Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/5421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Middellijke arbeid / geen matiging

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling niet op de hoogte te zijn geweest van de werkzaamheden en dat hij de vreemdelingen slechts in contact met het klussenbedrijf heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser voornoemde vreemdelingen - middellijk - arbeid heeft laten verrichten en dat eiser derhalve is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wav.

Nu eiser niet heeft onderbouwd dat de hoogte van de boete gematigd dient te worden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het beleid en de hoogte van de boete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/5421 WAV

van:

[Eiser], eiser,

tegen:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voorheen de staatssecretaris van

Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Eekhout, ambtenaar op verweerders ministerie.

1. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 2 februari 2006 heeft verweerder eiser bestuurlijke boetes opgelegd van respectievelijk € 8.000,-- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en van € 3.000,- wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Hiertegen heeft eiser op 2 maart 2006 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 27 september 2006, met kenmerk AI/JZ/2006/79227, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft op 6 november 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 27 september 2006 (hierna: het bestreden besluit).

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Eiser is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

1. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiser een persoon van Litouwse nationaliteit en een persoon van Poolse nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning (twv) in Nederland arbeid heeft laten verrichten, terwijl deze personen vreemdelingen zijn in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het verrichten van arbeid een twv was vereist. Eiser heeft de vreemdelingen uitgeleend aan Gareno Onderhoud- en Klussenbedrijf, dat de vreemdelingen weer ter beschikking heeft gesteld aan Goed Vastgoed B.V. Evenmin waren bij aanvang van de werkzaamheden door eiser kopieën van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen verstrekt aan de werkgever bij wie de arbeid feitelijk werd verricht.

Uit het boeterapport komt naar voren dat de twee vreemdelingen door bemiddeling van eiser de werkzaamheden zijn gaan verrichten. Bovendien beschikte eiser over afschriften van hun identiteitsbewijzen. Verder blijkt ook uit de verklaringen van de inlenende werkgevers, Goed Vastgoed B.V. en Gareno Onderhoud-en Klussenbedrijf, dat de twee vreemdelingen via eiser voor hen werkzaamheden hebben verricht. Eiser wordt derhalve aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1 van de Wav. Dat hij op het moment van de controle niet in Nederland was, doet daar niet aan af. Voor werkgeverschap is evenmin vereist dat de inlenende partij een vergoeding betaalt.

2. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Eiser was tijdens de inspectie met vakantie en was niet bekend met werkzaamheden op het adres in de Weimarstraat te Den Haag. Eiser werd tijdens zijn vakantie (telefonisch) door de vreemdelingen overvallen met de vraag om werk. Hij heeft hen in contact gebracht met het klussenbedrijf. Hij heeft zich niet gerealiseerd dat hij een wet overtrad. Hij had er zelf geen enkel (financieel) belang bij.

Eiser beschikte niet over kopieën van identiteitspapieren van de vreemdelingen. Eiser heeft verklaringen van Gareno tegenover de Arbeidsinspectie bevestigd onder druk van de eigenaar van Gareno. Ook werd eiser geïntimideerd door de inspecteurs.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav wordt in deze wet onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten en de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

5. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wav draagt een werkgever, indien hij door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk wordt verricht bij een andere werkgever, er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

6. Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt als beboetbaar feit aangemerkt het niet naleven van - voor zover hier van belang - artikel 2, eerste lid, en artikel 15 van de Wav.

7. Ingevolge artikel 19a van de Wav wordt aan degene op wie een verplichting rust voortvloeiende uit de Wav een boete opgelegd als het niet naleven van die verplichting is aangeduid als een beboetbaar feit.

8. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Wav - voor zover hier van belang - is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,--. Ingevolge het derde lid stelt de Minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

9. In de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels), gepubliceerd in de Staatscourant nr. 232 van 29 november 2005, is bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt wordt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de “Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav” (hierna: de tarieflijst), die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. In de tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,--. In de tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav gesteld op € 1.500,--.

