Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB4541

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
01-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/2340 en AWB 07/2268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het besluit tot goedkeuring van drie typen stemmachines is genomen in strijd met de wet. Van één type is het prototype niet goedgekeurd. Met betrekking tot de andere typen is bij de aanvraag om goedkeuring ten onrechte geen (nieuwe) verklaring van de aangewezen keuringsinstelling gevoegd dat de stemmachines in overwegende mate overeenstemmen met de prototypen. Niet verweerder of de leverancier, maar de keuringsinstelling moet beoordelen of sprake is van geringe aanpassingen. Aan de goedkeuring is daarnaast in strijd met de wet een voorwaarde verbonden. De Staatssecretaris moet op voldoende controleerbare wijze inzichtelijk maken dat hij bij de besluitvorming de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Daarvoor is inzage in de onderzoeksrapporten van de keuringsinstelling noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/2268 en 07/2340

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

de stichting “[de stichting]”,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

tegen

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (als rechtsopvolger van de Minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties),

verweerder.

Aan het geding hebben als partijen deelgenomen [belanghebbende partij A]’, gevestigd te Groenlo, (hierna: [belanghebbende partij A]) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente Utrecht).

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de Minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) op aanvraag van [belanghebbende partij A] de elektronische stemmachines van de typen ES3B met sofwareversie 2.12, ESN1 met softwareversie 4.01 en ESD1NL met softwareversie 3.02 goedgekeurd voor gebruik bij verkiezingen.

Verweerder heeft het hiertegen door verzoekster gemaakte bezwaar bij besluit van

10 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Verzoekster heeft bij brief van 18 augustus 2007 tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij bij brief van

31 augustus 2007 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 21 september 2007, waar verzoekster zich heeft laten vertegenwoordigen door

[vertegenwoordiger de stichting A] en [vertegenwoordiger de stichting B]. Verweerder is verschenen bij gemachtigde

mr. A.J. Boorsma. Namens [belanghebbende partij A] is verschenen [vertegenwoordiger belanghebbende partij A] en de gemeente Utrecht heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger gemeente Utrecht A] en [vertegenwoordiger gemeente Utrecht B].

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geding aan de orde zijn geweest meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3. Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel J 33, eerste lid, van de Kieswet vindt het stemmen anders dan door middel van stembiljetten alleen plaats, indien daarbij overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur gestelde nadere regels een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurde techniek wordt gebezigd.

Ingevolge artikel J 33, tweede lid, van de Kieswet wordt aan een techniek als vorenbedoeld alleen dan goedkeuring verleend, indien deze tenminste aan de volgende eisen voldoet:

a. het geheime karakter van de stemming moet zijn gewaarborgd, ook indien de kiezer geen keuze wenst te maken;

b. de te bezigen apparatuur dient van degelijke makelij te zijn en moet door de kiezer op eenvoudige wijze en zonder gevaar voor storingen of onvolkomen werking kunnen worden bediend;

c. de kandidatenlijsten, het aan elke lijst toegekende nummer en de aanduiding van de politieke groepering, moeten op duidelijke wijze kunnen worden vermeld;

d. de kiezer moet zijn stem slechts éénmaal kunnen uitbrengen en moet de gelegenheid hebben een gemaakte vergissing te herstellen.

Ingevolge artikel J 33, derde lid, van de Kieswet kunnen aan de goedkeuring voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel J 33, vierde lid, van de Kieswet wordt van de goedkeuring mededeling gedaan in de Staatscourant.

Ingevolge artikel J 14, eerste lid, van het Kiesbesluit mag een elektronische stemmachine slechts bij de verkiezingen worden gebruikt, indien zij zonder enige afwijking behoort tot een door de Minister goedgekeurd merk en type.

Ingevolge artikel J 14, tweede lid, van het Kiesbesluit wordt de goedkeuring verleend indien de stemmachine voldoet aan de eisen die gesteld worden in artikel J 33, tweede lid, van de Kieswet, artikel J 14b en de Ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, en is voorzien van een deugdelijke gebruiksaanwijzing voor de kiezer.

Ingevolge artikel J 14, derde lid, van de Kieswet is de Minister bevoegd een verleende goedkeuring in te trekken.

Ingevolge artikel J 14, vierde lid, van de Kieswet worden bij ministeriële regeling geregeld:

a. de procedure met betrekking tot de goedkeuring van de stemmachines;

b. de nadere voorwaarden waaronder de goedkeuring van stemmachines voor gebruik bij de verkiezingen wordt verleend;

c. de gronden waarop een verleende goedkeuring kan worden ingetrokken;

d. de procedure met betrekking tot de intrekking van de goedkeuring.

