Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5573

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/5495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAV / geen arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding, toch boete

De afwezigheid van een arbeidsovereenkomst en/of gezagsverhouding tussen eiser en de arbeidskracht doet, gelet op de bedoeling van de wetgever niet ter zake. Verweerder heeft eiser terecht als werkgever aangemerkt. Verweerder was dus ook bevoegd tot het opleggen van de boete. Eisers beroepsgrond, dat er geen enkele relatie was tussen de aangetroffen Roemeen en hemzelf, en dat verweerder daarom niet bevoegd was tot op het opleggen van de boete, slaagt niet.

Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien de opgelegde boete te matigen. Eiser is er zelf verantwoordelijk voor om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van de Wav zijn nageleefd. Eiser had moeten controleren wie de werkzaamheden zou verrichten en of het die persoon was toegestaan in Nederland arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg. nr.:

AWB 06/5495 WAV

inzake:

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. F.A.K.J. de Roock van DAS rechtsbijstand te Amsterdam,

tegen:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voorheen de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Dokman, ambtenaar op verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 4000,-- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het daartegen op 28 februari 2006 ingestelde bezwaar is bij besluit van 17 oktober 2006 ongegrond verklaard. Op 14 november 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar – na schriftelijke kennisgeving – niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft aan het opleggen van de bestuurlijke boete ten grondslag gelegd dat eiser een persoon van Roemeense nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning (twv) schilderwerkzaamheden heeft laten verrichten aan zijn woning terwijl die persoon vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het verrichten van arbeid een twv was vereist.

2. Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat hij niet als werkgever in de zin van de Wav kan worden aangemerkt. Er is geen enkele relatie tussen eiser en de arbeidskracht die in dienst was bij “[naam] Onderhoud & Schildersbedrijf”. Voorts heeft de Arbeidsinspectie onzorgvuldig gehandeld door geen verklaring af te nemen van de betrokken arbeidskracht noch van de eigenaar van “[naam] Onderhoud & Schildersbedrijf”. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de opgelegde boete onevenredig is in verhouding tot de gedraging van eiser.

3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder twv.

4. Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt als beboetbaar feit aangemerkt het niet naleven van - voor zover hier van belang - artikel 2 van de Wav.

5. Ingevolge artikel 19a van de Wav wordt aan degene op wie een verplichting rust voortvloeiende uit de Wav een boete opgelegd als het niet naleven van die verplichting is aangeduid als een beboetbaar feit.

6. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Wav - voor zover hier van belang - is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,--. Ingevolge het derde lid stelt de Minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

7. In de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels), gepubliceerd in de Staatscourant nr. 232 van 29 november 2005, met als ingangsdatum 1 december 2005, is bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt worden gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de “Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav” (hierna: de tarieflijst) die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. In de tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op € 8.000,--. Op grond van beleidsregel 2 wordt als er sprake is van een werkgever die een natuurlijk persoon is een correctiefactor van 0,5 gebruikt ten opzichte van het boetenormbedrag.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan eiser worden toegegeven dat, indien zich wel een separaat verslag van gehoor van de aangetroffen arbeidskracht en van de eigenaar van “[naam] Onderhoud & Schildersbedrijf” in het dossier had bevonden, een vollediger beeld zou zijn gegeven van het totale feitencomplex waarop verweerder de oplegging van de boete heeft gebaseerd. De rechtbank acht het ontbreken van een dergelijk verslag echter geen grond voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit bijlage 4 bij het op ambtseed opgemaakte boeterapport van 7 juli 2005 naar voren komt dat de vreemdeling [de vreemdeling] is aangetroffen terwijl hij schilderwerkzaamheden verrichtte aan het huis van eiser en dat deze persoon is gehoord als getuige. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting hierbij de toelichting gegeven dat het inlichtingen- en gehoorformulier van [vreemdeling 2], dat zich wel in het dossier bevindt, is medeondertekend door [de vreemdeling]. Voorts acht de rechtbank hierbij van belang dat eiser zelf is gehoord en blijkens het ‘verslag horen belanghebbende’ het volgende heeft verklaard:

“de naam [de vreemdeling] zegt mij niets, als u zegt dat hij bij mij aan het schilderen was kan dat dan wel kloppen.”

De slotsom is, gelet op het voorgaande, dat het onderzoek dat verweerder heeft verricht niet onzorgvuldig is geweest.

9. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de artikelen 1 en 2 van de Wav (TK 1993-1994, 23 574, nr. 3, p. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagverhouding is daarbij niet relevant, aldus de Memorie van Antwoord (TK 1993-1994, 23 574, nr. 5, p. 2). Evenmin is van belang of de arbeid tegen beloning plaatsvindt, nu de Wav geen onderscheid maakt tussen betaalde en onbetaalde arbeid.

10. Niet is in geschil dat ten tijde van de controle een persoon met de Roemeense nationaliteit zonder twv is aangetroffen terwijl hij schilderwerkzaamheden verrichtte aan de dakkapel van eisers woning. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiser kan worden aangemerkt als natuurlijk persoon die de aangetroffen persoon persoonlijke diensten heeft laten verrichten. Hieruit volgt dat eiser ten aanzien van de Roemeense werknemer is te beschouwen als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en sub b, onder 2, van de Wav.

De afwezigheid van een arbeidsovereenkomst en/of gezagsverhouding tussen eiser en de arbeidskracht doet, gelet op de bedoeling van de wetgever zoals hierboven weergegeven, niet ter zake.

Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd tot het opleggen van de boete. Eisers beroepsgrond, dat er geen enkele relatie was tussen de aangetroffen Roemeen en hemzelf, en dat verweerder daarom niet bevoegd was tot op het opleggen van de boete, slaagt gezien het voorgaande niet.

11. Eisers stelling dat de boete onevenredig is volgt de rechtbank de rechtbank evenmin.

Blijkens het op ambtseed opgemaakte verslag van het horen heeft eiser het volgende verklaard:

“Ik heb van deze persoon geen legitimatiebewijs gezien. Ik heb daarom niet gevraagd. Ik dacht dat die ‘[naam]’ een Pool was. Ik dacht dat hij wel in Nederland mocht werken. Ik ga ervan uit dat als iemand voor mij werkzaamheden verricht in het bezit is van een werkvergunning. Ik dacht dat die ‘[naam]’ alles geregeld zou hebben. Ik heb zelf geen werkvergunning voor hem aangevraagd.”

Gelet op de verklaring van eiser heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de opgelegde boete te matigen. Eiser is er zelf verantwoordelijk voor om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van de Wav zijn nageleefd. Eiser had moeten controleren wie de werkzaamheden zou verrichten en of het die persoon was toegestaan in Nederland arbeid te verrichten. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. Dat eiser in zee is gegaan met een legaal bedrijf, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Ook de omstandigheid dat er sprake was van een kleine klus en dat de steiger er al stond omdat het bedrijf bij de buren reeds bezig was met het uitvoeren van werkzaamheden aan de dakkapel vormt geen grond om te spreken van verminderde verwijtbaarheid.

12. Nu overigens geen omstandigheden zijn aangedragen die leiden tot de conclusie dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid en evenmin bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die verweerder noopten tot afwijken van het beleid, en nu er, tot slot, niet is aangevoerd dat de financiële draagdracht van eiser dusdanig is dat de opgelegde boete voor eiser zal leiden tot een financiële noodsituatie, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven.

13. Op grond van het voorgaande wordt het beroep ongegrond verklaard.

14. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2007 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll:

D: C

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.