Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5441

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
795531 DX EXPL 06-1483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, zorgplicht, categoriemodel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 795531 DX EXPL 06-1483

Vonnis van: 3 oktober 2007 (bij vervroeging)

F.no.: 582

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

nader te noemen respectievelijk [eiser 1], [eiser 2] en gezamenlijk [eisers],

gemachtigde: mr. B.H.G. Damoiseaux (Rutten & Welling Advocaten),

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

verweerster in conventie,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: mr. S.M.E. Hirdes.

De procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 10 juli 2006, met producties;

- een herstel-exploit van 13 juli 2006.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 8 augustus 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof Amsterdam hebben [eisers] een afschrift overgelegd van de opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW, waarin zij verklaren niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Daarna is ingediend:

- de conclusie van antwoord – met eis van reconventie - van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 23 mei 2007 is een comparitie van partijen bepaald, die op 11 september 2007 is gehouden. Partijen hebben bij deze gelegenheid inlichtingen verstrekt. Verschenen zijn [eisers] met hun gemachtigde en Dexia met haar gemachtigde en vertegenwoordigd door de heer P.M. Walenkamp. Voorafgaand aan deze comparitie is door [eisers] nog een conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte overlegging producties ingediend.

Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

1. Feiten;

2. Vorderingen [eisers] in conventie;

3. Standpunten [eisers] in conventie;

4. Standpunten Dexia in conventie;

5. Vorderingen Dexia in reconventie;

6. Verweer in reconventie;

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie.

Feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2. Op of omstreeks 1 oktober 1999 hebben [eisers] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Allround Sparen met vooruitbetaling waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst (hierna: lease-overeenkomst I) is aangegaan onder nummer 39403753. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eisers] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 10.638,11 aandelen leasen en dat [eisers] 60 maandelijkse termijnen van in totaal € 5.445,36 verschuldigd waren. Vervolgens waren zij tot aan het einde van de looptijd € 113,44 per maand verschuldigd. De totale leasesom beliep € 27.226,80 waarin begrepen € 16.588,69 rente. Per 7 juli 2006 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.3. Op of omstreeks 1 oktober 1999 hebben [eisers] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Allround Sparen met vooruitbetaling waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 39403754. De overeenkomst (hierna: lease-overeenkomst II) is aangegaan voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eisers] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 10.638,11 aandelen leasen en dat [eisers] 60 maandelijkse termijnen van in totaal € 5.445,36 verschuldigd waren. Vervolgens waren zij tot aan het einde van de looptijd € 113,44 per maand verschuldigd. De totale leasesom beliep € 27.226,80 waarin begrepen € 16.588,69 rente. Per 7 juli 2006 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.4. Op of omstreeks 1 oktober 1999 hebben [eisers] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Allround Sparen met vooruitbetaling waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst (hierna: lease-overeenkomst III) is aangegaan onder nummer 39403761. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eisers] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 23.403,84 aandelen leasen en dat [eisers] 60 maandelijkse termijnen van in totaal € 11.979,80 verschuldigd waren. Vervolgens waren zij tot aan het einde van de looptijd € 249,58 per maand verschuldigd. De totale leasesom beliep € 59.898,96 waarin begrepen € 36.495,12 rente. Per 7 juli 2006 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.5. Op of omstreeks 26 juni 2002 hebben [eisers] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Capital Effect Vooruitbetaling 15 jaar waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 20300885. De overeenkomst (hierna: lease-overeenkomst IV) is aangegaan voor een periode van 180 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eisers] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 8.476,42 aandelen leasen en dat [eisers] 60 maandelijkse termijnen van in totaal € 4.753,20 verschuldigd waren. Vervolgens waren zij tot aan het einde van de looptijd € 99,02 per maand verschuldigd. De totale leasesom beliep € 17.823,60 waarin begrepen € 9.347,18 rente.

1.6. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten in 1999 waren [eisers] beiden 42 jaar oud en hadden zij een minder dan modaal inkomen. [eiser 1] is van beroep lasser en werkt als uitzendkracht, [eiser 2] heeft geen beroep. [eisers] hebben als opleidingsniveau, LTS en huishoudschool. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten in 1999 hadden [eisers] geen beleggingservaring en een vermogen van € 17.425,16. Dit vermogen is volledig aangewend om de op grond van de lease-overeenkomsten verschuldigde termijnen te voldoen. Voor het overige zijn de termijnen gefinancierd met een lening van familie en verhoging van de hypothecaire lening op de woning van [eisers].

1.7. [eisers] hebben uit hoofde van lease-overeenkomst I aan Dexia betaald:

- in één keer 60 maandelijkse termijnen, een totaalbedrag van € 5.445,36.

