Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5569

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/1356
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe feiten en omstandigheden na horen / geen matiging boete

Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van feiten en omstandigheden die na het horen in bezwaar bekend zijn geworden en die voor het bestreden besluit van aanmerkelijk belang konden zijn en dat ook feitelijk zijn geweest. Eiser had naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid moeten worden gesteld hierover te worden gehoord. Nu dit niet is gebeurd is het bestreden besluit genomen in strijd is met artikel 7:9 van de Awb.

Het beroep is gegrond verklaard waarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten bij welke beslissing het doel van de finale geschilbeslechting mede in aanmerking is genomen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat sprake is van een verminderde verwijtbaarheid waardoor boete onevenredig hoog zou zijn. Eiser heeft niet voldaan aan de verplichting neergelegd in artikel 28, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 om een afschrift van het identiteitsbewijs dat hij van de vreemdeling heeft ontvangen te vergelijken met het origineel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dus niet al het mogelijke gedaan om de overtreding te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg. nr.:

AWB 06/1356 WAV

inzake:

[Eiser], h.o.d.n. [bedrijfsnaam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. N. Wohlgemuth Kislaar, advocaat te Hilversum,

tegen:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voorheen de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Dokman, ambtenaar bij verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 4000,-- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het daartegen op 16 juni 2005 ingestelde bezwaar is bij besluit van 1 februari 2006 ongegrond verklaard. Op 10 maart 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft aan het opleggen van de bestuurlijke boete ten grondslag gelegd dat eiser een persoon met de Ecuadoraanse nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning (twv) werkzaamheden heeft laten verrichten terwijl die persoon vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het verrichten van arbeid een twv was vereist.

2. Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat hij niet wist met een illegale werknemer te maken te hebben. De hoogte van de opgelegde boete staat niet in verhouding tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. De conclusie dat eiser aan de hand van het originele identiteitsdocument had kunnen opmerken dat de uiterlijke kenmerken van de vreemdeling niet overeenkwamen met de op het identiteitsbewijs vermelde gegevens is onjuist. Verweerder heeft voorts ten onrechte de conclusies uit een in de bezwaarfase verricht nader onderzoek bij de besluitvorming betrokken, nu eiser niet bekend was met dit nader onderzoek en daarop niet heeft kunnen reageren.

3. In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld dat naar aanleiding van het bezwaarschrift inderdaad nader onderzoek is gedaan. Nu in het beroepschrift niet is betwist dat er verschillen waren ten aanzien van de foto, lengte en handtekening op de kopie van het pasoort, stelt verweerder zich op het standpunt geen reden te zien om consequenties te verbinden aan het feit dat eiser niet de gelegenheid heeft gekregen op het resultaat van het in bezwaar verrichte nadere onderzoek te reageren. Gesteld noch gebleken is dat eiser door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad.

4. In artikel 7:9 van de Awb is bepaald dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift en na de hoorzitting in bezwaar van 1 november 2005 nader onderzoek heeft verricht en de resultaten van dat onderzoek ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Verweerder heeft in het kader van dit onderzoek navraag gedaan bij de inspecteurs van de Arbeidsinspectie die de controle bij het bedrijf van eiser hebben uitgevoerd. Gevraagd is of de aangetroffen vreemdeling exact leek op de persoon die op het afschrift van het paspoort stond. Bij e-mailbericht van 19 januari 2006 hebben de inspecteurs geantwoord dat de persoon op de pasfoto wel een beetje op de vreemdeling leek. Aan de hand van de lengte aangegeven op de kopie van het paspoort en de handtekening is achterhaald dat de vreemdeling niet degene was voor wie hij zich uitgaf.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van feiten en omstandigheden die na het horen in bezwaar bekend zijn geworden en die voor het bestreden besluit van aanmerkelijk belang konden zijn en dat ook feitelijk zijn geweest. Verweerder heeft in het bestreden besluit immers beslist dat als eiser het originele paspoort had gecontroleerd, hij aan de hand van het originele identiteitsdocument had kunnen en moeten opmerken dat de uiterlijk kenmerken van vreemdeling niet overeenkwamen met de op het identiteitsbewijs vermelde gegevens. Eiser had naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid moeten worden gesteld hierover te worden gehoord. Dit is echter niet gebeurd.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd is met artikel 7:9 van de Awb. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

8. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daartoe is redengevend hetgeen hierna zal worden overwogen in rechtsoverweging 9 en verder. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat, gelet op de aard van de zaak, de finale geschilbeslechting als doel van het bestuursprocesrecht in het bijzonder dient te worden nagestreefd. Aan dit doel komt des te meer gewicht toe nu, zoals volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen, de snelheid van afdoening één van de overwegingen is geweest voor de wetgever om ervoor te kiezen de overtreding van artikel 2 van de Wav niet langer via het strafrecht, maar voortaan via het bestuursrecht te sanctioneren (Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Wav in verband met de invoering van bestuursrechtelijke handhaving, TK 2003-2004, 29 523, nr. 3, p.2)

9. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

10. Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt als beboetbaar feit aangemerkt het niet naleven van - voor zover hier van belang - artikel 2 van de Wav.

11. Ingevolge artikel 19a van de Wav wordt aan degene op wie een verplichting rust voortvloeiende uit de Wav een boete opgelegd als het niet naleven van die verplichting is aangeduid als een beboetbaar feit.

12. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Wav - voor zover hier van belang - is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,--. Ingevolge het derde lid stelt de Minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

13. In de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels), gepubliceerd in de Staatscourant nr. 249 van 24 december 2004, is bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt worden gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de “Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav” (hierna: de tarieflijst) die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. In de tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op € 8.000,--.

Op grond van beleidsregel 2 wordt als er sprake is van een werkgever die een natuurlijk persoon is een correctiefactor van 0,5 gebruikt ten opzichte van het boetenormbedrag.

14. Niet is in geschil dat eiser ten tijde van de controle in het kader van de Wav niet in het bezit was van een twv ten behoeve van de aldaar aangetroffen vreemdeling, terwijl een twv wel was vereist. Gelet hierop was verweerder in beginsel bevoegd - en dat heeft eiser ook niet bestreden - over te gaan tot het opleggen van een boete als onderhavige.

15. Eiser heeft betoogd dat de overtreding niet, althans verminderd, verwijtbaar is, en dat gelet daarop de hoogte van de boete onevenredig is, omdat hij niet wist of kon weten dat hij te maken had met een illegale vreemdeling. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij naar vermogen heeft getracht om de identiteit van de werknemer vast te stellen.

16. De rechtbank volgt dit betoog van eiser niet. Uit het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte rapport van het horen van eiser van 8 maart 2005 blijkt dat eiser op de vraag of naar een origineel identiteitsdocument wordt gevraagd bij de controle van nieuwe werknemers het volgende heeft verklaard:

“Ik kijk alleen naar de kopie van een identiteitsdocument, ik kijk nooit naar een origineel”.

Voorts heeft eiser op de vraag of de vreemdeling toen hij begon met werken zijn paspoort dan wel zijn verblijfsvergunning heeft getoond, het volgende verklaard zoals blijkt uit voornoemd proces- verbaal:

“Nee, nogmaals ik ken hem al erg lang”.

17. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting neergelegd in artikel 28, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 om een afschrift van het identiteitsbewijs dat hij van de vreemdeling heeft ontvangen te vergelijken met het origineel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dus niet al het mogelijke gedaan om de overtreding te voorkomen. Het enkele bekijken van kopieën van identiteitsdocumenten kan niet als zodanig worden aangemerkt. Van verminderde verwijtbaarheid is derhalve geen sprake.

Nu er overigens door eiser geen omstandigheden zijn aangedragen op grond waarvan verminderde verwijtbaarheid zou kunnen worden aangenomen, noch bijzondere omstandigheden dan wel specifieke omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en die maken dat de boete onevenredig hoog moet worden geacht te zijn, is er geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de boete in dit geval disproportioneel is.

18. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

19. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 1 februari 2006;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

4. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

5. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ad € 138,- (zegge: honderd en achtendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2007 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll:

D: C

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.