Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3934

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
361416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

merkenrecht, handelsnaamrecht, redelijke en evenredige gerechtskosten

art. 5 en 5a Hnw, art. 2.20 BVIE, art. 1019 en 1019 h Rv

Intrum Justitia Nederland BV stelt dat gedaagde, Evia Justitia BV, inbreuk maakt op haar merkenrecht alsmede op haar handelsnaam. Strijd met het merkenrecht en/of de handelsnaamwet wordt door de rechtbank echter niet aangenomen. Volgens de rechtbank is de onderscheidingskracht van de term ‘Justitia’ minmaal, zodat het gebruik van dit woord in een handelsnaam niet door Intrum kan worden gemonopoliseerd. Voorts is niet gebleken dat in het onderhavige geval bij het publiek verwarring is ontstaan of verwarring is te duchten door het gebruik van de handelsnaam ‘Evia Justitia’. Het enkele feit dat er overeenstemmende of gelijksoortige diensten worden aangeboden doet daar niet aan af, mede gelet op het feit dat de term ‘Justitia’ frequent wordt gebezigd in de incassopraktijk.

Intrum wordt ingevolge artikel 1019 juncto artikel 1019h Rv veroordeelt in de redelijke en evenredige gerechtskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2009, 37

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 361416 / HA ZA 07-247

Vonnis van 18 juli 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

procureur mr. A.S. Rueb,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EVIA JUSTITIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. M.C. Jonkman.

Partijen zullen hierna Intrum en Evia genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 januari 2007, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord van 7 maart 2007, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 21 maart 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast, die op 3 mei 2007 heeft plaatsgevonden, en het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Intrum gebruikt haar handelsnaam ‘Intrum Justitia’ in Nederland al sinds 21 april 1987 en drijft een onderneming met als bedrijfsomschrijving “Binnen- en buitenlandse incasso, export-factoring, credietinformatie en credietverzekering, juridisch advies”.

2.2. Intrum Justitia Licensing AG, een onderneming naar Zwitsers recht, is houder van het op 15 februari 1990 gedeponeerde Benelux woordmerk ‘Intrum Justitia’ voor de klassen 35 (publiciteit en commerciële zaken) en 36 (financiële dienstverlening en verzekeringen) . Met ingang van 16 november 2006 is het woordmerk ‘Intrum Justitia’ ook ingeschreven voor klasse 42 (juridische dienstverlening op het gebied van het innen van schulden).

2.3. Intrum Justitia Licensing AG heeft vanaf 13 maart 2000 een gemeenschapsbeeldmerk met de tekst ‘Intrum Justitia’ geregistreerd voor de klassen 35, 36 en 42.

2.4. Een verklaring ten titel van volmacht van 4 januari 2007, vermeldt het volgende: “(...) namens Intrum Justitia Licensing A.G. te Zwitserland (Gotthardstrasse 20, 6304 Zug) dat volmacht wordt verleend aan Intrum Justitia Nederland B.V. gevestigd te ’s-Gravenhage om een gerechtelijke procedure te starten tegen Evia Justitia B.V. wegens merk- en handelsnaaminbreuk ten aanzien van de handelsnaam “Intrum Justitia”, en het Benelux woordmerk “INTRUM JUSTITIA” (inschrijvingsnummers 0476270 en 0811865) en het Gemeenschapsbeeldmerk “Intrum Justitia” (no 000792408) (...)”

2.5. Evia exploiteert sinds begin 2005 een onderneming met als bedrijfsomschrijving “De handel in schulden, incassowerkzaamheden, alsmede het geven van juridische adviezen” en zij staat sinds 3 maart 2005 als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel”.

2.6. In kort geding heeft Intrum onder meer gevorderd om Evia te veroordelen het gebruik van haar handelsnaam Evia Justitia binnen acht dagen te staken en gestaakt te houden. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 31 augustus 2006 heeft de voorzieningenrechter de door Intrum gevraagde voorziening geweigerd.

3. De vordering

3.1. Intrum vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Evia:

I. te bevelen met ingang van twee maanden na betekening van dit vonnis elk gebruik van het teken en de handelsnaam Evia Justitia, dan wel met een met Intrum Justitia overeenstemmend teken te staken en gestaakt te houden;

II. te veroordelen om aan Intrum te betalen een schadevergoeding van € 5.000,=, dan wel een zodanig ander bedrag als de rechtbank vermeent te behoren, alsmede een bedrag van € 1.000,= aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

III. te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Intrum stelt dat Evia inbreuk maakt op haar merkenrecht en op haar handelsnaam ‘Intrum Justitia’. Evia gebruikt de aanduiding Evia Justitia als onderscheidingsteken voor haar diensten in het economisch verkeer en mede als handelsnaam. Bovendien verstrekken Intrum en Evia soortgelijke diensten. Van beide merken, Intrum Justitia en Evia Justitia, valt vooral het dominerende element ‘Justitia’ op, hetgeen identiek is in merk en teken. Door het reeds lange tijd aanwenden van het merk Intrum Justitia en haar marktaandeel heeft het merk ook een onderscheidend vermogen gekregen. Bij de gemiddelde consument zal het teken Evia Justitia en Intrum Justitia verwarrend zijn en zal de indruk ontstaan dat er een verband bestaat tussen Intrum en Evia. Voor zover wordt geoordeeld dat Evia de aanduiding Evia Justitia niet aanwendt ter onderscheiding van waren en/of diensten trekt Evia door het gebruik van het overeenstemmende teken “Evia Justitia’ ongerechtvaardigd voordeel uit en/of doet afbreuk aan het onderscheidend vermogen en/of de reputatie van het merk “Intrum Justitia”. Intrum leidt schade door aantasting van de exclusiviteit en daarmee het onderscheidend vermogen van het merk en de handelsnaam Intrum Justitia. De schade aan het merk en/of de handelsnaam wordt begroot op € 5.000,=. Verder heeft Intrum schade geleden in de vorm van buitengerechtelijke kosten.

4. Het verweer

4.1. Evia voert verweer en stelt dat het woord ‘Justitia’ een te weinig onderscheidend vermogen heeft en in de rechtspraktijk veelvuldig wordt gebruikt. Volgens de bij conclusie van antwoord overgelegde uitdraai van de Kamer van Koophandel zijn er tenminste veertig ondernemingen en instellingen die het woord ‘Justitia’ in hun handelsnaam gebruiken. Voorts is in de naam Evia Justitia het woord Evia bepalend en dat vertoont geen gelijkenis, noch auditief noch visueel, met Intrum. Van enige concrete verwarring, noch van een te duchten verwarring is sprake. Intrum baseert haar eis slechts op stellingen zonder enige onderbouwing. Evia vormt geen concurrentie voor Intrum aangezien zij een andere doelgroep benadert. De door Intrum gevorderde schade dient dan ook te worden afgewezen, evenals de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Evia vordert ten slotte dat Intrum wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder de werkelijk gemaakte advocaatkosten van € 4.376,82 (bestaande uit 24,52 bestede arbeidsuren vermenigvuldigd met het uurtarief van € 150,=, vermeerderd met 19 % btw).

5. De beoordeling

Het toepasselijk recht

5.1. Per 1 september 2006 is het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (hierna BVIE) in werking getreden en is het Benelux-Verdrag inzake de warenmerken van 19 maart 1962 beëindigd. Op grond van artikel 5.3 BVIE laat dit de rechten die onder de Benelux Merkenwet bestonden onverlet.

De ontvankelijkheid

5.2. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen in de onderhavige zaak dient de rechtbank vast te stellen of Intrum kan worden ontvangen in haar vordering. Evia voert in eerste instantie aan dat ofschoon Intrum door Intrum Justitia Licensing AG is ‘gevolmachtigd’ om een procedure te starten Intrum dit niet op eigen naam mag doen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen, alwaar Evia om haar moverende redenen niet is verschenen, heeft Intrum daarop gereageerd en gesteld dat indien nodig de ‘volmacht’ kon worden aangepast. Uit vorenstaand onweersproken feit leidt de rechtbank af dat de verklaring ten titel van volmacht, hierboven weergegeven onder 2.4, evenzeer aan Intrum de bevoegdheid geeft om in eigen naam een procedure te starten jegens Evia wegens vermeende merk- en handelsnaaminbreuk. Intrum zal dan ook worden ontvangen in haar vordering.