[eisers] hebben uit hoofde van lease-overeenkomst II aan Dexia betaald:

- in één keer 60 maandelijkse termijnen, een totaalbedrag van € 5.445,36.

[eisers] hebben uit hoofde van lease-overeenkomst III aan Dexia betaald:

- in één keer 60 maandelijkse termijnen, een totaalbedrag van € 11.979,80.

[eisers] hebben uit hoofde van lease-overeenkomst IV aan Dexia betaald:

- in één keer 60 maandelijkse termijnen, een totaalbedrag van € 4.753,20;

1.8. Op 7 juli 2006 heeft Dexia eindafrekeningen opgesteld van lease-overeenkomsten I, II en III volgens welke [eisers] nog verschuldigd waren, respectievelijk:

€ 1.192,06 waarvan € 2.269,00 aan achterstallige termijnbetalingen en € 9.264,45 aan restant hoofdsom;

€ 1.192,06 waarvan € 2.269,00 aan achterstallige termijnbetalingen en € 9.264,45 aan restant hoofdsom;

€ 2.658,04 waarvan € 5.159,30 aan achterstallige termijnbetalingen en € 20.381,78 aan restant hoofdsom.

Op 31 juli 2007 is lease-overeenkomst IV beëindigd. De winst-uitkering van € 1.897,39 is verrekend met openstaande restschulden.

1.9. De waarde van de effecten en de restant-hoofdsom van de respectievelijke lease-overeenkomsten bedroeg zestig maanden na het aangaan daarvan:

Waarde effecten Restant-hoofdsom

I: € 7.155,40 € 9.711,39;

II: € 7.155,40 € 9.711,39;

III: € 15.743,40 € 21.365,06;

IV: € 9.315,92 € 7.042,95.

1.10. [eisers] hebben in 1999 een bedrag van € 2.584,= aan betaalde rente in aftrek gebracht. Voorts hebben zij uit hoofde van lease-overeenkomst IV € 402,64 aan dividenden ontvangen.

2. Vorderingen [eisers] in conventie

[eisers] vorderen, uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

A. voor recht te verklaren dat voornoemde lease-overeenkomsten nietig zijn, althans deze overeenkomsten nietig te verklaren, en;

B: Dexia te veroordelen om – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [eisers], althans [eiser 1] te betalen de door [eisers] aan Dexia betaalde bedragen ad € 28.315,88 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de gedane betalingen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,

Subsidiair:

A. de voornoemde lease-overeenkomsten te ontbinden, en;

B. Dexia te veroordelen om – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [eisers], althans [eiser 1] te betalen de door [eisers] aan Dexia betaalde bedragen ad € 28.315,88 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de gedane betalingen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,

Meer subsidiair:

Dexia te veroordelen om – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [eisers], althans [eiser 1] te betalen de door [eisers] geleden schade ad € 28.315,88 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de gedane betalingen, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,

Primair en subsidiair en meer subsidiair:

A. Dexia te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers], althans [eiser 1], te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 89,=, en;

B. Dexia te veroordelen om binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis, de gegevens terzake de in geding zijnde lease-overeenkomsten bij het BKR te (doen) verwijderen, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke is aan deze veroordeling te voldoen, dit met een maximum van € 10.000,-;

C. alles met veroordeling van Dexia in de kosten van deze procedure, met inbegrip van het salaris van de gemachtigde van [eisers];

3. Standpunten [eisers] in conventie

3.1. [eisers] stellen dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW. [eisers] leggen daarnaast aan hun vorderingen ten grondslag dat de lease-overeenkomsten wegens strijd met de Wet op het Consumentenkrediet nietig zijn. Voorts hebben [eisers] zich er op beroepen dat zij door toedoen van Dexia hebben gedwaald, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld. [eisers] stellen dat zij beoogden voor vijf jaar lease-overeenkomsten te sluiten en dat door de tussenpersoon is voorgespiegeld dat na vijf jaar een winst van f. 65.000,= op de lease-overeenkomsten I tot en met III zou worden behaald. [eisers] stellen Dexia aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de tussenpersonen die hen geadviseerd hebben de lease-overeenkomsten aan te gaan.

3.2. Volgens [eisers] is Dexia aansprakelijk voor de door hen geleden schade. De schade bestaat volgens [eisers] uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten, althans uit de reeds door hen betaalde bedragen, waarbij [eisers] tevens aanspraak maken op buitengerechtelijke kosten.

3.3. Volgens [eisers] is Dexia wettelijke rente verschuldigd over alle betaalde bedragen ingaande de respectievelijke betaaldata van de vooruitbetalingen, omdat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Dexia.

4. Standpunten Dexia in conventie

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [eisers] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop.

