Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB4132

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/2845, 07/2846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onderzoeksplicht naar zorgbehoefte / voorlopige voorziening afgewezen

Verweerder heeft de aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande afgewezen omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer. Verzoeker heeft primair aangevoerd dat hij geen gezamenlijke huishouding voert met zijn broer, subsidiair dat hij zorgbehoeftig is. De GGD heeft in haar advies geconcludeerd dat verzoeker is staat wordt geacht voor zichzelf te kunnen zorgen. Verzoeker is van mening dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechter is evenwel van oordeel dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voor de conclusie dat het onderzoek naar verzoekers zorgbehoefte onzorgvuldig is geweest bestaat geen aanleiding. Bovendien stelt verzoeker zich op het standpunt onafhankelijk te zijn van broer hetgeen moeilijk te rijmen valt met het bestaan van een zorgbehoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 07/2845 WWB en AWB 07/2846 WWB

van:

[Eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M.E. Mungroop,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.M. de Jong-A-Kiem.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 16 juli 2007 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoeker van 16 juli 2007, gericht tegen het besluit van verweerder van 10 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 23 augustus 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de rechter, wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting in de voorlopige voorzieningszaak redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Verzoeker heeft op 10 november 2006 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.

Bij besluit van 20 december 2006 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer.

Tegen het primaire besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt.

Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat gebleken is dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer [broer]. Naar aanleiding van verzoekers stelling dat hij verzorgingsbehoeftig is, heeft verweerder advies ingewonnen bij de GGD Amsterdam. Uit dit advies is naar voren gekomen dat er bij verzoeker weliswaar lichte beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan, maar dat verzoeker ondanks deze beperkingen toch in staat wordt geacht voor zichzelf te kunnen zorgen. Voorts is verweerder niet van zwaarwegende gronden gebleken op grond waarvan verweerder van het medische advies zou moeten afwijken. Gelet op de deskundigheid van de GGD ziet verweerder voorts geen aanleiding om een second opinion aan te vragen omtrent de zorgbehoefte van verzoeker. Tenslotte neemt de omstandigheid dat verzoeker in het verleden een bijstandsuitkering heeft genoten onder dezelfde omstandigheden niet weg dat verweerder, bij de behandeling van de aanvraag van 10 november 2006, opnieuw aan de hand van de ten tijde van die aanvraag bekende feiten en omstandigheden moet beoordelen of verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering en de aanvraag kan afwijzen.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verzoeker heeft -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Primair is er geen sprake is van gezamenlijke huishouding aangezien:

- verzoeker een vast bedrag per maand aan zijn broer betaalt, die al zijn financiële zaken regelt;

- verzoeker slechts op het huurcontract staat om hem een sterkere positie te verschaffen indien zijn broer wegvalt;

- de inboedel overwegend van zijn broer is;

- verzoeker en zijn broer weinig samen doen.

Subsidiair is er sprake van een zorgrelatie. Verzoeker kan niet zelfstandig wonen ten gevolge van zwaar hoofdletsel. Hij is het niet eens met de conclusie uit het advies van de GGD. Ten eerste zijn de stukken waarop de deskundige zich heeft gebaseerd gedateerd, het meest recente stuk 8 jaar oud is. Voorts merkt verzoeker op dat zijn klachten niet lichamelijk zijn en dat de deskundige om die reden niet slechts op basis van een lichamelijk onderzoek en een gesprekje de conclusie had mogen trekken dat verzoeker niet verzorgingsbehoeftig is. Verzoeker is dan ook van mening dat nader onderzoek door een psychiater of neuroloog had moeten plaatsvinden. Nu verzoeker niet over de financiële middelen beschikt om zelf een deskundige in te schakelen verzoekt hij de rechtbank een medische deskundige op het gebied van psychiatrie te benoemen. Tenslotte heeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel de uitkering afgewezen. Verzoeker wijst daarbij op het feit dat hij in de 3,5 jaar dat hij een WWB-uitkering geniet vaker huisbezoeken heeft gehad van verweerder en dat zijn thuissituatie, die al die tijd hetzelfde is geweest, nooit eerder problemen heeft opgeleverd.

De rechter overweegt als volgt.

Ter beoordeling ligt voor of verweerders besluit van 10 juli 2007 in rechte stand zal kunnen houden en of, als die conclusie negatief is, aanleiding bestaat om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen hem en zijn broer overweegt de rechter het volgende.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een ‘gezamenlijke huishouding’ sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid van de WWB moet aan twee criteria zijn voldaan wil sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, te weten - samengevat - het gezamenlijke hoofdverblijf en de wederzijdse zorg.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf op het adres [adres] te Amsterdam zodat aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van wederzijdse verzorging, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang. Vastgesteld moet slechts worden of sprake is van wederzijdse zorg. De wederzijdse zorg kan volgens vaste rechtspraak van de CRvB blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. Voor de beoordeling van de wederzijdse zorg is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Zie bijvoorbeeld CRvB, 8 mei 2001, LJN: AJ9789.

De rechter is van oordeel dat er sprake is van een zodanige wederzijdse zorg dat de grens is overschreden van hetgeen gebruikelijk is in een louter zakelijke relatie. De rechter acht daarbij van belang, dat uit de rapportage van 13 december 2006 blijkt dat verzoeker heeft verklaard dat zijn broer zijn administratie voor hem regelt, dat ze in dezelfde kamer slapen, dat de kleding gezamenlijk wordt gewassen, dat de spullen in de woning van hen beiden zijn en dat hij normaal gesproken ongeveer € 200,- aan zijn broer betaalt, die hier diverse rekeningen van betaalt, maar dat zijn broer de afgelopen vijf maanden alle kosten voor hem heeft betaald omdat hij geen geld had. Naar het oordeel van de rechter is er op grond van het bovenstaande sprake van een gezamenlijke huishouding tussen verzoeker en zijn broer.

Voor zover verzoeker zich beroept op de uitzondering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB overweegt de rechter het volgende.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij niet afhankelijk is van zijn broer. Niet alleen heeft hij gesteld dat hij met zijn broer geen gezamenlijke huishouding voert, verzoeker heeft ook door middel van een in beroep overgelegde brief van zijn huisarts benadrukt dat hij alleen wil gaan wonen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde onafhankelijkheid van verzoeker moeilijk te rijmen valt met zijn standpunt dat verweerder onvoldoende dan wel onzorgvuldig onderzoek heeft laten doen naar de zorgbehoefte van verzoeker op grond waarvan verweerder volgens verzoeker ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Gelet op deze proceshouding en in aanmerking genomen de inhoud van het advies van de GGD, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er bij verzoeker geen sprake is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB.

De rechter ziet dan ook geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen.

Met betrekking tot verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de rechter op dat uit vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat een beroep op dit beginsel slechts wordt toegekend indien er sprake is van een uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezegging, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Daarnaast is verweerder niet gehouden een in het verleden gemaakte fout te blijven herhalen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 augustus 2004, LJN: AQ7026.

Voorts is de rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak, geregistreerd onder nummer AWB 07/2846 WWB geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Op grond van vorenstaande omstandigheden heeft verweerder terecht kunnen aannemen dat verzoeker samen met zijn broer een gezamenlijke huishouding vormt. Nu er voorts geen sprake is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft verzoeker derhalve niet als zelfstandig subject recht op bijstand en heeft verweerder de bijstandsaanvraag van verzoeker voor een alleenstaande terecht afgewezen.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten ziet de rechter geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2007 door mr. B.E. Mildner, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.M. Schipper, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak, voor zover deze het oordeel in de hoofdzaak (reg.nr. AWB 07/2846 WWB) betreft, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: C