5.3. De rechtbank is op grond van het bepaalde van artikel 4.6 BVIE bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen. Nu partijen er, blijkens de in het geding gebrachte processtukken, vanuit gaan dat Nederlands recht van toepassing is, gaat de rechtbank daar eveneens vanuit.

De vordering

5.4. Indien en voor zover Intrum haar vorderingen mede baseert op het onder 2.3 genoemde Europese gemeenschapsmerk met de tekst ‘Intrum Justitia’ is de rechtbank onbevoegd van deze vorderingen kennis te nemen. De rechtbank Amsterdam is immers geen rechtbank voor het gemeenschapsmerk in de zin van artikel 91 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk. In het hiernavolgende laat de rechtbank dit dan ook buiten beschouwing.

5.5. Bij vonnis in kort geding van 31 augustus 2006 is in de zaak van Intrum tegen Evia de door Intrum gevraagde voorziening geweigerd. De voorzieningenrechter was van oordeel dat het woord ‘Justitia’ geen onderscheidend vermogen heeft en als zodanig ook niet door Intrum kan worden gemonopoliseerd.

5.6. Het onderscheidende en dominerende element in de handelsnaam van Intrum Justitia en Evia Justitia is achtereenvolgens het woord Intrum en Evia. Het hoofdaccent van de handelsnamen ligt op die woorden en deze woorden vormen het kenmerkende (hoofd)bestanddeel van de handelsnaam. De uiterlijke en de auditieve vorm van deze woorden vormen in het geheel geen overeenstemming met elkaar. Het overeenstemmende (ondergeschikte) bestanddeel ‘Justitia’ in de handelsnaam van Intrum en Evia maakt dit niet anders. De betekenis van het woord ‘Justitia’ is volgens de Van Dale:

“1. Romeinse godin van de gerechtigheid, voorgesteld als een geblinddoekte vrouw met een weegschaal en een zwaard;

2. de godin van de rechtvaardigheid”,

en wordt in de rechtspraktijk en ook in de incassopraktijk veelal aangewend ter aanduiding van rechtvaardigheid en gerechtigheid. Een en ander wordt onderschreven door de uitdraai van de Kamer van Koophandel overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord. De onderscheidingskracht van de term ‘Justitia’ is dan ook minimaal, zodat het gebruik van dit woord in de handelsnaam niet door Intrum kan worden gemonopoliseerd. Voorts is niet gebleken dat in het onderhavige geval bij het publiek verwarring is ontstaan of verwarring te duchten is door het gebruik van de handelsnaam Evia Justitia door Evia. Het enkele feit dat er overeenstemmende of gelijksoortige diensten worden aangeboden doet daar niet aan af, mede gelet op het feit dat de term ‘Justitia’ frequent wordt gebezigd in de incassopraktijk. Omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn de rechtbank niet gebleken. Het gebruik van de handelsnaam ‘Evia Justitia’ is derhalve niet in strijd met artikel 5 van de Handelsnaamwet.

5.7. Het beroep van Intrum op artikel 5a van de Handelsnaamwet en artikel 2.20 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) slaagt, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, evenmin.

De proceskosten

5.8. Ingevolge artikel 1019 juncto artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het betoog van Intrum dat deze regeling slechts van toepassing is in het geval van piraterij slaagt niet, omdat deze regeling die voorwaarde niet stelt.

5.9. De door de raadsman van Evia bestede uren en het gestelde uurtarief is door Intrum niet weersproken en komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank stelt het salaris van de procureur derhalve op € 4.376,82.

5.10. Intrum zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Evia worden begroot op:

- vast recht 296,00

- salaris procureur 4.376,82

Totaal EUR 4.672,82

5.11. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het

voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Intrum in de proceskosten, aan de zijde van Evia tot op heden begroot op EUR 4.672,82,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2007.?