Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6405

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
381430 / KG ZA 07-1942 OdC/MG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verbod televisie uitzending. Voorzieningenrechter wijst de vordering toe, omdat het een te grote inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 381430 / KG ZA 07-1942 OdC/MG

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2007

in de zaak van

[eiser], in privé en handelend onder de naam

[naam bedrijf],

wonende te ‘s-Gravenhage,

eiser bij concept dagvaarding,

procureur mr. J.P. Plasman,

tegen

1. [gedaagde],

kantoorhoudende te Hilversum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENDEMOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

gedaagden,

vrijwillig verschenen,

procureur mr. J.A. Schaap.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

De procedure

Ter terechtzitting van 19 oktober 2007 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat hij zijn eis ter terechtzitting heeft gewijzigd, zoals hierna onder 3.1. is opgenomen. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met het spoedeisende karakter van de zaak is op 19 oktober 2007 reeds uitspraak gedaan. Het onderstaande bevat de uitwerking van die uitspraak.

De feiten

[eiser] is sinds 1995 eigenaar van de zeilschool [naam bedrijf]. Zeilschool [naam bedrijf] is gevestigd aan boord van het motorschip “[naam boot]” dat voor anker ligt op de [adres]. De [naam boot] is tevens de woning van [eiser].

Zeilschool [naam bedrijf] verzorgt zeillessen aan kinderen in de leeftijdsgroep van 6 tot en met 14 jaar. [eiser] is leidinggevende van het team van instructeurs en hij geeft zelf ook zeilles.

[eiser] is op 22 april 2004 door de meervoudige kamer van de rechtbank

’s-Gravenhage ter zake ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar onder algemene en bijzondere voorwaarden, voor zover relevant:

“dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen zeilinstructies zal geven aan kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 14 jaar.”

Bij verzoekschrift van 28 februari 2005 heeft [eiser] de rechtbank

’s-Gravenhage verzocht tot wijziging van de onder 2.3. genoemde bijzondere voorwaarde, in die zin dat de zeilkampen wel doorgang zullen vinden, waarbij er optimale zekerheid wordt geboden aan de kinderen in navolgende zin dat [eiser]:

a. niet meer in een situatie begeven waarbij hij alleen is met een kind;

b. kinderen mogen niet in de privé-omgeving van de veroordeelde overnachten;

c. met inachtneming van a. zijn de kinderen uitsluitend in aanwezigheid van de veroordeelde indien de ouders hiervan op de hoogte zijn;

d. alle contacten met de kinderen moeten voor de kinderen openlijk bespreekbaar zijn met de ouders;

e. contact met kinderen uitsluitend functioneel en in het belang van het kind.”

In reactie op dit verzoek heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht deze bijzondere voorwaarde die aan [eiser] is opgelegd, voor zover van belang, als volgt te wijzigen:

? Veroordeelde mag zich niet meer in een situatie begeven waarin hij alleen is met een minderjarige, ook niet bij het geven van zeilinstructie;

? Veroordeelde mag in geen geval minderjarigen in zijn privé-omgeving laten overnachten en mag ook niet elders alleen met minderjarigen overnachten;

? Veroordeelde zorgt ervoor dat hij alleen in aanwezigheid van minderjarigen is als de ouders van die minderjarigen daarvan op de hoogte zijn;”

Op 13 juni 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het verzoek tot wijziging van deze bijzondere voorwaarde afgewezen.

Bij beslissing na voorwaardelijke veroordeling van 25 juli 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de tenuitvoerlegging van zes maanden van de voorwaardelijke gevangenisstraf gelast, omdat [eiser] in zijn proeftijd zeilinstructies heeft gegeven aan kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 14 jaar.

Op 28 augustus 2007 heeft [gedaagde] met een filmploeg een onverwacht bezoek gebracht aan de zeilschool [naam bedrijf]. Hierbij zijn televisieopnamen gemaakt van de zeilschool, de instructeurs, de cursus die op dat moment gaande was en van [eiser].

[gedaagde] is voornemens om op 21 oktober 2007 een uitzending van “[titel programma]” te wijden aan [eiser] en zijn zeilschool [naam bedrijf] waarin gebruik gemaakt wordt van de op 28 augustus 2007 opgenomen beelden en waarin een interview met een officier van justitie is gemonteerd.

Het geschil

[eiser] vordert, na wijziging van eis, – samengevat – primair op straffe van verbeurte van een dwangsom [gedaagde] te verbieden beeld- en geluidsopnamen die zijn gemaakt van hem en (de activiteiten op en rondom) de zeilschool [naam bedrijf] ten behoeve van het programma “[titel programma]” te openbaren en te verveelvoudigen. Subsidiair wordt gevorderd [gedaagde] te verbieden het interview met de officier van justitie uit te zenden. Daarnaast vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] door de uitzending onrechtmatig zal handelen jegens [eiser], aangezien sprake zal zijn van een ontoelaatbare schending van zijn persoonlijke levenssfeer. De belangen van [eiser] bij bescherming van zijn privacy dienen zwaarder te wegen dan het belang dat [gedaagde] heeft bij de uitzending. Hoewel de precieze inhoud van de uitzending nog niet bekend is, is het kennelijke doel van de uitzending enerzijds het aan de kaak stellen dat [eiser] thans weer zeillessen geeft aan kinderen en dat hij dat ook tijdens zijn proeftijd heeft gedaan en anderzijds het oproepen van een maatschappelijke discussie. [eiser] is ter zake ontucht veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Zijn proeftijd is in april 2007 geëindigd. Een gedeelte van zijn voorwaardelijke gevangenisstraf is weliswaar tenuitvoergelegd, maar niet kan worden gezegd dat deze detentie zijn proeftijd heeft verlengd, aangezien ook in de beslissing na voorwaardelijke veroordeling van 5 juli 2007 is opgenomen dat zijn proeftijd op 22 april 2007 is geëindigd. [eiser] mocht op deze mededeling van de rechtbank vertrouwen. Het zeilles geven aan kinderen door [eiser] vanaf 22 april 2007 is dan ook geen feitelijke misstand. Dat [gedaagde] een maatschappelijke discussie aan de orde wenst te stellen is niet bezwaarlijk, maar wel indien hij dit tracht te doen ten nadele van [eiser]. Doordat de zeilschool [naam bedrijf] in de uitzending herkenbaar in beeld komt, is ook [eiser], ondanks het feit dat hij niet herkenbaar in beeld wordt gebracht en slechts wordt aangeduid als [eiser], herkenbaar, althans herleidbaar. [eiser] zal daardoor grote schade lijden. Daarnaast zal het aantal bedreigingen en de angst voor geweld jegens hem door de uitzending toenemen. Immers, naar aanleiding van een artikel in de Telegraaf van 18 oktober 2007, waarin [eiser] en zijn zeilschool eveneens onderwerp van deze discussie zijn gemaakt, heeft [eiser] al moeten onderduiken. De uitzending van 21 oktober 2007 mag dan ook niet worden uitgezonden. Indien de uitzending niet wordt verboden dient het interview met de officier van justitie te worden verwijderd. In dit interview stelt de officier van justitie dat het openbaar ministerie het verzoek van [eiser] tot wijziging van de bijzondere voorwaarden niet heeft gesteund, terwijl dit in strijd is met de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie bij dit verzoek. Het uitzenden van dit interview zou onevenredig grote schade toebrengen aan [eiser].

[gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] is veroordeeld wegens ontucht gedurende een periode van twee jaar en willens en wetens strafrechtelijke uitspraken heeft genegeerd door in zijn proeftijd zeilles te geven aan kinderen. Bovendien loopt zijn proeftijd pas in november 2007 af, zodat hij ook nu nog in strijd handelt met zijn strafrechtelijke veroordeling.

[gedaagde] tracht in zijn programma (strafrechtelijke) misstanden aan de kaak te stellen aan de hand van een specifieke zaak. Ontucht met minderjarige kinderen is een ernstige misstand. Daarnaast zijn ook het negeren van vonnissen, het meermalen overtreden van een bijzondere voorwaarde binnen de proeftijd en de schijnopenheid en manipulatie van feiten door [eiser] ernstige misstanden. De ernst van deze misstanden en de bijbehorende maatschappelijke discussie zijn van dusdanige aard dat zij een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] rechtvaardigen. Het belang van de vrijheid van meningsuiting dient dan ook zwaarder te wegen.

In de uitzending van 21 oktober 2007 wordt onder meer aandacht besteed aan de vonnissen tegen [eiser] en zijn handelen daarna. Daarnaast komen in de uitzending onder andere de moeder van het slachtoffer van [eiser], de officier van justitie en

ex-werknemers van [eiser] aan het woord.

[gedaagde] heeft voor deze uitzending op 28 augustus 2007 vanaf de vlonder opnamen gemaakt van de zeilschool [naam bedrijf]. Hij heeft hiermee geen huisvredebreuk gepleegd, zodat geen sprake is van onrechtmatige opnamen. Indien de opnamen desondanks als onrechtmatig zouden moeten worden aangemerkt mogen deze beelden alsnog worden gebruikt voor de uitzending, indien die onrechtmatige methoden een misstand aan het licht hebben gebracht. Verder houdt de vordering slechts in dat de gemaakte beeld- en geluidopnamen van [eiser] en de zeilschool [naam bedrijf] niet mogen worden vertoond en niet een verbod op het vertonen van de gehele uitzending.

Verder ontbreekt bij [eiser] enig belang bij dit kort geding. Immers op 18 oktober 2007 is een groot artikel over zijn zaak in de Telegraaf verschenen, zodat reeds een groot deel van het verhaal “op straat ligt”. Niet valt dan ook in te zien waarom een belangrijk deel van de uitzending van [titel programma] van 21 oktober 2007 moet worden verboden, zeker niet nu [eiser] in de uitzending niet herkenbaar in beeld wordt gebracht en alleen wordt aangeduid als [eiser]

De beoordeling

Allereerst wordt geconstateerd dat de vordering niet inhoudt een verbod tot publicatie van de gehele door [gedaagde] voorgenomen uitzending, maar slechts van beeld- en geluidsopnamen van [eiser] en (de activiteiten op en rondom) zeilschool [naam bedrijf] zoals die in de dagvaarding zijn vermeld, te weten de beelden zoals die zijn verkregen ter gelegenheid van de in de dagvaarding gewraakte “inval” op 28 augustus 2007. In dit verband wordt de subsidiair ingestelde vordering tot het geven van een verbod tot publicatie van een door de officier van justitie aan [gedaagde] gegeven interview, waarvan de tekst door [gedaagde] in het geding is gebracht, opgevat als een aanvulling op de eis.

Uitgangspunt is dat de vorderingen van [eiser] in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

Het belang van [gedaagde] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste publiciteit omtrent zijn privégegevens en privésituatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Nu van de voorgenomen uitzending geen beelden door [gedaagde] beschikbaar zijn gesteld die in de uitzending zullen worden gebruikt, moet bij de beoordeling van de belangen van partijen worden uitgegaan van hetgeen

– grotendeels globaal – over die uitzending ter zitting en uit de overgelegde stukken is gebleken.

Aldus is gebleken dat de uitzending betrekking heeft op de vraag of pedofielen al dan niet de gelegenheid moet worden ontnomen aan kinderen les te geven. In deze uitzending wordt in het bijzonder aan de kaak gesteld dat [eiser] – een veroordeelde pedofiel – binnen de hem opgelegde proeftijd en in strijd met de door de rechtbank opgelegde voorwaarden zeillessen gaf en nog steeds geeft aan kinderen. Als vaststaand kan worden aangenomen dat het hier inderdaad gaat om een belangrijk maatschappelijk discussiepunt, dat ook in de politiek de aandacht heeft.

Wat de privacy van [eiser] betreft wordt uit de beschrijving van het gebeurde op 28 augustus 2007 aangenomen dat hij toen onaangekondigd bij of op zijn boot door [gedaagde] en zijn filmploeg en tegen zijn wil is aangesproken en gefilmd, waarbij ook schermutselingen zijn ontstaan. [gedaagde] is voornemens deze beelden van [eiser] en hetgeen daar verder is opgenomen van [eiser] en zijn zeilschool in die uitzending te vertonen, zij het dat [eiser] daarop onherkenbaar wordt gemaakt. Die inbreuk op de privacy van [eiser] moet onder de gegeven omstandigheden als ernstig worden aangemerkt, waarbij wordt opgemerkt dat de beelden van [eiser] dan wel onherkenbaar worden gemaakt maar wel herleidbaar zijn tot [eiser].

Niettemin kan deze inbreuk op [eiser]’s privacy gerechtvaardigd zijn indien door de desbetreffende handelingen – opnamen – feiten en omstandigheden aan het licht worden gebracht die kunnen dienen tot bewijs of ondersteuning van het aan de kaak te stellen onderwerp.

Bewijslevering van het gewraakte gedrag van [eiser] – het tijdens de proeftijd handelen in strijd met de hem opgelegde voorwaarden – is in dit geval echter niet nodig. [eiser] erkent immers dat hij dit heeft gedaan. De ter gelegenheid van het onaangekondigde bezoek van 28 augustus 2007 gemaakte opnamen hebben in het kader van de argumentatie van [gedaagde] geen inhoudelijke functie maar dienen slechts als visueel illustratiemateriaal bij de uitzending. [eiser] wordt daardoor aan de schandpaal genageld hoewel hij al strafrechtelijk veroordeeld is en de gang van zaken daarna ook niet ontkent. Aldus bestaat er onvoldoende grond ter rechtvaardiging van de geconstateerde inbreuk op de privacy van [eiser].

De omstreden beeld- en geluidsopnamen van [eiser] en de zeilschool mogen dus niet worden gebruikt voor de uitzending. Voor zover de vordering betrekking heeft op “andere programma’s” is deze te onbepaald en moet deze worden afgewezen. “Volgende programma” zullen op hun eigen merites moeten worden bekeken.

Voor een verbod tot uitzending van het interview met de officier van justitie is echter geen grond. [eiser] stelt terecht dat de tekst, die is opgetekend uit de mond van de officier van justitie op gespannen voet staat met de desbetreffende conclusie van het openbaar ministerie. Dit is echter enerzijds de verantwoordelijkheid van de officier van justitie en anderzijds betreft het hier de rol en het standpunt van het openbaar ministerie in het kader van het door [gedaagde] ter sprake gebrachte onderwerp hetgeen wel degelijk bijdraagt aan die discussie. Denkbaar is dat dit in een weerwoord van de raadsman van [eiser] in de discussie tijdens de uitzending wordt betrokken. Dit onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 1.067,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

verbiedt [gedaagde] iedere openbaarmaking en verveelvoudiging van beeld- en geluidsopnamen die zijn gemaakt van [eiser] en (de activiteiten op en rondom) zeilschool [naam bedrijf] ten behoeve van het programma “[titel programma]”,

bepaalt dat [gedaagde] voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 2.1. bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van € 50.000,00,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.067,00,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Orobio de Castro, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.M.C. Grob, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2007.?