Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3936

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
331059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mededingingsrecht, merkbare beperking van de mededinging? misbruik van economische machtspositie? afbakening product- en geografische markt

art. 6 lid 1 Mw, art. 24 lid 1 Mw

In 2003 is ARN gestart met een nieuw project, genaamd “project Vloeistofvrijmaken”. Dit project behelst een operatie waarbij alle bij ARN aangesloten autodemontagebedrijven de mogelijkheid hebben een drooglegsysteem in hun bedrijf geïnstalleerd te krijgen. Doel van het project is op een snelle, veilige en schone manier te voldoen aan de verplichting alle vloeistoffen uit een auto te laten afvloeien of af te tappen, waarbij wordt voorkomen dat de vloeistoffen eerst in aparte olie- en andere tankjes moeten worden opgevangen en met karretjes door het bedrijf moeten worden gereden om vervolgens weer te worden gegoten in de opslagtanks. De Oostenrijkse fabrikant SEDA Environmental levert de apparatuur voor het drooglegsysteem. Hiertoe is ARN met SEDA een koopovereenkomst aangegaan.

ARN draagt in beginsel de aanschafkosten van de vloeistofaftapapparatuur alsmede van een groot deel van de installatie- en onderhoudskosten. In ruil voor het in bruikleen krijgen van de apparatuur ontvangt het desbetreffende garagebedrijf EUR 5,- per verwerkte auto minder aan te ontvangen verwijderingspremie. Het project had een voorziene levensduur van drie jaar, waarbij volgens begroting 90 autodemontagebedrijven per jaar zouden worden voorzien van de drooglegapparatuur.

Autoline, zelf leverancier van vloeistofaftapapparatuur, beticht ARN ervan met haar handelwijze in het kader van het project in strijd te handelen met de Mededingingswet.

De rechtbank komt echter tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat ARN in strijd heeft gehandeld met de artikelen 6 lid 1 en 24 lid 1 Mw.

De rechtbank gaat veronderstellenderwijs uit van een productmarkt voor verkoop, levering, verhuur, lease en/of installatie van vloeistofaftapapparatuur voor demontagebedrijven, zoals Autoline stelt. Als relevante geografische markt moet echter, anders dan Autoline stelt, (een deel van) de Europese Gemeenschap worden aangemerkt. Niet is komen vast te staan dat ARN met de haar verweten handelwijze de mededinging op de relevante Europese markt merkbaar (heeft) beperkt. Ook oordeelt de rechtbank dat Autoline onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat ARN in de relevante Europese markt aan de aanbod- en/of aan de vraagzijde ook daadwerkelijk een machtspositie inneemt, laat staan dat sprake is van het maken van misbruik van een dergelijke positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 331059 / HA ZA 05-3466

Vonnis van 19 september 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARE B.V., tevens handelend onder de naam AUTOLINE RECYCLING

EQUIPMENT B.V.,

gevestigd te Schijndel,

eiseres,

procureur mr. B.J.H. Crans,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTO RECYCLING NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. E.J. Henrichs.

Partijen zullen hierna Autoline en ARN genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord met bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 8 februari 2006,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek met bewijsstukken,

- de akte uitlating producties, tevens akte overlegging producties van Autoline,

- de akte uitlating producties van ARN.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 1993 is door de Nederlandse autobranche een vrijwillig verwijderingsysteem voor autowrakken opgezet door middel van de vorming van een netwerk van erkende autodemontage-recyclingbedrijven, genaamd ARN. Deelnemende partijen waren bij aanvang de RAI (autofabrikanten en importeurs van auto’s), BOVAG (garagebedrijven), FOCWA (schadeherstelbedrijven), STIBA (autodemontagebedrijven) en SVN (shredderbedrijven). SVN bestaat sinds 1997 niet meer.

2.2. Het economisch rendabel maken van het verwijderingsysteem gebeurt door het toekennen van een verwijderingspremie aan bij ARN gecontracteerde bedrijven voor uitgevoerde specifieke demontage- en recyclingactiviteiten die (nog) niet rendabel zijn. Deze premies worden betaald uit de opbrengsten van verwijderingsbijdragen die door de producenten en importeurs van auto’s worden gestort in een door de Stichting Auto & Recycling (hierna: SAR) beheerd fonds.