Ingevolge artikel J 14a, eerste lid, van het Kiesbesluit mag een stemmachine slechts voor meer dan één stemming tegelijkertijd worden gebruikt, indien de Minister de stemmachine voor dit gebruik heeft goedgekeurd. Het besluit tot goedkeuring vermeldt het maximale aantal stemmingen dat met de stemmachine tegelijkertijd mag worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel J 14a, tweede lid, van het Kiesbesluit kan de Minister voorwaarden verbinden aan de goedkeuring.

Ingevolge artikel J 14a, derde lid, van het Kiesbesluit is artikel J 14, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 3 van de Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997 (hierna: de Regeling) kan een aanvraag voor de goedkeuring van een stemmachine voor het gebruik bij de verkiezingen eerst worden ingediend nadat het prototype van deze stemmachine door de Minister is goedgekeurd.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling legt de aanvrager bij de aanvraag voor de goedkeuring van het prototype van een stemmachine een verklaring over van een keuringsinstelling dat het prototype aan de in de Kieswet, het Kiesbesluit en de bijlage gestelde voorwaarden voor het gebruik van stemmachines bij de verkiezingen voldoet dan wel onder welke voorwaarden het prototype aan deze voorwaarden voldoet.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling kan de Minister voorwaarden verbinden aan de goedkeuring van het prototype.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Regeling legt de aanvrager bij de aanvraag voor de goedkeuring van een stemmachine voor gebruik bij de verkiezingen een verklaring over van een keuringsinstelling dat een exemplaar van de stemmachine, gekozen uit een door de aanvrager aan de keuringsinstelling ter beschikking gesteld aantal van ten minste tien stuks, in voldoende mate met het prototype overeenstemt dan wel voldoet aan de voorwaarden waaronder het prototype is goedgekeurd.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Regeling wordt van de goedkeuring van de stemmachine voor het gebruik bij de verkiezingen mededeling gedaan in de Staatscourant.

Ingevolge artikel 8 van de Regeling kan bij geringe aanpassingen van een voor gebruik bij de verkiezingen goedgekeurde stemmachine die het prototype niet wezenlijk aantasten de aanvrager volstaan met een goedkeuring van de stemmachine, als bedoeld in artikel 5.

4. De Minister heeft bij besluit van 2 maart 2007 goedkeuring verleend aan de stemmachines van de typen ES3B met softwareversie 2.12, ESD1NL met softwareversie 3.02 en ESN1 met softwareversie 4.01 voor het gebruik bij verkiezingen zowel voor de wijze van stemmen als bedoeld in artikel J 14b, eerste lid, onder a, van het Kiesbesluit als voor de wijze van stemmen als bedoeld in artikel J 14b, tweede lid, van het Kiesbesluit. Tevens heeft hij goedgekeurd de stemmachines van de typen ES3B met softwareversie 2.12 en ESD1NL met softwareversie 3.02 voor gebruik bij twee stemmingen tegelijkertijd en de stemmachine van het type ESN1 met softwareversie 4.01 voor het gebruik bij vijf stemmingen tegelijkertijd, uitsluitend voor de wijze van stemmen als bedoeld in artikel

J 14b, eerste lid, onder a, van het Kiesbesluit. De goedkeuring geldt voor de Provinciale Statenverkiezingen van 7 maart 2007 en voor zolang de voorwaarden en eisen zoals vermeld in de Regeling ongewijzigd blijven. Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

5. Verzoekster kan zich met laatstgenoemd besluit niet verenigen. Zij acht het goedkeuringsbesluit niet in overeenstemming met de Regeling en heeft daartoe een aantal, nog nader te noemen, gronden aangevoerd. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit en het daaronder liggende goedkeuringsbesluit wordt geschorst. Zij wil aldus voorkomen dat de stemmachines hangende de beroepsprocedure bij verkiezingen worden gebruikt. De eerstvolgende gelegenheid waarbij de stemmachines zullen worden ingezet is het burgemeestersreferendum in de gemeente Utrecht op 10 oktober 2007.

6. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast - en dat is ook niet in geschil - dat verzoekster, gelet op haar statutaire doelomschrijving, als belanghebbende bij het bestreden besluit is aan te merken.

