Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3689

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
357829
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zware zorgvuldigheidsnorm van artikel 185 WVW van toepassing op metro?

eiser is van het perron Ganzenhoef te Amsterdam op de metrorails terechtgekomen. De metro(bestuurder) kon niet tijdig stoppen en eiser is overreden. Hierdoor moet hij zijn beide benen missen.

De wegenverkeerswet (WVW 1994) is niet van toepassing nu het een aanrijding tussen een voetganger en een metro betreft en een metro in artikel 1 lid 1 sub c WVW wordt uitgesloten van het toepassingsgebied. In het arrest 14 juli 2000, NJ 2001, 417 heeft de Hoge Raad bepaald dat de strenge norm zoals bedoeld voor automobilisten ex artikel 185 WVW ook geldt voor trambestuurders, met dien verstande dat de bewijslast bij trambestuurders wel bij het slachtoffer ligt. De vraag of deze zware zorgvuldigheidsnorm van artikel 185 WVW ook geldt voor metrobestuurders wordt ontkennend beantwoord (zie rechtsoverweging 4.4). Een metro als de onderhavige neemt niet op dezelfde wijze deel aan het verkeer als een auto of tram.

Vervolgens staat ter beoordeling of de metrobestuurder ex artikel 6:162 BW onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat de metrobestuurder, gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval, zorgvuldig jegens eiser heeft gehandeld.

De vordering van eiser wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/170

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 357829 / HA ZA 06-3925

Vonnis van 15 augustus 2007

in de zaak van

A,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

eiser,

procureur mr. A.M. Vogelzang,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM DIENST GEMEENTEVERVOERBEDRIJF,

zetelende te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. G.C. Endedijk.

Partijen zullen hierna A en GVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord, met één bewijsstuk,

- het tussenvonnis van 14 februari 2007, bij welk vonnis een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 mei 2007, met de daarin genoemde processtukken en – handelingen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het openbaar vervoer in Amsterdam is door de Gemeente in handen gesteld van het Gemeentevervoerbedrijf (hierna: het GVB). Het GVB is per 1 januari 2007 geprivatiseerd, daarvoor was het een niet-geprivatiseerd onderdeel van de Gemeente.

2.2. Op 2 december 2004 bevond A zich op het perron van het metrostation Ganzenhoef te Amsterdam. Dit station is een halte van metrolijn nummer 53 vanuit het Centraal Station richting Gaasperplas en vice versa.

Op een zeker moment is A op de rails naast het perron terechtgekomen. A is vervolgens door de metro (nummer 53 richting Gaasperplas) overreden.

2.3. Als gevolg van het ongeval zijn het rechteronderbeen en het linkerbovenbeen van A geamputeerd. Van 2 december 2004 tot en met 26 mei 2005 is A opgenomen geweest in het Academisch Ziekenhuis te Amsterdam (hierna: AMC).

2.4. Ten tijde van het ongeval waren (beveiligings)camera’s op en rond het perron aanwezig. Uit het proces-verbaal van bevindingen (hierna: het proces-verbaal), opgesteld door de politie Amsterdam – Amstelland, Ondersteuningsteam Vervoer, district 3, blijkt dat de chef van dienst van het GVB camerabeelden ter beschikking heeft gesteld aan de politie Amsterdam – Amstelland, Bureau Ondersteuning, district 7. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt voorts dat B en C, beiden werkzaam bij district 3, een onderzoek hebben ingesteld naar de betreffende camerabeelden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben zij op ambtseed het volgende verklaard:

(...)

Op de camerabeelden van donderdag 2 december 2004 is te zien dat het slachtoffer te 13.14.30 uur op het perron van het metrostation Ganzenhoef loopt. Hij loopt kennelijk doelloos in het rond en vervolgens is te zien dat hij te 13.15.58 uur (met zijn handen in zijn zakken) pardoes het perron afstapt en op het spoor belandt. Op dat moment zijn in de directe omgeving van deze man geen andere personen waarneembaar. Ongeveer 10 seconden later is te zien dat de metro vanuit het centrum (...) het station binnenrijden.

Op donderdag 2 december 2004 te 13.16.09 wordt de man overreden door deze metro.

(...)

2.5. In het proces-verbaal van politie zijn verklaringen opgenomen van – respectievelijk – D, de niet bij naam genoemde metrobestuurder, E en F.

De verklaring van D luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)

Ik zag vervolgens een man, met zijn ogen dicht houdend, richting het spoor lopen. Hij liep een beetje slingerend. Ik ken hem van de drugsverstrekking (...) Ik weet dat de man al een paar dagen niet geslapen had, dit had hij mij verteld. Ik begreep dus wel waarom hij liep te slingeren.

Vervolgens zag ik dat de man voorover op het spoor viel. Samen met mijn vriend rende ik naar het spoor. Ik zag dat er vanuit het Centrum een metro aankwam, ik hoorde de metro heel erg hard piepen, dit kwam door het remmen denk ik. Ik kon de man niet meer van het spoor halen. Ik zag dat vervolgens de metro over de man reed. (...)