2.3. Aan de afdracht van de verwijderingsbijdrage ligt de tussen RAI enerzijds en de producenten en importeurs van de afdeling Auto’s van RAI anderzijds gesloten overeenkomst “Verwijderingsbijdrage 2000” ten grondslag. In deze overeenkomst is bepaald dat degene die een nieuwe auto aanschaft een verwijderingsbijdrage van EUR 45,- betaalt. De uitvoering van het recyclingsysteem is door SAR aan ARN opgedragen. De aandelen van ARN zijn volledig in handen van SAR.

2.4. In 2003 is ARN gestart met een nieuw project, genaamd “project Vloeistof-vrijmaken”. Dit project behelst een operatie waarbij alle bij ARN aangesloten autodemontagebedrijven de mogelijkheid hebben een drooglegsysteem in hun bedrijf geïnstalleerd te krijgen. Doel van het project is op een snelle, veilige en schone manier te voldoen aan de verplichting alle vloeistoffen uit een auto te laten afvloeien of af te tappen, waarbij wordt voorkomen dat de vloeistoffen eerst in aparte olie- en andere tankjes moeten worden opgevangen en met karretjes door het bedrijf moeten worden gereden om vervolgens weer te worden gegoten in de opslagtanks. De Oostenrijkse fabrikant SEDA Environmental levert de apparatuur voor het drooglegsysteem. Hiertoe is ARN met SEDA een koopovereenkomst aangegaan. De bij ARN aangesloten bedrijven krijgen vervolgens de mogelijkheid de drooglegapparatuur in bruikleen te verkrijgen, de eigendom blijft bij ARN.

ARN draagt in beginsel de kosten van de vloeistofaftapapparatuur alsmede van een groot deel van de installatie ervan. Na installatie stelt ARN de apparatuur ter beschikking aan het desbetreffende autodemontagebedrijf. Daarnaast zorgt ARN voor de uitvoering van het onderhoud, waarvan de kosten eveneens voor haar rekening komen. In ruil voor het in bruikleen krijgen van de apparatuur ontvangt het desbetreffende garagebedrijf EUR 5,- per verwerkte auto minder aan te ontvangen verwijderingspremie als bedoeld onder 2.2.

Het project had een voorziene levensduur van drie jaar, waarbij volgens begroting 90 autodemontagebedrijven per jaar zouden worden voorzien van de drooglegapparatuur.

2.5. Autoline is een onderneming die (gemodificeerde) (vloeistofaftap)apparatuur verkoopt zoals tankjes en wagentjes om vloeistoffen uit auto’s af te tappen en te transporteren binnen het bedrijf.

3. Het geschil

3.1. Autoline vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat alle overeenkomsten, betrekkelijk tot of verband houdende met de materie omschreven in het lichaam van de dagvaarding, die ARN heeft gesloten met de bedrijven genoemd onder punt 15 van de dagvaarding nietig zijn, althans subsidiair deze overeenkomsten nietig te verklaren;

II. voor recht te verklaren dat ARN door te handelen als nader omschreven in het lichaam van de dagvaarding onrechtmatig heeft gehandeld jegens Autoline;

III. ARN te veroordelen om alle schade zoals die door Autoline is geleden respectievelijk nog zal worden geleden door de handelwijze van ARN in het kader van het project “Vloeistofvrijmaken” aan Autoline te betalen, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2005 tot aan de dag der voldoening, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten begroot op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. alsmede ARN te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Autoline stelt hiertoe, samengevat, dat de handelwijze van ARN in het kader van het project “Vloeistofvrijmaken” onrechtmatig is jegens haar. ARN handelt in strijd met de artikelen 6 lid 1 en 24 lid 1 van de Mededingingswet (Mw). ARN beperkt volgens Autoline op ongeoorloofde wijze de mededinging en maakt misbruik van haar machtspositie. Bovendien handelt zij in strijd met de zorgvuldigheid die ARN tegenover haar concurrenten in het maatschappelijk verkeer in acht moet nemen, aldus Autoline.

3.3. ARN voert hiertegen verweer. Zij betwist kort samengevat dat zij onrechtmatig jegens Autoline heeft gehandeld en dat zij in strijd heeft gehandeld met enige mededingingsrechtelijke bepalingen.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

artikel 6 lid 1 Mw

4.1. Allereerst verwijt Autoline ARN dat zij in strijd met artikel 6 lid 1 Mw de mededinging beperkt met haar handelwijze inzake het project “Vloeistofvrijmaken”.

