verwezen naar een overeenkomst van 30 november 1994 en naar een akte van verpanding van 2 december 1994.

2.7. In artikel C.2 van de ongedateerde akte wordt verder vermeld dat;

“[De Lage Landen en Rabobank Amsterdam] (...) elkaar volmacht [geven] om, mede namens elkaar, ten behoeve van het in artikel A 1 gevestigde pandrecht, pandlijsten te accepteren, te ondertekenen en te registreren danwel vorderingen notarieel te (laten) verpanden. De ten behoeve van een der Financiers strekkende pandlijst(en) of notariële pandakte(n) strekken derhalve vanaf heden ook ten behoeve van de overige Financiers.”

Artikel C.3 luidt verder:

“[De Lage Landen en Rabobank Amsterdam] machtigen elkaar hierbij, voorzover nodig bij voorbaat om bij uitwinning van de zekerheden mede namens hen op te treden en alle daartoe noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten. Financiers komen overeen dat ten aanzien van de uit te winnen goederen, deze bevoegdheden worden uitgeoefend door de hoogst gerangschikte Financier op die goederen.”

2.8. De ongedateerde akte bevat voorts een borgstelling van Rabobank Amsterdam jegens De Lage Landen. In artikel B.1 heeft Rabobank Amsterdam zich als borg verbonden voor onder meer V.B. Fototechniek, waarbij het bedrag van de borgstelling gemaximeerd wordt tot het nettobedrag dat Rabobank Amsterdam bij uitwinning van een ten gunste van haar gevestigde hypotheek kan verkrijgen.

2.9. Pandgevers, waaronder V.B. Fototechniek, hebben zich in een notariële akte van verpanding van 25 maart 2003 jegens pandhouders, waaronder de Lage Landen, verplicht tot vestiging van een pandrecht op alle bestaande en toekomstige vorderingen.

2.10. V.B. Fototechniek is op 31 maart 2003 in staat van faillissement verklaard, waarbij Lensink als curator is aangesteld.

2.11. Na het intreden van het faillissement heeft De Lage Landen de op aan haar verpande vorderingen van V.B. Fototechniek ontvangen betalingen, onder inhouding van het aan haar verschuldigde, gestort op een bij Rabobank Amsterdam aangehouden rekening van V.B. Fototechniek. De beoogde vorderingen vloeien voort uit een ten tijde van (het registreren van) de pandakte van 28 september 1998 nog niet bestaande rechtsverhouding. Rabobank Amsterdam heeft het bedrag dat zij ter zake van de storting door De Lage Landen onder zich hield, te weten € 47.500,-, verrekend met haar vorderingen op V.B. Fototechniek.

2.12. Bij vonnis van de Voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 juli 2004 is Rabobank Amsterdam veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 47.500,- aan Lensink q.q.

3. Vordering en grondslag

3.1. Rabobank Amsterdam vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

1. primair: te verklaren voor recht dat Rabobank Amsterdam een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de vorderingen van V.B. Fototechniek, welke mede aan haar zijn verpand voor 27 maart 2003;

2. subsidiair: te verklaren voor recht dat ingevolge de tussen V.B. Fototechniek, De Lage Landen en Rabobank Amsterdam gesloten overeenkomsten, het tussen Rabobank Amsterdam en Lensink q.q. in geschil zijnde bedrag van € 47.500,- te vermeerderen met de daarop sedert 23 juli 2004 gekweekte rente, Rabobank Amsterdam toekomt en dientengevolge door Lensink q.q. aan haar dient te worden afgedragen;

3. met veroordeling van Lensink q.q. in de kosten van het geding.

3.2. Ter adstructie van haar vordering voert Rabobank Amsterdam aan dat de na 16 oktober 1998 daterende vorderingen van V.B. Fototechniek wel degelijk aan zowel De Lage Landen, als aan Rabobank Amsterdam zijn verpand. Zulks vloeit voort uit de stampandakte van 28 september 1998 waarin sprake is van een gezamenlijke verpanding, uit de ongedateerde pandakte en uit de notariële akte van 25 maart 2003.

