Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB4614

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
13/129102-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OM niet-ontvankelijk wegens schending van artikel 6 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 373
NBSTRAF 2007/373

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/129102-99

Datum uitspraak: 6 september 2007

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], en aldaar feitelijk verblijvend.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2007.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

2.1. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte, bij wijze van preliminair verweer, betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu de tekst van de telastelegging een andere is dan de tekst zoals die oorspronkelijk luidde. Naar het oordeel van de raadsman is dit niet toegestaan, aangezien het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 mei 2005 de zaak in zijn geheel – dus met de telastelegging zoals die destijds luidde – heeft verwezen naar de rechtbank ter afdoening, met inachtneming van de uitspraak van het gerechtshof.

2.2. De rechtbank zal zich niet uitlaten over dit verweer, nu verdachte – gelet op de verdere inhoud van dit vonnis – daarbij geen belang meer heeft.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.3. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte, eveneens bij wijze van preliminair verweer, betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, hetgeen dient te leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het vonnis in eerste aanleg van 4 november 1999 pas in juli 2002 aan verdachte is betekend, terwijl daartoe eerder mogelijkheden bestonden aangezien, zoals ook blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte, verschillende zaken tegen hem hebben gediend. Nadat verdachte – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis, heeft het gerechtshof pas op 3 mei 2005 arrest gewezen waarin de zaak naar de rechtbank werd verwezen. De zaak stond vervolgens geappointeerd op de terechtzitting van 20 april 2006, maar die dagvaarding werd ingetrokken. Het verhoor van verdachte heeft uiteindelijk plaatsgevonden, tien jaar nadat de feiten gepleegd zijn. Dat het zolang heeft geduurd voordat verdachte thans in eerste instantie terechtstaat, is niet aan verdachte te wijten. Bij de afweging dient ook de leeftijd van verdachte een rol te spelen, aldus de raadsman. De raadsman wijst tenslotte nog op de gevolgen voor de rechtspositie van verdachte, nu het horen van getuigen na tien jaar niet veel zin meer zal hebben.

2.4. Dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, in deze zaak is overschreden staat niet ter discussie, maar dit gegeven alleen leidt in het onderhavige geval nog niet tot het het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging. De rechtbank is echter van oordeel dat er, gezien de hierna te noemen omstandigheden, sprake is van een zodanige schending van artikel 6 EVRM dat dit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg heeft.

2.5. De telastegelegde feiten zijn inmiddels tien jaar oud en de termijnoverschrijding is ernstig. Ervan uitgaande dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang neemt op 26 april 1999, zoals ook de officier van justitie ter terechtzitting heeft betoogd, de dag van de (destijds nog zo geheten) huiszoeking in de woning van verdachte en zijn beoogde aanhouding, is de redelijke termijn die de Hoge Raad in zijn arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, op twee jaar stelt, overschreden met ruim zes jaren. De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden niet redelijk de duur van de eerdere procedure bij de rechtbank (die heeft geleid tot een veroordeling bij verstek) en die van de procedure bij het gerechtshof (die heeft geleid tot het nietig verklaren van het vonnis omdat – samengevat – de raadsvrouw van verdachte ten onrechte niet was opgeroepen) daarop in mindering te brengen. De zaak is verder niet dusdanig ingewikkeld dat dit enige termijnoverschrijding zou rechtvaardigen. De geconstateerde termijnoverschrijding is tot slot niet aan verdachte te wijten.

2.6. Na het instellen van het hoger beroep door verdachte op 22 juli 2002 heeft het ruim 2 jaar en 9 maanden geduurd voordat het gerechtshof in de zaak besliste en terugverwees naar de rechtbank. Het openbaar ministerie heeft nadien niet voortvarend genoeg gehandeld, aangezien de zaak pas heden, 2 jaar en 4 maanden na verwijzing, ter terechtzitting aanhangig is gemaakt. Eén en ander terwijl het om zeer ernstige feiten gaat, zoals het openbaar ministerie in 1999 in eerste aanleg ook tot uiting heeft willen brengen door middel van een strafeis van 4 jaren gevangenisstraf. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat verdachte eerder is gedagvaard voor de terechtzitting van 20 april 2006. Die dagvaarding is echter door de officier van justitie één dag voor de zitting ingetrokken.

Hier komt nog bij dat het dossier na al die jaren nog steeds als onvolledig moet worden beschouwd. De verklaringen van de medeverdachten ontbreken. En bovendien – en de rechtbank rekent dat de officier van justitie aan – is verdachte nimmer aangehouden en is hij pas op 5 juli 2007 voor het eerst verhoord, terwijl van verdachte destijds een adres bekend was en hij op tapgesprekken naar voren kwam. Dit levert een schending op van de beginselen

van behoorlijke procesorde, die vergen dat het openbaar ministerie in dat opzicht inspanningen had verricht, waarvan niet is gebleken. Doordat verdachte pas op 5 juli 2007, ongeveer tien jaar na de telastegelegde feiten, is verhoord, heeft hij niet effectief gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten die onder meer inhouden dat een verdachte zich in een zo vroeg mogelijk stadium moet kunnen verweren tegen de jegens hem bestaande verdenkingen. Meer in het bijzonder staat het in artikel 6 lid 3 onder d van het EVRM genoemde recht tot het horen van getuigen op gespannen voet met de geschetste gang van zaken.

2.7. Concluderend is in de tegen verdachte lopende procedure als geheel, zodanig onzorgvuldig met diens belangen omgesprongen, dat de schending van artikel 6 EVRM van dien aard is dat niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie de enige juiste sanctie is.

2.8. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Piena, voorzitter,

mrs. C.P. Bleeker en J.Th.H. Zimmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2007.