Het is in dit verband aan Autoline om te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat aan alle in artikel 6 lid 1 Mw genoemde voorwaarden is voldaan.

4.2. In dit verband is relevant dat ARN niet heeft betwist dat zowel ARN, als de ondernemingen met wie zij bruikleenovereenkomsten heeft gesloten, als ook de bedrijven met wie ARN in het kader van het project “Vloeistofvrijmaken” een samenwerking is aangegaan, ondernemingen zijn in de zin van artikel 6 lid 1 Mw. Ook de rechtbank zal hiervan uitgaan.

4.3. Artikel 6 lid 1 Mw verbiedt overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Blijkens hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting op de Mededingingswet sluit artikel 6 Mw zoveel mogelijk aan bij artikel 81 lid 1 EG Verdrag. Ten aanzien van de toepasselijkheid van het verbod van artikel 6 Mw dient derhalve ook in het onderhavige geval aansluiting te worden gezocht bij de beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

4.4. Ter beoordeling staat thans de vraag of sprake is van een merkbare beperking van de mededinging. Het gaat daarbij om de vraag of de bij het project betrokken overeenkomsten en/of feitelijke gedragingen van ARN in het kader van het project hetzij naar hun aard, hetzij in de concrete uitvoering een merkbare invloed hebben op de mededingingsstructuur op de relevante markt. Daarbij zal eerst de relevante product- en geografische markt moeten worden afgebakend.

Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat een relevante productmarkt alle producten en/of diensten omvat die op grond van hun kenmerken, prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd. De relevante geografische markt is het gebied in geografische zin waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen.

4.5. Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de relevante productmarkt beperkt is tot de markt voor verkoop, levering, verhuur, lease en/of installatie van vloeistofaftapapparatuur voor demontagebedrijven, zoals Autoline stelt, dient het ervoor te worden gehouden dat als relevante geografische markt (een deel van) de Europese Gemeenschap moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Autoline tegenover het gemotiveerde verweer van ARN dat de geografische markt de gehele EU beslaat, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de relevante markt zich beperkt tot Nederland. Zo is door Autoline niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat als gevolg van de richtlijn van 18 september 2000 (Richtlijn 2000/53/EG) betreffende autowrakken de eisen ten aanzien van het verwerken van deze autowrakken in de EU, alsmede de eisen die aan vloeistofaftapapparatuur worden gesteld, zijn geharmoniseerd, zodat in andere Europese landen ten opzichte van Nederland niet gesproken kan worden van duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden. Ook de omstandigheid dat SEDA, die net als Autoline in vloeistofaftapapparatuur handelt, in diverse Europese landen opereert, duidt op een potentieel ook voor Autoline aanwezige Europese afzetmarkt. De omstandigheid dat de autodemontagebranche in Nederland wat ontwikkeling betreft ver voor op de rest van Europa zou liggen en de verplichtingen tot het doen van investeringen in Nederland zwaarder zouden zijn dan in andere Europese landen, wat hier verder ook van zij, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat Autoline haar producten feitelijk alleen in Nederland zou kunnen afzetten, evenmin als de omstandigheid dat ARN wel heeft geprobeerd afzet te vinden in andere landen, maar geen voet aan de grond heeft kunnen krijgen. Ook de omstandigheid dat bij ARN uitsluitend in Nederland gevestigde autodemontagebedrijven kunnen deelnemen aan het project doet aan het vorenstaande niet af.

4.6. Vervolgens is aan de orde de vraag of ARN met de haar verweten handelwijze de mededinging op de relevante Europese markt merkbaar (heeft) beperkt. Ook indien weer wordt uitgegaan van een beperkte Europese markt voor verkoop, levering, verhuur, lease en/of installatie van vloeistofaftapapparatuur voor demontagebedrijven, heeft Autoline naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toegelicht waaruit de merkbare beperking van de mededinging op de relevante Europese markt bestaat. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, moet het ervoor worden gehouden dat de bij ARN aangesloten demontagebedrijven die gebruik maken van de drooglegapparatuur van SEDA in het kader van het project “Vloeistofvrijmaken” samen slechts een beperkte positie op de Europese markt innemen. Dit wordt bevestigd door de niet, althans onvoldoende betwiste stelling van ARN dat in de EU jaarlijks 8 tot 9 miljoen autowrakken worden gedemonteerd en verwerkt, waarvan ARN (slechts) zo’n 220.000 per jaar voor haar rekening neemt. Uit de stellingen van Autoline kan niet worden afgeleid dat ARN met het project de Europese markt voor verkoop, levering, verhuur, lease en/of installatie van vloeistofaftapapparatuur voor demontagebedrijven afsluit, althans de concurrentie in aanzienlijke mate uitsluit en de vrije mededinging in de EU zin in merkbare zin beperkt. Dat de bij ARN aangesloten demontagebedrijven tezamen mogelijk 90% van alle autowrakken in Nederland verwerken, indien al juist, zegt nog niets over het effect van de handelwijze van ARN in het kader van het project “Vloeistofvrijmaken” op de Europese markt.