7. Zij ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verzoekster een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek tot schorsing van het in beroep bestreden besluit en het daaronder liggende goedkeuringsbesluit.

Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is, omdat de Kieswet niet rechtstreeks van toepassing is op referenda. Dat het voornemen bestaat om bij het burgemeestersreferendum in Utrecht op 10 oktober 2007 stemmachines te gebruiken, kan dus geen spoedeisend belang opleveren.

De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet. Ter zitting is gebleken dat bij het burgemeestersreferendum in Utrecht stemmachines van de typen ES3B en ESN1 van [belanghebbende partij A] zullen worden gebruikt. In artikel 12, derde lid, van de Referendumverordening gemeente Utrecht, die op 9 februari 2006 door de raad van de gemeente Utrecht is vastgesteld, is de Kieswet bij de organisatie en uitvoering van een referendum zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarmee is, gelet op de toelichting van de gemeente Utrecht ter zitting, ook beoogd de bepalingen omtrent de wijze van stemmen van overeenkomstige toepassing te doen zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er, gelet op het voorgaande, voor de gemeente Utrecht wel degelijk een verplichting bestaat om, als bij het burgemeestersreferendum met stemmachines wordt gestemd, ingevolge

artikel J 33 van de Kieswet goedgekeurde stemmachines te gebruiken. Daaraan doet geen afbreuk dat er voor de raad van de gemeente Utrecht geen verplichting bestond om de Kieswet in zijn referendumverordening van overeenkomstige toepassing te verklaren; de raad heeft dit immers feitelijk wel gedaan. Het argument dat de gemeente Utrecht niet verplicht is bij het burgemeestersreferendum stemmachines te gebruiken kan evenmin slagen. Ook artikel J 33 van de Kieswet verplicht niet tot het gebruik van elektronische stemmachines, maar bepaalt dat àls het stemmen anders dan door middel van stembiljetten plaatsvindt, daarvoor een goedgekeurde techniek moet worden gebezigd. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig. Dat de gemeente Utrecht mogelijk nog vóór de voorzieningenrechter uitspraak doet alsnog besluit om met stembiljetten te gaan stemmen, kan er niet toe leiden dat het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang moet worden afgewezen. Die beslissing zou de gemeente Utrecht bovendien nog tot 10 oktober 2007 kunnen herzien.

8. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de definitie van het begrip “stemmachine” in artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling onjuist heeft geïnterpreteerd, waardoor - onder meer - de bij de invoer van de kandidatenlijsten gebruikte hulpapparatuur en de software waarmee de uitslag van de stemming wordt berekend ten onrechte niet is gekeurd. Als gezegd zou moeten worden dat deze apparatuur niet onder het begrip “stemmachine” te brengen is, heeft een stemmachine niet alle ingevolge de Regeling vereiste functies en heeft verweerder stemmachines goedgekeurd die niet aan de wettelijke eisen voldoen.

9. Deze procedure heeft betrekking op een besluit op grond van artikel 5 van de Regeling tot goedkeuring van stemmachines van de typen ES3B, ESN1 en ESD1NL voor gebruik bij de verkiezingen. Een dergelijk goedkeuringsbesluit kan, ingevolge artikel 3 van de Regeling, worden genomen als de prototypen van de betreffende stemmachines door de Minister zijn goedgekeurd. De prototypen van de stemmachines van typen ES3B en ESN1 zijn bij besluiten van respectievelijk 6 januari 1998 en 23 januari 2006 goedgekeurd. Met betrekking tot het type ESD1NL is echter geen besluit tot goedkeuring van het prototype door verweerder genomen. Dit betekent dat dit type stemmachine niet goedgekeurd had mogen worden voor gebruik bij de verkiezingen. Het bestreden besluit is voor wat betreft de stemmachine van het type ESD1NL dus genomen in strijd met de artikelen J 33 van de Kieswet, J 14 van het Kiesbesluit en 3 van de Regeling. De namens verweerder ter zitting betrokken stelling dat uit een rapportage van de keuringsinstelling zou blijken dat het type ESD1 vrijwel overeenkomt met het prototype ES3B kan, wat er ook zij van deze stelling, niet slagen. Dit laat immers onverlet dat voor type ESD1 een prototypegoedkeuring ontbreekt.

