Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
22-10-2007
Zaaknummer
334478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheid, rechtsmacht Nederlandse rechter

art. 9 Rv

Gedaagde doet een beroep op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. Eiseres beroept zich op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 9 aanhef en sub c Rv. Geoordeeld wordt dat niet is komen vast te staan dat het onaanvaardbaar is van eiseres te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. De enkele -wellicht aan zekerheid grenzende- mogelijkheid dat procederen in het Verenigd Koninkrijk tegen gedaagde een verstekvonnis zal opleveren, is hiertoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 334478 / HA ZA 06-280

Vonnis in incident van 19 september 2007

in de zaak van

de buitenlandse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WATERSDALE LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.J. Zijlstra,

tegen

A,

met onbekende woon- en verblijfplaats in en buiten Nederland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur mr. J.F.A. de Voldere.

Partijen zullen hierna Watersdale en A genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 oktober 2005, met bewijsstukken,

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, met één bewijsstuk,

- de incidentele conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident, met bewijsstukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Watersdale vordert in de hoofdzaak – kort samengevat – A te veroordelen tot

betaling van EUR 15.030,-, zijnde het restantbedrag van de door Watersdale aan A verstrekte geldlening, vermeerderd met rente en kosten.

2.2. A betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van de vordering

van Watersdale kennis te nemen. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

2.3. Voorbijgegaan wordt aan de stelling van Watersdale bij dagvaarding dat de

domiciliekeuze ten kantore van haar procureur tot bevoegdheid van deze rechtbank leidt. De relatieve bevoegdheid die artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schept, creëert immers geen rechtsmacht.

2.4. Wel dient als uitgangspunt voor de beoordeling van de rechtsmacht van de

Nederlandse rechter de voor het Verenigd Koninkrijk en Nederland geldende Verordening EG/44/2001 van de Raad van de EU van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo).

Artikel 4 lid 1 EEX-Vo bepaalt dat, indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld wordt door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd de artikelen 22 en 23 EEX-Vo.

Nu A geen bekende woonplaats in en buiten Nederland heeft en de artikelen 22 en 23 EEX-Vo in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, brengt artikel 4 lid 1 EEX-Vo mee dat aan de hand van de in de Nederlandse wetgeving neergelegde bevoegdheidsregels dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering van Watersdale.

2.5. Watersdale stelt bij antwoordconclusie in het incident dat de Nederlandse rechter

rechtsmacht toekomt op grond van artikel 9 aanhef en sub c Rv.

Dit artikel(onderdeel) bepaalt dat, indien de Nederlandse rechter niet op grond van de artikelen 2 tot en met 8 Rv rechtsmacht toekomt, hij niettemin rechtsmacht heeft indien een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is én het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt.

Uitgangspunt daarbij is dat ten aanzien van het voor toepassing van artikel 9 Rv geldende – en door eiser te stellen en zonodig te bewijzen – vereiste, dat het onaanvaardbaar moet zijn van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt, grote terughoudendheid moet worden toegepast, aangezien artikel 9 Rv een uitzonderingsbepaling is ten opzichte van de algemene rechtsmachtregels. Feiten en omstandigheden die meebrengen dat van een dergelijke onaanvaardbaarheid sprake is, moeten door de eiser, in dit geval Watersdale, worden gesteld en, bij betwisting, worden bewezen. Bij onaanvaardbaarheid moet worden gedacht aan gevallen van oorlog of natuurrampen of aan situaties waar aan het behoren van een bepaalde deelgroep van de bevolking ernstige beperkingen in het maatschappelijk verkeer zijn verbonden met als gevolg dat voor leden van die groep in feite een behoorlijke rechtsgang redelijkerwijs niet gewaarborgd is. Ook valt te denken aan situaties van in Nederland opengevallen nalatenschappen van buitenlandse erflaters, waarbij in Nederland woonachtige erfgenamen om hun geslacht of religie een discriminerende behandeling kunnen verwachten.

2.6. Volgens Watersdale is het onaanvaardbaar van haar te vergen dat zij de zaak aan

het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Watersdale stelt daartoe dat A hoogstwaarschijnlijk in Nederland wonende en werkzaam is en dat de kans zeer groot is dat hij onwetend zal blijven van een eventueel in het Verenigd Koninkrijk tegen hem aanhangig gemaakte procedure, op grond waarvan mogelijk in eerste instantie aldaar hoogstens een verstekvonnis zal kunnen worden verkregen met de daaruit met zekerheid voortvloeiende formele en praktische juridische moeilijkheden.

2.7. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de enkele – wellicht aan zekerheid

grenzende – mogelijkheid dat procederen in het Verenigd Koninkrijk tegen A een verstekvonnis zal opleveren, gelet op de terughoudendheid die, naar hiervoor reeds onder 2.5. is overwogen, bij toepassing van artikel 9 Rv moet worden betracht, niet tot de conclusie dat het onaanvaardbaar is van Watersdale te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter van het Verenigd Koninkrijk dan wel van een andere vreemde staat onderwerpt.

2.8. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat het onaanvaardbaar is

van een eiser als Watersdale te vergen de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat te onderwerpen. Derhalve wordt niet toegekomen aan de beoordeling of (ook) is voldaan aan het eerste – cumulatief geldende – vereiste van artikel 9 aanhef en sub c Rv, te weten of de onderhavige zaak voldoende binding heeft met de rechtssfeer van Nederland.

Het voorgaande brengt mee dat A geen belang heeft bij het nemen van de ter griffie op 29 augustus 2007 ingekomen akte, nu die akte, naar de rechtbank begrijpt, slechts een nadere onderbouwing beoogt te geven aan het in artikel 9 aanhef en sub c Rv neergelegde vereiste dat de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is, aan welk vereiste, zoals hiervoor is overwogen, niet wordt toegekomen. Deze akte zal dan ook worden geweigerd.

2.9. Nu niet is gebleken dat de Nederlandse rechter op een andere grond bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Watersdale, dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren.

2.10. Watersdale zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden

veroordeeld. Deze kosten bedragen aan de zijde van A:

- vast recht EUR 540,00

- salaris procureur 579,00 (1 punt x 579)

Totaal EUR 1.119,00

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

3.1. verklaart zich onbevoegd om van de onderhavige vordering van Watersdale kennis te nemen,

3.2. veroordeelt Watersdale in de kosten van de procedure, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 1.119,00,

3.3. verklaart de zaak wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Laurentius - Kooter en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2007.