Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6851

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
13-421169-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 13 juli 2007 heeft verdachte in Amsterdam zonder redelijk doel opzettelijk bij een hond pijn en letsel veroorzaakt waaraan de hond is overleden.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421169-07

Datum uitspraak: 31 oktober 2007

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Grittenborgh" te Hoogeveen.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2007.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

...

3. Waardering van het bewijs

3.1. De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De telastelegging is gestoeld op overtreding van artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Enkel kan bewezen worden verklaard dat verdachte de keel van zijn hond heeft doorgesneden. Artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren heeft geen betrekking op het doden van dieren. Regels omtrent het doden van dieren zijn gesteld in artikel 44 van voornoemde wet en op overtreding daarvan staat een aparte strafbaarstelling. Volgens de regelgeving, waarbij verwezen wordt naar het Besluit doden van dieren van 16 mei 1997, heeft verdachte zijn hond geslacht. Nu de opzet van verdachte niet was gericht op het toebrengen van onnodig letsel maar op het doden van de hond, is artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren niet van toepassing zodat vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de aard en systematiek van de regelgeving, de parlementaire behandeling van het betreffende artikel, in het bijzonder de Memorie van Toelichting, alsmede het Besluit doden van dieren van 16 mei 1997, is artikel 44 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren gericht op het doden van dieren ter bereiding en consumptie. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval geen sprake. De officier van justitie heeft in de telastelegging terecht als grondslag artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren gehanteerd, welke artikel immers ook wordt omschreven als een vangnetartikel.

De rechtbank volgt het verweer van de verdediging in zoverre dat enkel het doorsnijden van de keel dan wel de hals van de hond pijn en letsel heeft kunnen veroorzaken nu aannemelijk is dat de dood direct daarna is ingetreden.

Het verweer wordt dan ook verworpen voorzover dit betrekking heeft op het doorsnijden van de keel dan wel hals van de hond.

3.2. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 13 juli 2007 te Amsterdam zonder redelijk doel opzettelijk bij een hond pijn en letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid van een hond heeft benadeeld, immers heeft hij met een mes en/of schaar de keel/hals van die hond doorgesneden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

6.1. De raadsvrouw heeft zich onder verwijzing naar het psychiatrisch onderzoek van 10 oktober 2007, uitgevoerd door [naam], forensisch psychiatrisch geneeskundige onder supervisie van [naam psychiater], psychiater, op het standpunt gesteld dat de wil van verdachte volledig werd beïnvloed door een ziekelijke stoornis ten gevolge waarvan verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het delict. Dientengevolge dient verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen te worden.

De rechtbank heeft acht geslagen op voornoemd onderzoek waarin geconcludeerd wordt dat verdachte ten tijde van het delict enkel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde moet worden beschouwd.

Zo blijkt uit het Forensisch psychiatrisch onderzoek onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:

(pagina 10) Er bestaat bij betrokkene geen ziekelijke stoornis der geestvermogens, noch is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Wel kan bij betrokkene gesproken worden van misbruik van verschillende middelen.

(...) In de periode waarin het telastegelegde plaatsvond, was er bij betrokkene wel sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de vorm van een floride psychotisch beeld, met vooral inhoudelijke denkstoornissen. Het onderzoek maakt duidelijk dat deze stoornis is ontstaan ten gevolge van het (gecombineerd) gebruik van marihuana en hallucinogene paddestoelen door betrokkene. (...)

In deze psychotische toestand raakte betrokkene ervan overtuigd dat zijn hond bezeten was door demonen, dat de Apocalyps was aangevangen en dat 'het hogere' hem stuurde.

(pagina 11) Betrokkene raakte ervan overtuigd dat de enige manier om zichzelf, maar ook zijn hond te helpen, zou zijn als hij de hond zou doden en de organen verwijderen. Gezien het bovenstaande moet geconcludeerd worden dat betrokkene bij de uitvoering van het hem telastegelegde goeddeels, zo niet volledig, werd aangestuurd vanuit psychotische motieven.

Nu betrokkene echter aan het ontstaan van deze psychotische toestand in belangrijke mate zelf heeft bijgedragen door gedurende langere tijd (gecombineerd) marihuana en hallucinogene paddestoelen te gebruiken, terwijl verondersteld mag worden dat betrokkene, mede gezien zijn langdurige ervaring met drugs en het gegeven dat in diverse media al langere tijd gewaarschuwd wordt voor het gevaar van (met name) het gebruik van hallucinogene paddestoelen, op de hoogte was van de risico's van het gebruik van deze middelen en kan hij, hoewel hij tot zijn gedrag is gekomen vanuit psychotische overwegingen, niet als ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd (...).

Anderzijds was dit, voorzover bekend, de eerste maal dat betrokkene hallucinogene paddestoelen heeft genuttigd, zeker in combinatie met marihuana en is de voorlichting betreffende de gevaren van deze middelen in Frankrijk minder pregnant dan in Nederland. Op basis hiervan concludeert de ondergetekende dat betrokkene weliswaar de risico's van het gebruik van marihuana kent en het onwaarschijnlijk is dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat er aan het gebruik van hallucinogene paddestoelen eveneens risico's verbonden zouden kunnen zijn, maar dat het mogelijk is dat hij de omvang van die risico's niet ten volle heeft beseft.

De rechtbank neemt de genoemde conclusie dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde moet worden beschouwd, over en volgt in zoverre de advisering van de rapporteurs.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt deze conclusie niet in dat de strafbaarheid van verdachte is uitgesloten en ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de bestelbus aan verdachte geretourneerd zal worden en dat de schaar en het mes aan het verkeer worden onttrokken.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft op de open­bare weg op gruwelijke en bloederige wijze zijn hond gedood. Feiten als de on­derhavige verster­ken gevoelens van onvei­ligheid en angst in de samenleving.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de schaar en het mes, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 3.2 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36, 122 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Dierenmishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 109 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- Mes (zak), lengte 25 cm, houten heft

- Handgereedschap (schaar), lengte 25 cm

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- De bestelauto, Volkswagen Transporter, wit met kenteken [...].

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. M.J.M. Langeveld en J.J. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2007.