4.2. Voorts betwist Dexia dat de Wck van toepassing is. Dexia bestrijdt tevens dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplichten of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikten [eisers] bij het aangaan van de lease-overeenkomsten over alle relevante informatie. Dexia betwist aansprakelijk te zijn voor het handelen of nalaten van de tussenpersonen.

4.3. Ten aanzien van de BKR-notering voert Dexia aan dat [eisers] de vordering onvoldoende hebben onderbouwd en dat de vordering dient te worden afgewezen. Voorts voert zij aan dat zij niet in staat is de registratie door te halen en dat zij het BKR alleen kan verzoeken dit te doen.

4.4. Voorts betwist Dexia dat zij wettelijke rente is verschuldigd vanaf de data dat de maandtermijnen zijn afgeboekt. Dexia meent dat eerst wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim. Tenslotte voert Dexia aan dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet nader zijn onderbouwd en dat deze gevorderde kosten als proceskosten dienen te worden aangemerkt.

4.5. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Vorderingen Dexia in reconventie

5.1. In reconventie vordert Dexia thans, na vermindering van eis, [eisers] te veroordelen tot betaling van € 2.936,50, zijnde het totaal van de resterende saldi van de door Dexia opgestelde eindafrekeningen, vermeerderd met de contractuele rente ad 0,96% althans de wettelijke rente, stellende dat [eisers] in verzuim zijn met de nakoming van hun verplichtingen uit de lease-overeenkomsten.

6. Verweer in reconventie

6.1. Onder verwijzing naar het debat in conventie voeren [eisers] naar aanleiding van de ingestelde tegenvordering van Dexia aan dat zij niet in verzuim zijn nu de lease-overeenkomsten nietig zijn dan wel op goede gronden buitengerechtelijk zijn vernietigd, dan wel vernietigd dienen te worden.

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

7.1 In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

- huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

- strijd met de WCK (rov 8.3)

- dwaling (rov 8.5);

- aansprakelijkheid voor tussenpersonen (rov 8.7);

- toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

- nakoming zorgplicht (rov 8.9);

- verdeling van het nadeel (rov 9);

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken. De stellingen in conventie en in reconventie zullen zoveel mogelijk gezamenlijk behandeld worden. In het onderhavige geval komt dat neer op het volgende.

Huurkoop; bevoegdheid

7.2. Lease-overeenkomsten als de onderhavige worden aangemerkt als huurkoop. De kantonrechter is derhalve bevoegd.

Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

7.3. Een effecteninstelling is aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen één of meer overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen. Het verweer van Dexia dat dit anders is wordt derhalve verworpen.

Strijd met Wck

7.4. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de Wck, op welke grond de nietigheid van de overeenkomsten is bepleit.

7.5. De toepasselijkheid van de Wck kan in het midden blijven. Ook indien [eisers] zich terecht op die regeling zouden beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomsten, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling

7.6. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease hadden [eisers] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hen gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eisers] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [eisers] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken overeenkomsten is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden. Ook dit laat de zorgplicht die Dexia overigens had onverlet.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

7.7. Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

7.8. [eisers] hebben Dexia verweten dat Dexia ten opzichte van hen de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van de onderhavige producten. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

7.9. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eisers] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eisers] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eisers] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [eisers] beschikten (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eisers] om de overeenkomsten aan te gaan.

7.10. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.6. bij de feiten zijn vermeld, is voor [eisers] categorie 1 van toepassing. Dit betekent dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 80 % van het nadeel voor rekening van Dexia dient te komen en het resterend percentage voor rekening van [eisers] komt.

7.11. Onder het in aanmerking te nemen nadeel zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomsten verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomstem, conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 9.3. van het vonnis van 27 april 2007 beperkt tot 60 maanden, en te verminderen met de opbrengst van de geleasete effecten en met een bedrag wegens aan [eisers] uitgekeerde dividenden.

Nadeel lease-overeenkomst I

7.12. Het totale nadeel (de verschuldigde termijnen plus de restant hoofdsom minus de verkoopwaarde van de effecten) bedraagt € 8.001,35. Daarvan dient 20% zijnde een bedrag van € 1.600,27 voor rekening van [eisers] te blijven. [eisers] hebben uit hoofde van deze lease-overeenkomst een bedrag van € 5.445,36 aan Dexia betaald.

Nadeel lease-overeenkomst II

7.13. Het totale nadeel (de verschuldigde termijnen plus de restant hoofdsom minus de verkoopwaarde van de effecten) bedraagt € 8.001,35. Daarvan dient 20% zijnde een bedrag van € 1.600,27 voor rekening van [eisers] te blijven. [eisers] hebben uit hoofde van deze lease-overeenkomst een bedrag van € 5.445,36 aan Dexia betaald.

