Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06/8093
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft zijn auto geparkeerd in een zogenaamde tientcentzone waar voor 10 cent maximaal één uur mag worden geparkeerd, maar heeft door onoplettendheid € 0,10 geworpen in een verkeerde parkeerautomaat, zodat hij voor maximaal drie minuten mocht parkeren. Nu eiser de intentie had om voor maximaal één uur parkeren naar het 10 cent tarief , de door de gemeente gepubliceerde voorschriften en uit het kaartje zelf niet blijkt dat het kaartje dat eiser had getrokken op dat moment niet geldig was voor de a-straat waar eisers auto geparkeerd stond, is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Bovendien is voor naheffing uitsluitend van belang het antwoord op de vraag of de verschuldigde belasting betaald is en niet of de aangifte op de juiste wijze is gedaan c.q. of de voorschriften bij de parkeerapparatuur zijn nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/354
FutD 2008-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/8093

Uitspraakdatum: 1 oktober 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 juli 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. A.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 2 en wijst de gemeente Amsterdam aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Gronden

1. Op 22 maart 2006 omstreeks 12.07 uur stond eisers auto, merk Renault met kenteken AA-BB-00, geparkeerd aan de a-straat te Amsterdam in een zogenaamd 10 cent tariefgebied. Twaalf minuten voordien heeft eiser parkeerbelasting voldaan. Op het parkeerkaartje dat hij uit de parkeerautomaat heeft verkregen, is vermeld: “Deze zijde goed zichtbaar achter de voorruit plaatsen. Parkeren betaald tot: 220306 11:55 4576 ZAMSTEL 0,10EUR 11:52|22 00160 Stadstoezicht”.

2. Aan eiser is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 0,10 aan belasting en € 46,- aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag. Volgens de naheffingsaanslag merkte de controleur bij de controle om 12.07 uur op: “kaartje niet geldig; tijd tot: 11.55”.

3. De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van parkeerbelasting als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Verordening parkeerbelastingen 2006 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening).

4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verordening wordt deze belasting geheven bij wege van voldoening op aangifte en wel door middel van het, bij de aanvang van parkeren, werpen van geld in parkeerapparatuur of door middel van het al dan niet elektronisch in werking stellen van parkeerapparatuur, wordt van de verschuldigde belasting per tijdseenheid op de parkeerapparatuur kennisgegeven en geeft het college van burgemeester en wethouders regels omtrent de wijze van en voorschriften met betrekking tot de voldoening van deze belasting.

Ingevolge artikel 7 van de Verordening geschiedt de aanwijzing van de wijze waarop tegen betaling van de belasting mag worden geparkeerd, bij besluit van het college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge de Tarieventabel 2006, behorende bij de Verordening Parkeerbelasting 2006, Hoofdstuk 1 Tariefgebieden, onder 10 cent tariefgebieden, onder VIII is het gebied bevattende de a-straat van de nummers 2 t/m 156 en 1 t/m 151 een 10 cent tariefgebied.

5. Ingevolge artikel I van het Uitwerkingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2006 en Parkeerverordening 2005 (hierna: het Uitwerkingsbesluit), een besluit van het college van burgemeester en wethouders, mag alleen tegen voldoening van de belasting worden geparkeerd op de parkeerapparatuurplaatsen in tariefgebied € 0,10, zoals omschreven in de bij de Verordening behorende Tarieventabel, en moet die voldoening mede geschieden met inachtneming van het tijdstip en de wijze waarop een en ander is aangegeven in de voorschriften op of bij de parkeerapparatuur.

Ingevolge artikel II Uitwerkingsbesluit moet de voldoening van de parkeerbelasting mede geschieden met inachtneming van de voorschriften die op het door de gemeente uitgegeven kaart(je)/betaalbewijs zijn gesteld.

Ingevolge artikel III Uitwerkingsbesluit is een Amsterdams kaartje geldig in de hele gemeente, mits telkens omgerekend naar het tarief zoals bedoeld in de Verordening en is aangegeven op de parkeerapparatuur, op de plaats van het parkeren.

6. Voor zover hier van belang wordt in de stratentabel behorende bij het Uitwerkingsbesluit het volgende vermeld:

Tariefgebied Zuideramstel 1

(tarief € 0,10 per uur)

Straat Verfijning in aanduiding straat Tijden waarop voor parkeren betaald moet worden Bijzonderheden en uitzonderingen Parkeerduur-beperking Geldigheid van kaarten en vergunningen bij parkduur beperking

a-straat Nummer 2 – 156

Nummer 1 - 151 Ma/za 9.00 – 19.00 1 uur Parkeervergunningen niet geldig m.u.v. hulpverlenersvergunning

7. Verweerder erkent wel dat eiser om 11.52 uur € 0,10 heeft betaald, maar voert aan dat deze betaling niet op de manier heeft plaats gevonden als door het college van burgemeester en wethouders is voorgeschreven en dat daarom niet de vereiste parkeerbelasting is voldaan en dat hij daarom heeft mogen naheffen.

8. De rechtbank volgt verweerder daar in niet en wel om twee redenen.

9. Niet is in geschil, dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag eisers auto 12 minuten geparkeerd stond op de onderhavige parkeerplaats. Evenmin is in geschil dat eiser zijn parkeergeld niet in de speciale tien cent tarief parkeerapparatuur heeft geworpen en derhalve voor de betaalde 10 cent niet een kaartje met een maximale parkeerduur van één uur heeft verkregen en achter zijn autoruit heeft gelegd, maar dat eiser een kaartje uit een andere ter plaatse aanwezige automaat heeft verkregen die was ingericht voor het voldoen van parkeerbelasting tegen een ander dan het 10 cent tarief voor zowel naburige straten als de a-straat op tijden waarop het 10 cent tarief niet van toepassing is. Ter zitting is duidelijk geworden dat deze automaat ook opgesteld stond aan de a-straat.

10. Eiser heeft voorts onweersproken gesteld dat hij vaker in de a-straat heeft geparkeerd en het 10 cent tarief daar wel bij een 10 cent tarief parkeerautomaat heeft voldaan en dat het ook deze dag zijn bedoeling was de belasting naar het voor de a-straat geldende 10 cent tarief te voldoen. Hij heeft mede door het niet bij zich hebben van zijn leesbril echter onvoldoende opgelet en niet onderkend dat hij het dubbeltje in een andere dan een 10 cent tarief parkeerautomaat wierp. De rechtbank leidt uit een en ander af dat bij eiser de intentie bestond om voor maximaal één uur parkeren naar het 10 cent tarief te willen betalen, maar dat hij daartoe een verkeerd kaartje heeft “getrokken”.

11. Ingevolge artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat op de naheffing van parkeerbelasting van toepassing is, is naheffing enkel mogelijk indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald waardoor te weinig belasting is geheven. Uit het onder 10 overwogene volgt dat eiser de verschuldigde belasting heeft voldaan en daartoe ook de intentie had. Anders dan verweerder betoogt, is voor naheffing uitsluitend van belang of de verschuldigde belasting is betaald en niet of de aangifte op de juiste wijze is gedaan, c.q. of de voorschriften bij de parkeerapparatuur zijn nageleefd. In dit verband verwijst de rechtbank naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 8 januari 1997, nr. 31 657, BNB 1997/68c*). Dit is de ene reden waarom naheffing in dit geval niet kan.

12. Verweerders stelling dat een parkeerkaartje verkregen uit een andere automaat niet geldig is voor het parkeren in de onderhavige straat, vindt daarnaast geen steun in de toepasselijke regelgeving. Aan verweerder kan worden toegegeven dat omwille van de controleerbaarheid en de handhaafbaarheid het aanbeveling verdient dat kaartje wordt gebruikt waarop de aangifte aan het juiste tarief is vermeld. Maar uit de hiervoor weergegeven voorschriften, kan niet worden afgeleid dat het kaartje dat eiser had getrokken op dat moment niet geldig was voor de a-straat. Op het kaartje is daarover niets vermeld. In artikel III Uitwerkingsbesluit is bovendien expliciet neergelegd dat een Amsterdams kaartje geldig is in de hele gemeente, mits telkens omgerekend naar het tarief zoals bedoeld in de Verordening en is aangegeven op de parkeerapparatuur, op de plaats van het parkeren.

13. Gelet op het vorenoverwogene was er geen grond voor naheffing van parkeerbelasting. Het beroep is gegrond.

Proceskosten

De rechtbank ziet, behoudens een geschatte vergoeding voor reiskosten voor het bijwonen van de zitting naar het tarief openbaar vervoer 2e klasse, geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser andere kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Djodikromo, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.