10. Met betrekking tot de typen ES3B en ESN1 overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de vraag welke apparatuur en welke software onder het begrip stemmachine te brengen is, bij een aanvraag voor de goedkeuring van een stemmachine voor gebruik bij de verkiezingen niet aan de orde is. Deze beoordeling wordt, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Regeling, gemaakt bij de aanvraag voor de goedkeuring van het prototype van een stemmachine. Indien wordt verzocht om goedkeuring van een stemmachine voor gebruik bij de verkiezingen wordt, ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Regeling, uitsluitend beoordeeld of de stemmachine in voldoende mate met het prototype overeenstemt. De stelling van verzoekster dat niet alle onder het begrip stemmachine vallende hulpapparatuur en software onderwerp van keuring is geweest dan wel dat de goedgekeurde stemmachines niet aan alle in de Regeling genoemde vereisten voldoen, valt dus buiten de omvang van deze procedure. Deze gronden hadden slechts kunnen worden aangevoerd in een procedure naar aanleiding van de goedkeuring van de prototypen. In deze zaak kan de toets van de voorzieningenrechter niet verder strekken dan de beoordeling of verweerder ervan heeft kunnen uitgaan dat de stemmachines van de typen ES3B en ESN1 in voldoende mate overeenstemmen met de goedgekeurde prototypen.

11. Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat onduidelijk is waarom voorafgaand aan het vorige goedkeuringsbesluit van 17 november 2006 een verklaring van de keuringsinstelling [keuringsinstelling] is afgegeven in verband met wijzigingen aan de stemmachine, en voorafgaand aan het onderhavige goedkeuringsbesluit niet. Verweerder is niet eenduidig geweest in zijn verklaringen over wat er na 17 november 2006 nog aan de stemmachines is gewijzigd.

12. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat er na 17 november 2006 en voorafgaand aan het nemen van het goedkeuringsbesluit van 2 maart 2007 uitsluitend aanpassingen aan de verzegeling van de stemmachines hebben plaatsgevonden. Herkeuring was derhalve niet noodzakelijk, aldus verweerder in het bestreden besluit. De verklaring van [keuringsinstelling] van 8 november 2006 kon volgens verweerder als basis dienen voor het goedkeuringsbesluit van 2 maart 2007. In het verweerschrift heeft verweerder toegevoegd dat na 17 november 2006 tevens sprake is geweest van vervanging van programmeereenheden (PROM’s). Ook deze vervanging maakte volgens verweerder herkeuring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling niet noodzakelijk, omdat het uitsluitend om vervanging van onderdelen ging. Met betrekking tot de vervanging van de PROM’s is op 10 januari 2007 wel een conformiteitsverklaring afgegeven.

13. Ingevolge artikel J 14, eerste lid, van het Kiesbesluit mag een stemmachine slechts bij de verkiezingen worden gebruikt indien zij zonder enige afwijking behoort tot een door de Minister goedgekeurd merk en type. Artikel 5, eerste lid, van de Regeling bepaalt daartoe dat bij de aanvraag voor de goedkeuring van een stemmachine voor gebruik bij verkiezingen een verklaring dient te worden overgelegd dat een exemplaar van deze stemmachine in voldoende mate met het prototype overeenstemt. Artikel 8 van de Regeling schrijft voor dat als sprake is van geringe aanpassingen van een voor gebruik bij de verkiezingen goedgekeurde stemmachine die het prototype niet wezenlijk aantasten, de aanvrager kan volstaan met een goedkeuring van de stemmachine als bedoeld in artikel 5 van de Regeling. De voorzieningenrechter stelt aan de hand van deze bepalingen vast dat elke wijziging aan een stemmachine waarvan het prototype is goedgekeurd, moet leiden tot een nieuwe aanvraag om goedkeuring. Die aanvraag moet vergezeld gaan van een (nieuwe) verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling. Bij de aanvraag van [belanghebbende partij A] van

22 januari 2007 is geen nieuwe verklaring als hiervoor bedoeld overgelegd. Het standpunt van verweerder dat de verklaring van [keuringsinstelling] van 8 november 2006 ook bij de aanvraag van 22 januari 2007 kon dienen als verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling, omdat er sinds de verlening van de vorige goedkeuring op 17 november 2006 geen substantiële wijzigingen aan de stemmachines hebben plaatsgevonden, kan niet slagen. Niet in geschil is immers dat sedert de afgifte van de verklaring van [keuringsinstelling] van

8 november 2006 wel degelijk wijzigingen aan de stemmachines hebben plaatsgevonden. De verzegeling is aangepast en er zijn PROM’s vervangen. De vraag of die aanpassingen al dan niet zijn aan te merken als geringe aanpassingen als bedoeld in artikel 8 van de Regeling dient door de aangewezen keuringsinstelling te worden beoordeeld, en niet door verweerder of [belanghebbende partij A].

Verweerder heeft zich er op beroepen dat de verzegeling van een stemmachine geen aspect is waarop de Regeling betrekking heeft, zodat op die grond geen aanleiding bestond om opnieuw een verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling te vragen. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet. In artikel 8.6 van de bijlage bij de Regeling, waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaraan een stemmachine moet voldoen, is opgenomen: “De stemmachine kan voor zover als redelijkerwijs technisch mogelijk is de mogelijkheden van toevallig of opzettelijk foutief gebruik vermijden of beperken.” De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de wijze van verzegeling van de stemmachine in dat verband van belang kan zijn. Zij vindt daarvoor steun in de verklaring van [keuringsinstelling] van 8 november 2006, die is afgegeven in verband met wijzigingen aan de verzegeling en het vervangen van EPROM’s door PROM’s.

De voorzieningenrechter komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat het goedkeuringsbesluit is genomen in strijd met de artikelen J 14 van het Kiesbesluit en 5, eerste lid, van de Regeling.

14. De ter zitting door verweerder aangevoerde stelling dat [keuringsinstelling] in het aan de verklaring van 8 november 2006 ten grondslag liggende onderzoeksrapport 06-RPT-158 “Keuring van de [belanghebbende partij A] stemmachines met nieuwe PROM’s en verzegeling” uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de wijze van verzegeling geen invloed heeft op het functioneren van de stemmachine, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit kan er immers geen afbreuk aan doen dat - zoals hiervoor toegelicht - elke aanpassing aan een stemmachine tot een nieuwe aanvraag om goedkeuring moet leiden, met daarbij een nieuwe verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid van de Regeling. In de Regeling is geen steun te vinden voor het standpunt dat dit alleen noodzakelijk zou zijn bij aanpassingen die invloed hebben op de wijze van functioneren van de stemmachine.

15. De voorzieningenrechter merkt bovendien op dat zij vorenbedoelde stelling niet heeft kunnen verifiëren aan de hand van het onderzoeksrapport. Verweerder heeft dit rapport niet ingebracht in de procedure, ook niet nadat de voorzieningenrechter daarom uitdrukkelijk had verzocht. Verweerder heeft meegedeeld dat hij niet over het rapport beschikt. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat de aanvrager op grond van de Regeling uitsluitend een verklaring van de keuringsinstelling behoeft over te leggen, en dat verweerder dus niet over het onderliggende onderzoeksrapport behoeft te beschikken. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat verweerder van mening is dat het onderzoeksrapport niet tot de op het geding betrekking hebbende stukken behoort. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet. Verweerder heeft het goedkeuringsbesluit immers gebaseerd op de verklaring van [keuringsinstelling] van 8 november 2006 en zich in beroep uitdrukkelijk op het onderliggende onderzoeksrapport beroepen. Dat de Regeling alleen een verklaring van de keuringsinstelling vereist, maakt dit niet anders. Een besluit inzake goedkeuring dient aan de in de Kieswet, het Kiesbesluit en de Regeling opgenomen vereisten te voldoen, maar dient daarnaast zorgvuldig te worden voorbereid, zoals artikel 3:2 van de Awb voorschrijft. Verweerder dient zich er in dat kader van te vergewissen dat de keuringsinstelling bij het opmaken van de in de Regeling bedoelde verklaring op zorgvuldige wijze te werk is gegaan. Dit kan hij niet op grond van de verklaring zelf, nu daarin uitsluitend de conclusie van de keuringsinstelling is opgenomen. Verweerder dient dus aan de hand van het aan de verklaring ten grondslag liggende onderzoeksrapport vast te stellen op welke wijze het tot stand gekomen is, of de feitenvaststelling voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en of de vastgestelde feiten de conclusie kunnen dragen. In procedures als de onderhavige moet verweerder vervolgens op voldoende controleerbare wijze inzichtelijk kunnen maken dat hij bij de besluitvorming de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Dat kan alleen als de rechter over het onderliggende onderzoeksrapport kan beschikken.

Aan het niet overleggen van het onderzoeksrapport behoeven geen consequenties te worden verbonden, omdat in rechtsoverwegingen 9. en 13. al besloten ligt dat het bestreden besluit geen stand kan houden.

16. Met betrekking tot de aan de goedkeuring verbonden voorwaarde dat de goedkeuring in elk geval geldt voor de Provinciale Statenverkiezingen van 7 maart 2007 en voor zolang de voorwaarden en eisen zoals vermeld in de Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines ongewijzigd blijven, overweegt de voorzieningenrechter wel nog als volgt.

17. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op grond van de Regeling niet bevoegd is tot het afgeven van een tijdelijke goedkeuring. De voorzieningenrechter onderschrijft dat standpunt, nu de Kieswet, het Kiesbesluit en de Regeling geen grondslag bieden voor het geven van een tijdelijke goedkeuring. De aan het onderhavige goedkeuringsbesluit verbonden voorwaarde maakt de goedkeuring echter niet tijdelijk. Als de Regeling ongewijzigd blijft, blijft de goedkeuring immers zonder beperking in de tijd van kracht. Wel is sprake van een voorwaardelijke goedkeuring. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven zich ook daarmee niet te kunnen verenigen.

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de in het goedkeuringsbesluit opgenomen voorwaarde niet aan de goedkeuring had mogen verbinden. Het verlenen van een voorwaardelijke goedkeuring is alleen mogelijk als daarvoor grondslag te vinden is in de toepasselijke regelgeving. Die grondslag ontbreekt in het onderhavige geval, zoals blijkt uit het hierna volgende.

In artikel J 33 van de Kieswet is bepaald in welke gevallen goedkeuring van de techniek als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen aan de goedkeuring voorschriften worden verbonden. In de Memorie van Toelichting is daaromtrent aangegeven “Aan de goedkeuring kunnen nadere, op de betreffende techniek toegespitste voorschriften worden verbonden” (Kamerstukken 20 264, nr. 3, p. 51). De in artikel J 33 van de Kieswet opgenomen mogelijkheid tot het stellen van voorschriften kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus enkel betrekking hebben op de goedkeuring van de techniek en dus van het prototype. De Regeling is daarmee in overeenstemming. Deze kent geen bepalingen die verweerder de bevoegdheid geven voorwaarden te verbinden aan de goedkeuring van de stemmachines voor gebruik bij de verkiezingen. Wel kunnen, ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling, voorwaarden worden verbonden aan de goedkeuring van het prototype. Uit de toelichting bij de Regeling blijkt dat beoogd is het stellen van voorwaarden uitsluitend mogelijk te maken voor zover deze zien op de techniek van het prototype.

Dat ingevolge artikel J 14a, tweede lid, van het Kiesbesluit aan de goedkeuring van een stemmachine voor gebruik voor meer dan één stemming tegelijkertijd voorwaarden kunnen worden verbonden, maakt dit niet anders. Nu artikel J 14 van het Kiesbesluit de mogelijkheid tot het stellen van voorwaarden niet kent, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de voorwaarden waarop in artikel J 14a, tweede lid, van het Kiesbesluit wordt gedoeld, betrekking moeten hebben op het gebruik van de machine voor meer dan één stemming tegelijkertijd. De onderhavige voorwaarde heeft daarop geen betrekking en had dus niet gesteld mogen worden. De voorzieningenrechter wijst er nog op dat het doel dat verweerder met de voorwaarde nastreeft, namelijk vastleggen dat na inwerkingtreding van een nieuwe regeling de goedkeuringen met toepassing van de Regeling hun kracht zullen verliezen, ook kan worden bereikt door in een eventuele nieuwe regeling overgangsbepalingen op te nemen.

19. Gelet op al het voorgaande is het besluit tot goedkeuring van de stemmachines genomen in strijd met de artikelen J 33 van de Kieswet en J 14 en J 14a van het Kiesbesluit en met de Regeling. Het bestreden besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar van verzoekster kan dus niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal dit besluit vernietigen. Nu er, gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, rechtens geen andere beslissing mogelijk is dan herroeping van het genomen goedkeuringsbesluit van 2 maart 2007, zal de voorzieningenrechter deze beslissing met toepassing van artikel 8;72, vierde lid, van de Awb zelf nemen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 juli 2007.

20. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding, nu het goedkeuringsbesluit wordt herroepen. De goedkeuring van de stemmachines komt dus te vervallen.

21. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van verweerder van 2 maart 2007;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan verzoekster het griffierecht ten bedrage van € 570,00 (tweemaal

€ 285,00) voldoet.

Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2007 door mr. M.A.J. Berkers, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.