4.7. Gelet op het vorenstaande is niet komen vast te staan dat ARN met haar handelwijze in het kader van het project Vloeistofvrijmaken in strijd heeft gehandeld met artikel 6 lid 1 Mw.

artikel 24 lid 1 Mw

4.8. Op grond van artikel 24 lid 1 Mw is het ondernemingen verboden misbruik te maken van een economische machtspositie. Onder een economische machtspositie wordt verstaan een positie van één of meerdere ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op (een wezenlijk deel van) de relevante markt, te verhinderen door hen de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.

4.9. Bij het beoordelen van de vraag of sprake is van het in strijd handelen met artikel 24 lid 1 Mw dienen, gelet op het vorenstaande, aan alle drie de elementen (de elementen onderneming, economische machtspositie en misbruik) te worden voldaan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet het geval.

4.10. Door Autoline zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat ARN in de relevante Europese markt aan de aanbod- en/of aan de vraagzijde ook daadwerkelijk een machtspositie inneemt, laat staan dat sprake is van het maken van misbruik van een dergelijke positie, zodat reeds daarom geen strijd met artikel 24 lid 1 Mw kan worden aangenomen. Dat de relevante markt de EU en niet Nederland bestrijkt, volgt uit het hiervoor onder 4.5 overwogene. Ook indien van een beperktere Europese markt voor levering, installatie en onderhoud van vloeistofaftapapparatuur voor demontagebedrijven wordt uitgegaan, heeft Autoline onvoldoende toegelicht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat ARN op die markt een machtspositie inneemt op de vraag- dan wel de aanbodzijde. Zo heeft Autoline niet toegelicht wat het respectieve marktaandeel aan de aanbod- en/of de vraagzijde van ARN op de Europese markt is, noch heeft zij gesteld dat dit meer dan 50% bedraagt zodat daaruit een vermoeden van het bestaan van een economische machtspositie kan worden afgeleid terwijl zij ook geen bijkomende factoren heeft gesteld op grond waarvan, ook bij een kleiner marktaandeel dan 50 %, van een economische machtspositie moet worden uitgegaan. De enkele omstandigheid dat ARN mogelijk een marktaandeel van meer dan 50% op de Nederlandse markt heeft en de bij haar aangesloten autodemontagebedrijven volgens Autoline 90% van het volume van de in Nederland verwerkte autowrakken voor hun rekening nemen, wat hier verder ook van zij, is in ieder geval onvoldoende om van een economische machtspositie op de Europese markt uit te kunnen gaan. Hetzelfde heeft te gelden voor de door Autoline aangevoerde stelling, indien al juist, dat bij ARN aangesloten bedrijven weliswaar formeel geen verplichting hebben om deel te nemen aan het project “Vloeistofvrijmaken” en in dat kader een bruikleenovereenkomst met ARN aan te gaan, maar feitelijk gezien geen andere keuze hebben dan via ARN te kiezen voor de SEDA-apparatuur in plaats van voor apparatuur van bijvoorbeeld Autoline.

onrechtmatig handelen

4.11. Autoline heeft voorts onvoldoende aanvullende feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel moeten leiden dat ARN ondanks het hiervoor overwogene gelet op haar handelwijze terzake van het project “Vloeistofvrijmaken” onrechtmatig jegens Autoline heeft gehandeld.

4.12. Gelet op het vorenstaande ligt de vordering voor afwijzing gereed. Autoline zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ARN begroot op:

- vast recht EUR 244,-

- salaris procureur EUR 1.130,- ( 2 ½ punten × tarief EUR 452,-)

Totaal EUR 1.374,-.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt Autoline in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ARN begroot op EUR 1.374,- (zegge: dertienhonderd vierenzeventig euro) .

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op

19 september 2007.?