10. In beleidsregel 2 is neergelegd dat voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete wordt gehanteerd: 0,5 maal het boetenormbedrag. In beleidsregel 4 is neergelegd dat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, bestaat uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

11. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de artikelen 1 en 2 van de Wav (TK 1993-1994, 23 574, nr. 3, p. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagverhouding is daarbij niet relevant, aldus de Memorie van Antwoord (TK 1993-1994, 23 574, nr. 5, p. 2). Evenmin is van belang of de arbeid tegen beloning plaatsvindt, nu de Wav geen onderscheid maakt tussen betaalde en onbetaalde arbeid.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat er ten tijde van de controle door de Arbeidsinspectie in het pand aan de Weimarstraat 354 te Den Haag twee werknemers van respectievelijk Litouwse en nationaliteit werkend zijn aangetroffen, zonder dat ten behoeve van hen over een twv werd beschikt.

13. In beroep heeft eiser gesteld niet op de hoogte te zijn geweest van de werkzaamheden op het adres aan de Weimarstraat te Den Haag en, omdat hij met vakantie was, de vreemdelingen slechts in contact met het klussenbedrijf heeft gebracht. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe dat eiser blijkens het op ambtseed respectievelijk op ambtsbelofte opgemaakte en door eiser medeondertekende rapport van gehoor van 12 mei 2005 heeft verklaard:

“U verteld mij dat u op 20 april 2005 in een huis op de Weimarstraat 354 te Den Haag waar men aan het verbouwen was, onder andere twee personen heeft aangetroffen die niet in Nederland mochten werken, ik kan u daarover het volgende vertellen:

Via [betrokkene] van Gareno Onderhoud- en Klussenbedrijf gevestigd te Leidschendam kwam ik aan deze opdracht. Ik doe vaker zaken met hem.”

Voorts blijkt uit voornoemd rapport dat de twee vreemdelingen door bemiddeling van eiser werkzaamheden hebben verricht. Uit het op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte rapport van gehoor van 28 april 2005 blijkt bovendien dat [betrokkene] van Gareno Onderhoud- en Klussenbedrijf heeft verklaard:

“Ik heb via [eiser] 2 personen ingehuurd om die klus te doen”.

14. Ten slotte heeft eiser, blijkens voornoemd rapport, bevestigd dat hij met van [betrokkene] van Gareno Onderhoud- en Klussenbedrijf is overeengekomen voor de klus € 13,-- inclusief BTW te ontvangen.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser voornoemde vreemdelingen - middellijk - arbeid heeft laten verrichten en dat eiser derhalve is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav.

16. De stelling van eiser dat van Aerde eiser bij de zaak heeft betrokken om onder de betaling aan eiser van een openstaande rekening uit te komen, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt, nu deze stelling onvoldoende is onderbouwd. De door eiser overgelegde brief van Incassobureau I.P.B. van 17 oktober 2006 is daartoe onvoldoende.

17. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wav. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

18. Eerst in beroep heeft eiser verklaard dat hij tijdens het gehoor van 12 mei 2005 onjuiste verklaringen heeft afgelegd onder druk van van Aerde en ten onrechte heeft verklaard dat hij inmiddels over de kopieën van de identiteitspapieren van de vreemdelingen beschikte. Hetgeen eiser in dit verband naar voren heeft gebracht is in tegenspraak met hetgeen hij eerder heeft verklaard en is onvoldoende om te leiden tot een andersluidend oordeel.

19. Niet is gebleken van intimidatie van de zijde van de Arbeidsinspectie, zoals in beroep is gesteld, zodat ook deze grond eiser niet kan baten.

20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan eiser een boete heeft kunnen opleggen wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en van artikel 15, eerste lid, van de Wav.

21. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat de hoogte van de boete onevenredig is, overweegt de rechtbank als volgt. Het is aan eiser te onderbouwen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat de toepassing van de onderhavige beleidsregels onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Nu eiser niet heeft onderbouwd dat de hoogte van de boete gematigd dient te worden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het beleid en de hoogte van de boete te matigen.

22. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

23. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2007 door mr. P.H.A. Knol, voorzitter,

in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll:

D: C

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken.