Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5631

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
13-524304-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6380, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In dit vonnis is vooral van belang hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van noodweer(exces) met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer, omdat niet wordt voldaan aan de eis van proportionaliteit. Volgens de rechtbank is wel sprake van noodweerexces bij de verdachte. De rechtbank overweegt dat in dit geval aannemelijk is dat het overschrijden van de grenzen van de proportionaliteit is veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door de hiervoor omschreven aanranding door naam1. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verdachte heeft verklaard erg bang te zijn voor naam1 en naam2, dat naam1 en naam2 bekend stonden als gevaarlijke jongens en dat naam1 en/of naam2 eerder hebben gedreigd de moeder en kinderen van verdachte iets aan te doen; omstandigheden die de rechtbank aannemelijk geworden acht. Gezien het voorgaande is het aannemelijk dat verdachte (mede) uit angst en woede heeft gehandeld en dat aldus sprake was van een hevige gemoedsbeweging zoals vereist voor noodweerexces. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde feit omdat hij heeft gehandeld uit noodweerexces.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/524304-06

Datum uitspraak: 11 oktober 2007

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 september 2007.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde,

op 22 september 2006 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slach[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen éénmaal van korte afstand op die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] heeft geschoten,

ten aanzien van het onder 2 telastegelegde,

op 22 september 2006 te Amsterdam een wapen van categorie II of III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen (merk Baretta), voorhanden heeft gehad,

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde,

op 23 september 2006 te Amsterdam voorhanden heeft gehad twaalf kogelpatronen (merk CBC, 12 mm Luger), munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs, de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte met betrekking tot het onder 1 telastegelegde

Reconstructie van de gebeurtenissen

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, met name de verklaringen van verdachte en de getuigen [slachtoffer1] (hierna: [slachtoffer1]), [betrokkene1] en de verklaringen van de getuigen [slachtoffer2] (hierna: [slachtoffer2]) en [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2]) zoals zij die ter terechtzitting hebben afgelegd, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

In de avond van 22 september 2006 is [slachtoffer1], een goede vriend van [slachtoffer2], naar [coffeeshop] (hierna: de coffeeshop), gevestigd aan de [adres], gegaan. In de coffeeshop is hij naar verdachte, de beheerder van de coffeeshop, gelopen. [slachtoffer1] en verdachte hebben met elkaar gepraat, ruzie gekregen en op een gegeven moment heeft verdachte [slachtoffer1] een kopstoot gegeven. Hierop heeft verdachte de coffeeshop geagiteerd verlaten en is hij naar zijn woning aan de [adres2] gegaan, waarvan de achtertuin grenst aan de achterzijde van de coffeeshop. [slachtoffer1] heeft vervolgens de coffeeshop - eveneens geagiteerd - verlaten. Hij is vertrokken in het gezelschap van de hem bekende [betrokken[betrokkene3] (hierna: [betrokkene3]), die ook in de coffeeshop aanwezig was.

[slachtoffer1] heeft vervolgens telefonisch contact gezocht met [slachtoffer2]. [slachtoffer2] bleek in een horecagelegenheid elders in de stad te zijn. [slachtoffer1] en [betrokkene3] zijn hierop naar [slachtoffer2] gegaan. [slachtoffer1] heeft [slachtoffer2] verteld over het voorval tussen hem en verdachte eerder die avond. Hierop heeft [slachtoffer2], die verdachte al lange tijd kende, voorgesteld om naar verdachte te gaan. [slachtoffer2], die op dat moment een fles cognac op had en cocaïne had gebruikt, en [slachtoffer1] zijn in het gezelschap van [betrokkene3] naar de coffeeshop gereden. [slachtoffer2] en [slachtoffer1] zijn de coffeeshop ingegaan en hebben aan de barvrouw, [betrokkene2], op boze wijze gevraagd waar verdachte was. Hierop heeft [betrokkene2] geantwoord dat verdachte er niet was. [slachtoffer2] en [slachtoffer1] zijn naar de woning van verdachte gegaan. Ze hebben op de voordeur van de woning geklopt. Er kwam echter geen reactie van verdachte, waarop [slachtoffer2] en [slachtoffer1] weer naar de coffeeshop zijn gegaan. Ze gingen wederom naar [betrokkene2] en vroegen op agressieve en geagiteerde manier waar verdachte was. Hierop heeft [betrokkene2] opnieuw geantwoord dat hij niet in de coffeeshop was, gevraagd of ze kalm wilden worden en hun een drankje aangeboden. Opeens heeft [slachtoffer2] een revolver achter uit zijn broek gehaald en hiermee op een voor aanwezigen in de coffeeshop zichtbare en hoorbare wijze bovenhands een glazen lamp, die boven de bar hing, stukgeslagen. [slachtoffer2] heeft daarbij in de beweging waarmee hij de lamp heeft kapotgeslagen en hij het wapen weer naar beneden heeft gebracht, het wapen (kort) in de richting van [betrokkene2] gewezen. [betrokkene2] is hierop naar achter gesprongen in de richting van de opening naar de keuken. [slachtoffer1] heeft tegen [slachtoffer2] gezegd dat [betrokkene2] er niets mee te maken had en de arm van [slachtoffer2] vastgepakt en naar beneden gehouden. [slachtoffer2] heeft zijn revolver hierop weggestopt achter zijn rug in zijn broek.

Verdachte is na het incident met [slachtoffer1] eerder die avond meerdere keren vanuit de tuin van zijn woning gaan kijken of alles in orde was in de coffeeshop. Zo heeft hij door de achterdeur van de coffeeshop ook gezien dat [slachtoffer2] met zijn revolver in een zwiep de lamp boven de bar kapot sloeg. Nadat hij dit had gezien is hij meteen zijn woning ingegaan, heeft een geladen pistool uit de kast gepakt en is buitenom naar de voorkant van de coffeeshop gegaan. Verdachte heeft vervolgens, en in de wetenschap dat [slachtoffer2] en [slachtoffer1] zich nog in de coffeeshop bevonden, waarschijnlijk staand net buiten het tochtportaal van de coffeeshop, in ieder geval één schot gelost in de richting van de coffeeshop, welke kogel terecht is gekomen in de linkerdeurpost en is teruggevallen op de vloer van het tochtportaal. Verdachte is vervolgens weggerend voor het raam van de coffeeshop langs naar zijn woning. [slachtoffer2] heeft op het schot van verdachte gereageerd door in ieder geval drie keer in de richting van de schutter terug te schieten. Hij heeft één keer geschoten in de richting van het tochtportaal en twee keer door het raam van de coffeeshop.

Standpunt van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.

Alvorens dit verweer te bespreken, stelt de rechtbank vast dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van poging tot moord. Nu verdachte direct heeft gereageerd op het stukslaan van de lamp door [slachtoffer2] met zijn revolver en de daardoor ontstane bedreigende situatie in de coffeeshop, is aannemelijk dat verdachte zonder al te veel nadenken zijn pistool heeft gepakt, naar de voorkant van de coffeeshop is gelopen en in de richting van de coffeeshop heeft geschoten. Bij deze situatie past dan ook niet de conclusie dat bij verdachte sprake is geweest van een (kort) moment van kalm beraad en rustig overleg, zoals vereist voor de aanname van voorbedachte rade. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van poging tot moord. Wel is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2]. De rechtbank acht namelijk wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte heeft geschoten in een zodanige richting van de coffeeshop dat hij ervan mocht uitgaan, dat hij (één van) de bezoeker(s), waaronder [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], waarvan hij wist dat die nog binnen waren, dodelijk zou kunnen raken. Nu verdachte ten aanzien van deze bewijsvraag geen verweer heeft gevoerd zal de rechtbank voornoemde bewezenverklaring verder niet nader motiveren.

Ten aanzien van noodweer dan wel noodweerexces

Uitgaande van de feiten, zoals hierboven weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van de voor noodweer vereiste wederrechtelijke aanranding. De wederrechtelijke aanranding bestond allereerst uit het stukslaan van de lamp boven de bar door [slachtoffer2] met zijn revolver. Verder heeft [slachtoffer2] door zijn agressieve gedrag en het tevoorschijn halen van zijn revolver en het stukslaan van de lamp boven de bar daarmee, een situatie veroorzaakt die bedreigend was voor de mensen in de coffeeshop en in het bijzonder voor [betrokkene2], die in de richting van de revolver had gestaan. In zoverre was dan ook sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor feitelijke aanranding, hetgeen eveneens een wederrechtelijke aanranding, zoals vereist voor noodweer, oplevert.

Verder was de wederrechtelijke aanranding ogenblikkelijk. Door het stukslaan van de lamp met zijn revolver door [slachtoffer2] was reeds sprake van een feitelijke aanranding en daarnaast was er door de bedreigende situatie ten aanzien van de mensen in de coffeeshop en in het bijzonder voor [betrokkene2], veroorzaakt door [slachtoffer2] sprake van een ogenblikkelijk gevaar hiervoor. Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte vorenbedoeld handelen van [slachtoffer2] heeft gezien en hierop meteen heeft gereageerd door uit zijn woning een geladen pistool te pakken, naar de voorkant van de coffeeshop te lopen en van waarschijnlijk net buiten het tochtportaal van de coffeeshop in de richting van de coffeeshop te schieten. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn goederen – verdachte was de beheerder van de coffeeshop – en de mensen in de coffeeshop. Overigens acht de rechtbank, gelet op het incident tussen verdachte en [slachtoffer1] eerder die avond en hetgeen verdachte en verschillende getuigen hebben verklaard omtrent de voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer2] (en [slachtoffer1]), aannemelijk dat verdachte (ook) bang was dat [slachtoffer2] en [slachtoffer1] hem iets zouden aandoen. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of enkel deze angst bij verdachte ten aanzien van zijn eigen lijf een geslaagd beroep op noodweer(exces) zou kunnen opleveren, sluit de aanwezigheid van vorenbedoelde angst bij verdachte een beroep op noodweer(exces) op grond van voornoemde omstandigheden niet uit.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de reactie van verdachte voldoet aan de eis van proportionaliteit. Verdachte had gezien dat [slachtoffer2] in het bezit was van een revolver en dit ook had gebruikt. Gelet hierop acht de rechtbank het gebruik van een vuurwapen door verdachte, verhoudingsgewijs, redelijk. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet het wapen heeft gericht op personen, maar een waarschuwingsschot heeft gelost. De rechtbank acht dat echter niet aannemelijk gelet op de hoogte van de kogelinslag in de linkerdeurpost. Hierbij past de conclusie dat sprake was van een gericht schot, dan wel in ieder geval van een schot in een zodanige richting van de coffeeshop dat verdachte ervan mocht uitgaan dat hij (één van) de bezoeker(s), waaronder [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1], waarvan hij wist dat die nog binnen waren, dodelijk zou kunnen raken. Dit gericht schieten acht de rechtbank niet proportioneel. Verdachte had zich moeten vergewissen van minder ernstige alternatieven, zoals het lossen van een waarschuwingsschot, zijnde een niet gericht schot waarbij kan worden uitgesloten dat er één of meerdere personen worden geraakt, bijvoorbeeld door buiten in de lucht te schieten. Nu verdachte dit niet heeft gedaan heeft hij niet proportioneel gehandeld en slaagt zijn beroep op noodweer niet.

In dit geval is echter aannemelijk dat het overschrijden van de grenzen van de proportionaliteit is veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door de hiervoor omschreven aanranding door [slachtoffer2]. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verdachte heeft verklaard erg bang te zijn voor [slachtoffer2] en [slachtoffer1], dat [slachtoffer2] en [slachtoffer1] bekend stonden als gevaarlijke jongens en dat [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1] eerder hebben gedreigd de moeder en kinderen van verdachte iets aan te doen; omstandigheden die de rechtbank aannemelijk geworden acht. Gezien het voorgaande is het aannemelijk dat verdachte (mede) uit angst en woede heeft gehandeld en dat aldus sprake was van een hevige gemoedsbeweging zoals vereist voor noodweerexces. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de verdachte niet strafbaar is ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde feit omdat hij heeft gehandeld uit noodweerexces.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is echter terzake van het onder 1 primair bewezen geachte niet strafbaar. Verdachte dient terzake van dit feit dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van de onder 2 en 3 bewezen geachte feiten uitsluit. Verdachte is ten aanzien van deze feiten dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten, te weten de onder 1 primair, 2 en 3 telastegelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is op 22 september 2006 betrokken geweest bij een schietpartij in een coffeeshop. Hij was in het bezit van een wapen en heeft hiermee geschoten. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte heeft geschoten uit noodweerexces en acht verdachte in zoverre dan ook niet strafbaar. Het feit dat verdachte een geladen wapen voor handen had en dat op 23 september 2006 in zijn woning munitie is aangetroffen, acht de rechtbank echter zeer ernstig. Het ongecontroleerde en illegale wapenbezit kan (levens)gevaarlijke situaties teweegbrengen, hetgeen ook blijkt uit de schietpartij op

22 september 2006. Gezien het voorgaande acht de rechtbank hierna te noemen strafoplegging passend en geboden.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde feit niet strafbaar is, bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 12 volmantelpatronen Luger 9 mm en 1 vuurwapenpatroonhouder dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 kogel aangetroffen in de tochtportaal van de coffeeshop en 1 huls Luger 9 mm aangetroffen in de tochtportaal van de coffeeshop, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 1 primair bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

poging tot doodslag,

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III,

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], strafbaar ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit geen straf wordt opgelegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 12 volmantelpatronen Luger 9 mm,

1 vuurwapenpatroonhouder, 1 kogel aangetroffen in de tochtportaal van de coffeeshop en

1 huls Luger 9 mm aangetroffen in de tochtportaal van de coffeeshop.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. R.M. Troost en C. Kraak, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 oktober 2007.