Nadeel lease-overeenkomst III

7.14. Het totale nadeel (de verschuldigde termijnen plus de restant hoofdsom minus de verkoopwaarde van de effecten) bedraagt € 17.601,46. Daarvan dient 20% zijnde een bedrag van € 3.520,29 voor rekening van [eisers] te blijven. [eisers] hebben uit hoofde van deze lease-overeenkomst een bedrag van € 11.979,80 aan Dexia betaald.

Nadeel lease-overeenkomst IV

7.15. Het totale nadeel (de verschuldigde termijnen plus de restant hoofdsom minus de verkoopwaarde van de effecten) bedraagt € 2.077,59. Daarvan dient 20% zijnde een bedrag van € 415,52 voor rekening van [eisers] te blijven. [eisers] hebben uit hoofde van deze lease-overeenkomst een bedrag van € 4.753,20 aan Dexia betaald. Gelet op de door hen ontvangen dividenden van € 402,64 hebben [eisers] per saldo € 4.350,56 (€ 4.753,20 -

€ 402,64) aan Dexia betaald.

Uit het voorgaande volgt dat voor rekening van Dexia komt:

I: € 3.845,09 (€ 5.445,36 - € 1.600,27);

II: € 3.845,09 (€ 5.445,36 - € 1.600,27);

III: € 8.459,51 (€ 11.979,80 - € 3.520,29);

IV: € 3.945,04 (€ 4.350,56 - € 415,52);

Vorenstaande leidt tot de conclusie dat Dexia een bedrag van € 20.084,63 (€ 3.845,04 + € 3.845,04 + € 8.459,51 + € 3.935,04 ) aan [eisers] verschuldigd is. Nu [eisers] echter in 1999 € 2.548,= aan rente in aftrek hebben gebracht, zal een bedrag van € 944,= als fiscaal voordeel worden aangemerkt. Dexia wordt derhalve veroordeeld om aan [eisers] een bedrag van € 19.140,63 ( € 20.084,63 - € 944,=) te voldoen.

Wettelijke rente

7.16. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter kan Dexia hierin niet volgen. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens te worden uitgegaan van de data waarop [eisers] de betalingen aan Dexia hebben verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA 5684). De kantonrechter gaat ervan uit dat de vooruitbetaalde bedragen uit hoofde van lease-overeenkomst I, II en III zijn voldaan een maand na het aangaan van de lease-overeenkomsten, derhalve op 1 november 1999. Voorts gaat de kantonrechter ervan uit dat het vooruitbetaalde bedrag uit hoofde van lease-overeenkomst IV voldaan is op 1 juli 2002.

De wettelijke rente wordt derhalve over € 15.205,59 (€ 3.845,04 + € 3.845,04 + € 8.459,51 - € 944,= ) toegewezen vanaf 1 november 1999 en over € 3.935,04 vanaf 1 juli 2002.

Ontbinding

7.17. De door [eisers] gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomsten wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [eisers] hebben derhalve bij deze vordering geen belang.

Buitengerechtelijke kosten

7.18. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen nu ter zitting is gebleken dat het gevorderde bedrag de eigen bijdrage behelst. Derhalve is onvoldoende gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak.

BKR-registratie

7.19. Nu [eisers] ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer zullen hebben, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen in dier voege dat Dexia zal worden veroordeeld het BKR te berichten dat [eisers] geen verplichtingen meer uit de onderhavige lease-overeenkomsten hebben. Voorts zal de gevorderde dwangsom worden gematigd.

Vordering in reconventie

7.20. Uit het voorgaande volgt dat de door Dexia ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen. De in verband daarmee gestelde gronden, feiten en omstandigheden zijn verdisconteerd in het oordeel in conventie omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen parttijen hebben te gelden.

Proceskosten

7.21. Gelet op de uitslag van de procedure in conventie en in reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en reconventie. De kosten in reconventie zullen evenwel op nihil begroot worden, nu het debat in reconventie (vrijwel) geheel samenvalt met dat in conventie.

7.22. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt Dexia om aan [eisers] te betalen € 19.140,63 vermeerderd met de wettelijke rente berekend over € 15.205,59 vanaf 1 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening en berekend over € 3.935,04 vanaf 1 juli 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers]

gevallen, tot op heden begroot op:

te betalen aan [eisers]

voor verschuldigd griffierecht € 49,00

te betalen aan de griffier van de Rechtbank

voor verschuldigd griffierecht € 147,00

voor het exploot van dagvaarding € 84,87

voor salaris van gemachtigde € 750,00

-------------------

In totaal € 1.030,87

III. veroordeelt Dexia om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de onderhavige overeenkomst meer hebben, op straffen van een dwangsom van € 100,- tot een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 10.000,- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer en anders gevorderde;

in reconventie

VI. wijst de vordering af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2007 (bij vervroeging) in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter