Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6263

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 05-2620 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhouding premies verplichte verzekering niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM.

Deze uitspraak is een vervolg op een eerdere uitspraak van 16 december 2005 van de Rechtbank Amsterdam, waarbij de inhouding van premies voor de Zfw en de AWBZ op een WAO-uitkering niet in strijd werd geacht met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 16 december 2005 is overwogen dat de premieheffing een ontneming is van eigendom in de zin van artikel 1 EP. Nu het algemeen belang is gediend bij het stelsel van ziektekostenverzekering zoals dit voortvloeit uit het (gewijzigde) Verdrag inzake sociale verzekering tussen Nederland en Marokko (NMV) in combinatie met de Nederlandse wetgeving en de premieheffing niet disproportioneel is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een ontneming van eigendom die in strijd is met artikel 1 EP. Met ingang van 1 januari 2006 is de zogenoemde woonlandfactor ingevoerd, hetgeen betekent dat de premies voor de zorgverzekering (welke in de plaats is gekomen voor de ziekenfondsverzekering) voor het merendeel van de in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden verlaagd zijn. De vraag of dit gegeven wijziging brengt in het in de eerdere uitspraak gegeven oordeel ten aanzien van de proportionaliteit, beantwoordt de rechtbank in onderhavige uitspraak ontkennend. De invoering van de woonlandfactor, leidt niet tot het oordeel dat achteraf bezien de voor die datum geheven premies als disproportioneel moeten worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/2620 ZFW

tussen

[Eiser], wonende in [Woonplaats],

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zetelend te Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 10 mei 2005 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 6 april 2005 (hierna: het bestreden besluit I). Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder bestreden besluit I ingetrokken en heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiser. Bij dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft laatstgenoemd besluit aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zij heeft het beroep op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 1 november 2006. Na de zitting heeft de rechtbank het vooronderzoek heropend. Het onderzoek is voortgezet en vervolgens gesloten ter zitting van de meervoudige kamer van 7 juni 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser is woonachtig in [Woonplaats]. Hij ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij brief van 2 november 2004 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij als gevolg van de wijziging van het Verdrag tussen Nederland en Marokko uit hoofde van zijn WAO-uitkering met ingang van 1 november 2004 verplicht verzekerd is voor de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en dat met ingang van die datum premies voor deze verzekeringen zullen worden ingehouden.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de uit deze brief blijkende inhoudingen op de uitkering. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder dit bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder, onder intrekking van het bestreden besluit I, het bezwaar ontvankelijk geacht en dit ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit I. Voor zover het beroep tegen dat besluit is gericht, zal de rechtbank dit niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de ongegrondverklaring van eisers bezwaar heeft verweerder overwogen dat hij op grond van de in het bestreden besluit II genoemde wettelijke bepalingen is gehouden om voormelde premies in te houden en dat hij geen vrijheid heeft om van deze dwingende bepalingen af te wijken.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij er nooit voor heeft gekozen om verzekerd te zijn voor de Zfw en de AWBZ en dat ten onrechte loonheffing heeft plaatsgevonden, gelet op het Verdrag tussen Nederland en Marokko inzake belastingheffing. Eiser verzoekt om teruggave van het reeds aan premies betaalde bedrag. De rechtbank heeft dit betoog opgevat als een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank overweegt het volgende.

Bij de uitspraak van 16 december 2005 in de zaak met registratienummer 05/1460 ZFW, die als bijlage aan deze uitspraak is gevoegd, heeft de rechtbank in een aantal vergelijkbare gevallen geoordeeld dat de besluiten van verweerder waarbij personen als eiser met ingang van 1 november 2004 verplicht verzekerd worden geacht voor de Zfw en de AWBZ geen strijd opleveren met artikel 1 van het EP.

Na de datum van deze uitspraak hebben zich op het gebied van de premieheffing voor de AWBZ, alsmede voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) – die met ingang van 1 januari 2006 in de plaats is gekomen van onder meer de Zfw – waar het in het buitenland wonende personen met een Nederlandse uitkering betreft, de volgende ontwikkelingen voorgedaan.

In een rechtszaak die is aangespannen door elders in de Europese Unie wonende Nederlandse gepensioneerden heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 31 maart 2006 (LJN: AV7778) geoordeeld dat de Nederlandse Staat in beginsel gerechtigd is tot het heffen van bijdragen ingevolge de Zvw en AWBZ. De hoogte van de bijdrage dient evenwel te worden afgestemd op het bedrag dat Nederland aan het betrokken woonland moet afdragen. In de voorgelegde gevallen achtte de voorzieningenrechter de geheven bijdrage onevenredig hoog.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de wetgever de op artikel 69 van de Zvw gebaseerde Regeling zorgverzekering gewijzigd. De wijziging houdt in dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 een woonlandfactor wordt ingevoerd. Blijkens de toelichting bij de wijziging wordt de bijdrage voor verdragsgerechtigden naar woonland gedifferentieerd "zodat er geen onevenwichtigheid bestaat in de bijdragen die Nederlanders in de verdragslanden opbrengen en de kosten die voor hen worden gemaakt" (Wijziging Regeling zorgverzekering, Stc. 2006, nr. 85, pag. 13). De woonlandfactor wordt berekend op grond van de verhouding tussen de gemiddelde kosten van zorg van het land waar betrokkene woonachtig is en de gemiddelde kosten van zorg in Nederland. Voor het merendeel van de in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden resulteert dit in een verlaging van de opgelegde bijdrage.

De rechtbank stelt vast dat, hoewel het oordeel van de voorzieningenrechter was gestoeld op het communautaire recht, met name het in artikel 39 van het EG-Verdrag neergelegde beginsel van vrij verkeer van werknemers, de woonlandfactor eveneens is ingevoerd voor personen met een Nederlandse uitkering die in andere verdragslanden, waaronder Marokko, woonachtig zijn. Voor laatstgenoemd land is de woonlandfactor vastgesteld op 0,0125.

Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen heeft de rechtbank aanleiding gezien het vooronderzoek in de onderhavige zaak na de zitting van 1 november 2006 te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden. Bij brief van 1 februari 2007 heeft verweerder de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgestelde antwoorden ingestuurd.

Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 3 van de Zfw is degene die een WAO-uitkering ontvangt verzekerd voor de Zfw.

Ingevolge artikel 15 van de Zfw wordt bij de verzekering een procentuele premie ingehouden.

Ingevolge artikel 17, in samenhang met artikel 4, van de Zfw wordt een nominale premie ingehouden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWBZ is verzekerd voor de AWBZ degene die ingezetene is dan wel degene die geen ingezetene is doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge artikel 7 van het op artikel 5, derde lid, van de AWBZ gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746) is verzekerd voor de AWBZ de persoon die niet in Nederland woont, die verzekerd is op grond van de Zfw en die, met toepassing van een verordening van de Raad van Europese Gemeenschappen of een door Nederland met een of meer staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in de staat op het grondgebied waarvan hij woont recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van de middelen van de ziektekostenverzekering.

Op 1 november 2004 is de wijziging van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1996/298, hierna: NMV) in werking getreden. Met de wijzigingen is onder meer beoogd om personen die met een Nederlandse uitkering zijn teruggekeerd naar Marokko in aanmerking te brengen voor verstrekkingen uit hoofde van de Zfw en de AWBZ. Voordien waren genoemde personen van een dergelijk recht verstoken.

Ingevolge artikel 13 van het gewijzigde NMV, in samenhang met artikel 1, aanhef en sub b, van het bij het NMV behorende Slotprotocol heeft eiser met ingang van 1 november 2004 recht op de in Marokko geldende wettelijke ziektekostenverzekering omschreven prestaties ten laste van Nederland. Omdat per 1 november 2004 de wettelijke ziektekostenverzekering in Marokko nog niet tot stand was gekomen, is per die datum tevens in werking getreden het Interim-akkoord tussen de bevoegde Nederlandse autoriteit en de bevoegde Marokkaanse autoriteit betreffende het verlenen van medische zorg in Marokko (Trb. 1996/298, rubriek J). Op grond daarvan heeft eiser vanaf genoemde datum tot de inwerkingtreding van een wettelijk stelsel voor ziektekosten in Marokko aanspraak op verstrekkingen in Marokkaanse overheids- en semi-overheidsziekenhuizen en –instellingen voor gezondheidszorg. De in Marokko verstrekte hulp wordt dan ingevolge het NMV op kosten van Nederland verleend. Aan Nederland is ingevolge artikel 13, zevende lid, van het NMV de bevoegdheid gegeven om premies in te houden op het pensioen dat wordt uitbetaald, indien de Nederlandse wetgeving voorziet in premie-inhouding. Omdat betrokkenen in Marokko met de verdragswijziging verzekeringsplichtig werden voor de Zfw en de AWBZ werd het voor hen eveneens mogelijk om het recht op Zfw- en AWBZ-verstrekkingen in Nederland geldend te maken. Deze laatste mogelijkheid is met de inwerkingtreding van de Zvw per 1 januari 2006 vervallen.

Voormelde bepalingen hebben een dwingendrechtelijk karakter. Dat betekent dat verweerder in beginsel niet de bevoegdheid toekomt om de toepassing van die bepalingen achterwege te laten.

Genoemde regelgeving kent evenmin een keuzemogelijkheid. Gelet hierop kan het argument van eiser dat hij er niet voor heeft gekozen om verzekerd te zijn voor de Zfw en de AWBZ niet slagen.

Aan de stelling van eiser dat loonheffing wordt ingehouden gaat de rechtbank voorbij, nu het bestreden besluit II alsmede het hierbij gehandhaafde primaire besluit uitsluitend zien op de inhouding van voormelde premies.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit II op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de materieelrechtelijke bepalingen neergelegd in de Zfw, de AWBZ en het NMV.

Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit II al dan niet in strijd komt met artikel 1 van het EP overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 1 van het EP luidt als volgt:

"Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren."

Niet is in geschil dat de WAO-uitkering van eiser moet worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP. Voorts moet de inhouding van premies voor de Zfw en de AWBZ worden aangemerkt als een ontneming als bedoeld in genoemd artikel.

Ten aanzien van de vraag of deze inbreuk leidt tot een met artikel 1 van het EP strijdige situatie overweegt de rechtbank het volgende.

Een van de in dit artikel gestelde voorwaarden houdt in dat de ontneming dient te zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag. Uit het hiervoor overwogene volgt dat die grondslag aanwezig is.

Nadere voorwaarden zijn gelegen in de legitimiteit van het doel en de mate van proportionaliteit tussen doel en middel. Blijkens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), zie onder meer het arrest Goudswaard-Van der Lans (EHRM 22 september 2005, LJN: AU6248), komt een inbreuk op het eigendomsrecht niet in strijd met artikel 1 van het EP indien een legitiem doel wordt nagestreefd in het kader van het publieke belang en er een redelijke mate van proportionaliteit bestaat tussen dit doel en de middelen die tot het bereiken daarvan worden aangewend. Aan de staat komt bij de hantering van die criteria een ruime beoordelingsmarge toe. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan indien op individuele belanghebbenden een onevenredige last wordt gelegd (EHRM 12 oktober 2004, Asmundsson, LJN: AR7300 en EHRM 22 september 2005, Goudswaard-Van der Lans, reeds aangehaald).

Legitiem doel in het kader van het publieke belang

Door eiser is niet, althans niet uitdrukkelijk, gesteld dat het algemeen belang niet zou zijn gediend met het stelsel van ziektekostenverzekering, zoals dit voortvloeit uit het NMV in combinatie met de Nederlandse regelgeving. In de eerdergenoemde uitspraak van 16 december 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat in dit geval geen sprake is van een legitiem doel. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

In de toelichtende nota bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Wijzigingsverdrag dat op 28 februari 1997 aan de Eerste en Tweede Kamer is voorgelegd (Staten-Generaal, vergaderjaar 1996-1997, 25 252, nrs. 209 en 1), is onder meer vermeld dat voorheen personen als eiser wel verzekerd waren voor de Zfw doch dat zij hun aanspraken na vertrek naar Marokko niet konden effectueren. Voorts is vermeld dat het ontbreken van een goede ziektekostenverzekering een negatieve rol speelt bij overwegingen van met name in Nederland wonende Marokkaanse pensioengerechtigden die graag naar Marokko zouden willen remigreren.

Met het in het NMV neergelegde systeem ten aanzien van het recht op zorgprestaties voor in Marokko wonende personen die een Nederlandse uitkering genieten, is beoogd te waarborgen dat onderdanen van verdragsstaten wettelijk verzekerd zijn voor ziektekosten, en dat personen die geen verzekeringsrechtelijke band hebben met het woonland niettemin aldaar gebruik kunnen maken van de wettelijke gezondheidszorg in dit land. Vanaf de inwerkingtreding van het wijzigingsverdrag kunnen personen als eiser dan ook op kosten van Nederland in Marokko aanspraak maken op gezondheidszorgverstrekkingen. Naar hiervoor reeds is weergegeven werd het voor betrokkenen eveneens mogelijk om het recht op Zfw- en AWBZ-verstrekkingen in Nederland geldend te maken.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het algemeen belang leidend is geweest bij de verplichte verzekering van eiser voor de Zfw en de AWBZ.

Redelijke mate van proportionaliteit

In het onderhavige geding gaat het om de periode 1 november 2004 tot 1 januari 2006, in welke periode nog geen woonlandfactor gold.

Sinds 1 januari 2006 is de nationale regelgeving met betrekking tot de ziektekostenverzekering gewijzigd en is de Zvw in werking getreden. Met deze wet is het tot dan toe bestaande onderscheid tussen de (verplichte) Zfw-verzekering en de particuliere verzekeringen opgeheven. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is onder het stelsel van de Zvw ten aanzien van in het buitenland wonende personen met een Nederlandse uitkering een woonlandfactor van kracht, eveneens sinds 1 januari 2006. Met de introductie van de woonlandfactor heeft de wetgever willen voorzien in een evenwichtige verhouding tussen de hoogte van de premie en de voor de betrokkenen in het buitenland gemaakte en ten laste van Nederland komende zorgkosten.

De woonlandfactor is voor Marokko vastgesteld op 0,0125. Dit betekent dat de premie van eiser sinds 1 januari 2006 zeer aanzienlijk is verlaagd.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of (en zo ja, in hoeverre) dit gegeven wijziging brengt in het in de eerdere uitspraak van 16 december 2005 gegeven oordeel over de proportionaliteit. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Hiertoe overweegt zij het volgende.

De rechtbank overweegt dat eisers verzekeringspositie en de hieruit voortvloeiende rechten en aanspraken in de periode in geding wezenlijk verschilden van de situatie zoals die is sinds 1 januari 2006. In de periode in geding was eiser verplicht verzekerd ingevolge de Zfw en de AWBZ. Op grond hiervan had hij zowel in [Woonplaats] als in Nederland recht op zorg (die in Nederland op basis van de Zfw dan wel de AWBZ werd verleend). Vanaf 1 januari 2006 heeft eiser alleen nog recht op zorg in [Woonplaats]. De dekking die het vanaf die datum geldende zorgstelsel biedt is dus aanmerkelijk geringer.

In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat uit het gegeven dat sedert 1 januari 2006 een woonlandfactor wordt gehanteerd op zichzelf niet kan worden afgeleid dat de vóór die datum geheven premies als disproportioneel moeten worden aangemerkt. In dat kader is overigens niet van belang of eiser feitelijk Zfw- of AWBZ-verstrekkingen, in Nederland dan wel in Marokko, heeft genoten doch is bepalend dat tegenover de premie in beginsel aanspraken stonden die indien het verzekerde risico zich voordeed geëffectueerd konden worden.

Voorts verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 16 december 2005, waarin is overwogen dat niet is gebleken dat in Marokko de omvang van AWBZ-zorg zo gering is en het niveau zo laag dat de te betalen premie leidt tot een excessieve last als bedoeld in het genoemde arrest Asmundsson. Tevens heeft de rechtbank in dit kader gewezen op artikel 2 van de Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ, op grond waarvan een uitkering voor de kosten van zorg in het buitenland wordt verstrekt onder meer in gevallen waarin die zorg in het land van wonen niet is opgenomen in het pakket van verstrekkingen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts niet worden gezegd dat de hoogte van de geheven premies, op eiser een excessieve last heeft gelegd. In dat kader overweegt de rechtbank, in aansluiting op het hieromtrent in de uitspraak van 16 december 2005 overwogene, dat eiser een uitkering geniet die is afgestemd op de Nederlandse verhoudingen en dat bij de bepaling van de uitkering rekening wordt gehouden met het in Nederland geldende sociale minimum en niet met de in Marokko geldende levensstandaard.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit II in rechte stand kan houden. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 augustus 2007, door mr. T.P.J. de Graaf, voorzitter, en

mrs. C.C.W. Lange en C.G. Meeder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De voorzitter,

De griffier,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending ervan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D:B