3.3. Rabobank Amsterdam stelt dat in het kader van de verpanding steeds pandlijsten zijn opgemaakt, laatstelijk op 25 maart 2003 middels een notariële akte. Krachtens artikel C.2 van de ongedateerde overeenkomst was De Lage Landen gemachtigd om mede namens Rabobank Amsterdam pandlijsten te accepteren, te ondertekenen en te registreren. Waar De Lage Landen bij de eerder genoemde notariële akte van 25 maart 2003 voor zich optrad, handelde zij derhalve tevens namens Rabobank Amsterdam, zodat de ten behoeve van De Lage Landen strekkende pandlijst moet worden geacht ook ten behoeve van haar te strekken. De door De Lage Landen ontvangen betalingen, welke vervolgens bij Rabobank Amsterdam zijn gestort, zijn betalingen die vallen onder het bereik van de pandlijst van 25 maart 2003. Ook bij deze inning van de verpande vorderingen heeft De Lage Landen namens Rabobank Amsterdam opgetreden. Zulks volgt volgens Rabobank Amsterdam onder meer uit artikel C.3 van de ongedateerde overeenkomst. Op grond van de regeling rangorde uit de pandakte van 28 september 1998 hield De Lage Landen de geïnde gelden vervolgens niet alleen voor zichzelf, maar ook voor Rabobank Amsterdam. In dit verband is sprake van een beheersregeling in de zin van artikel 3:168 BW, aldus Rabobank Amsterdam.

3.4. Mocht worden aangenomen dat geen pandrecht ten behoeve van Rabobank Amsterdam is ontstaan, dan kan zij op grond van de in de stampandakte van 28 september 1998 opgenomen regeling rangorde desalniettemin aanspraak maken op het in het geding zijnde bedrag, aldus Rabobank Amsterdam. Zij stelt dat de regeling rangorde, naar de rechtbank begrijpt tezamen met de eerdere borgstelling van De Lage Landen jegens Rabobank Amsterdam en de latere borgstelling van Rabobank Amsterdam jegens De Lage Landen in de ongedateerde overeenkomst, aangemerkt moet worden als een overwaardearrangement of wederzijdse zekerhedenregeling en dat de overboeking naar de bij Rabobank Amsterdam aangehouden rekening in het kader van dit overwaardearrangement heeft plaatsgevonden.

3.5. Lensink q.q. voert gemotiveerd verweer en verzoekt de rechtbank de vordering van Rabobank Amsterdam af te wijzen en laatstgenoemde te veroordelen in de kosten van deze procedure. Op zijn stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Primair gevorderde verklaring voor recht

4.1. De primair door Rabobank Amsterdam gevraagde verklaring voor recht heeft naar de rechtbank begrijpt betrekking op de vorderingen van V.B. Fototechniek die voortvloeien uit ten tijde van (het registreren van) de pandakte van 28 september 1998 nog niet bestaande rechtsverhouding. Vaststaat dat het door De Lage Landen bij Rabobank Amsterdam gestorte bedrag verband houdt met zodanige vorderingen, terwijl tussen betrokkenen verder geen verschil van mening bestaat over de vraag of al dan niet een rechtsgeldig pandrecht tot stand is gekomen op ten tijde van het opmaken en registreren van de betreffende pandakte reeds bestaande vorderingen en vorderingen welke rechtstreeks voortvloeien uit destijds reeds bestaande rechtsverhoudingen.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat noch krachtens de pandakte van 28 september 1998, noch krachtens de ongedateerde overeenkomst, noch krachtens de notariële akte van 25 maart 2003, een rechtsgeldig pandrecht tot stand is gekomen op de vorderingen die voortvloeien uit ten tijde van (het registreren van) de pandakte van 28 september 1998 nog niet bestaande rechtsverhoudingen, en wel op grond van het volgende.

De akte van 28 september 1998

4.3. Ingevolge artikel 3:239 BW kan de pandakte van 28 september 1998 niet hebben gestrekt tot verpanding van vorderingen welke voortvloeien uit ten tijde van (het registreren van) die akte nog niet bestaande rechtsverhoudingen. Teneinde een dergelijk pandrecht tot stand te doen komen, had Rabobank Amsterdam gebruik moeten maken van de aan haar door V.B. Fototechniek verleende volmacht om de beoogde vorderingen aan zichzelf te verpanden en de genoemde pandlijsten voor en namens V.B. Fototechniek te ondertekenen. Rabobank Amsterdam heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zij van deze volmacht gebruik heeft gemaakt.

De ongedateerde akte

4.4. Ook de ongedateerde overeenkomst heeft niet geleid tot een verpanding van zodanige vorderingen, nu – zoals door Lensink q.q. wordt aangevoerd en door Rabobank Amsterdam niet wordt weersproken – de betreffende overeenkomst niet is geregistreerd, hetgeen op grond van artikel 3:239 BW vereist is voor een rechtsgeldig pandrecht.

De akte van 25 maart 2003

4.5. Een geldig pandrecht had desalniettemin tot stand kunnen komen indien De Lage Landen ten behoeve van Rabobank Amsterdam gebruik had gemaakt van de in de ongedateerde overeenkomst aan haar door Rabobank Amsterdam verleende volmacht om “pandlijsten te accepteren, te ondertekenen en te registreren danwel vorderingen notarieel te (...) verpanden.” De rechtbank is met Lensink q.q. van oordeel dat De Lage Landen bij de notariële akte van 25 maart 2003 niet is opgetreden als gevolmachtigde van Rabobank Amsterdam, nu in de notariële akte daarvan geen melding wordt gemaakt. De artikelen 40 en 44 van de Wet op het notarisambt geven gedetailleerd weer op welke wijze volmachten in notariële akten vermeld dienen te worden. Het is in strijd met het karakter van de notariële akte indien men in weerwil van deze wettelijke bepalingen op een andere wijze via volmacht partij bij een notariële akte zou kunnen worden

4.6. Nu niet is komen vast te staan dat Rabobank Amsterdam een pandrecht heeft verkregen, zal de rechtbank de primair gevorderde verklaring voor recht afwijzen.

Subsidiair gevorderde verklaring voor recht

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan Rabobank Amsterdam ook niet op grond van een eventueel overwaardearrangement aanspraak maken op het in geschil zijnde bedrag van € 47.500,-. In het midden kan blijven of tussen De Lage Landen en Rabobank Amsterdam daadwerkelijk sprake is van een dergelijk overwaardearrangement, aangezien de overboeking van De Lage Landen naar de bij Rabobank Amsterdam aangehouden rekening van V.B. Fototechniek niet kan worden aangemerkt als een betaling in het kader van een dergelijk overwaardearrangement. Kenmerkend voor een betaling in het kader van een overwaardearrangement is dat een dergelijke betaling geschiedt uit de eigen middelen van de partij die krachtens het overwaardearrangement betaling verschuldigd is (hier beweerdelijk De Lage Landen) en dat deze betaling rechtstreeks aan de andere partij bij dit overwaardearrangement (hier beweerdelijk Rabobank Amsterdam) wordt gedaan. De storting op de bij de Rabobank Amsterdam aangehouden rekening betrof evenwel de opbrengst van de aan De Lage Landen verpande vorderingen onder inhouding van het aan haar door V.B. Fototechniek verschuldigde – overigens spreekt ook de regeling rangorde van een verdeling van “[d]e netto opbrengst van de verpande goederen” – terwijl de storting geschiedde op een door V.B. Fototechniek aangehouden rekening. De onderhavige betaling kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gekwalificeerd dan als een uitkering van het overschot van de verpande vorderingen aan V.B. Fototechniek in de zin van artikel 3:253 lid 1 BW.

4.8. Buiten de stelling dat krachtens een overwaardearrangement aanspraak kan worden gemaakt op het meermalen genoemde bedrag, heeft Rabobank Amsterdam geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan door haar uit hoofde van een van de voorliggende overeenkomsten aanspraak kan worden gemaakt op het in geschil zijnde bedrag van € 47.500,-. Ook de subsidiair gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

4.9. Rabobank Amsterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lensink q.q. worden begroot op:

- vast recht 241,00

- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.029,00

5. De beslissing

De rechtbank;

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt Rabobank Amsterdam in de proceskosten, aan de zijde van Lensink q.q. tot op heden begroot op EUR 2.029,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2007.?