De verklaring van de metrobestuurder luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)

“Ik ben bestuurder van de metro 53 vanuit Centraal station richting Gaasperplas. (...) Ik ben al 13 jaar metro bestuurder. Over het ongeval wat ik op station heb mee gemaakt kan ik het volgende verklaren:

De normale procedure is dat als je op een station aankomt je op een vast punt de rem aantrekt. Als je dat doet kom je precies op het goede punt uit. Ik heb op dat eerder genoemde punt de rem aan getrokken. Nadat ik dat gedaan had zag ik een man richting de rand van het perron lopen. (...)

Ik zag dat de man onvast ter been was. Ik zag dat hij iets met zijn voet op de rand deed. Ik zag dat de man zijn evenwicht niet kon houden. Ik zag dat hij zijwaarts viel en in de val draaide hij. Ik zag dat hij met zijn gezicht naar beneden op de rails viel.

Ik heb toen mijn rem die uit zeven fases bestaat voluit aan getrokken. Ik heb hierbij ook de noodrem aan getrokken. De man lag helemaal stil op de rails. Ik kon niks verder meer doen en heb mijn handen omhoog gestoken als teken van onmacht. Ik voelde dat de metro over de persoon heen reed. De metro kwam tot stilstand. Ik heb op de alarmknop gedrukt en heb tegen de verkeersleiding gezegd “ik heb er een onder, help me effe, ik wil instructies”. (...)

De verklaring van E luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)

Ik zat op een bankje te wachten en zag een manspersoon aankomen lopen. Ik zag dat de man wankelde. Ik dacht dat de man alcohol had gedronken. (...) Tevens zag ik dat toen den man aankwam lopen dat hij steeds meer in de richting het spoor wankelde. Vervolgens zag ik dat de man op het metrospoor viel. Ik wilde de man nog helpen maar ik zag dat de metro naderde. Ik kon niets meer doen. Ik zag dat de metro nog remde maar dit was al te laat. (...)

De verklaring van F luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)

Ik zag in mijn ooghoek iemand met een zwarte trui van het perron vallen. Ik zag niemand in de buurt van de man, volgens mij is hij gewoon gevallen. Ik zag dat de metro het station binnen kwam rijden. Ik hoorde dat de metro toeterde maar hij kon niet op tijd stoppen. (...)

2.6. Bij brief van 14 maart 2005 heeft de raadsvrouw van A, mr. A.M. Vogelzang, onder meer het volgende meegedeeld aan G, directeur Vervoer van het GVB:

(...)

Door geen openheid in deze te betrachten, noodzaakt u mij uw organisatie zonder uw inbreng namens cliënt hierbij formeel aansprakelijk te stellen voor vergoeding van de inmiddels door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het rechtstreekse gevolg is van het ongeval van 2 december 2004.

(...)

2.7. De officier van justitie te Amsterdam heeft A bij brief van 14 oktober 2005 geschreven dat hij geen reden ziet om strafvervolging in te stellen tegen de GVB-directie of de metrobestuurder.

3. Het geschil

3.1. A vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht te verklaren dat het GVB aansprakelijk is voor vergoeding van de door A geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en

b. het GVB te veroordelen om aan A te vergoeden de door hem ter zake voormeld geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, waarvan de omvang ware op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 2 december 2004 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van het GVB in de kosten van dit geding.

3.2. A baseert zijn vordering op de hiervoor vermelde feiten en de volgende stellingen. A stelt dat de norm als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 (NJ 2001, 417) ook in onderhavige zaak van toepassing is, hetgeen betekent dat de metrobestuurder en derhalve de Gemeente aansprakelijk zijn voor onderhavig ongeval tenzij de metrobestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt en er derhalve sprake is van overmacht. Eventuele fouten aan de zijde van A zijn alleen van belang als die voor de metrobestuurder zo onvoorzienbaar waren dat hij daarmee bij het bepalen van zijn rijgedrag geen rekening hoefde te houden. Volgens A heeft de metrobestuurder onzorgvuldig gehandeld door na te laten om, bij wijze van waarschuwing, te bellen op het moment dat hij A in het oog kreeg op het perron en door voorts na te laten om op dat moment de gewone rem voluit en tegelijkertijd de noodrem aan te trekken. Gelet op de 13 jaar ervaring die de metrobestuurder had, had hij moeten anticiperen op de mogelijkheid dat A op de rails terecht zou komen: de ‘fout’ van A was zo voorzienbaar dat de metrobestuurder daarmee rekening had moeten houden. A stelt dat de metrobestuurder dan ook geen beroep toekomt op overmacht en derhalve aansprakelijk is voor het ongeval, hetgeen aansprakelijkheid voor de Gemeente als werkgever met zich meebrengt.

Voorts dient te worden vastgesteld in hoeverre ieders feitelijk gedrag heeft bijgedragen aan de schade. A laat de causale verdeling in dit opzicht over aan de rechtbank.

Verder dient de 50%-regel te worden toegepast, net als in het arrest van 14 juli 2000 (NJ 2001, 417). De Gemeente dient derhalve minstens 50% van de door A geleden en nog te lijden schade te vergoeden, aldus A. A stelt voorts dat de resterende 50% op grond van de billijkheidscorrectie tevens voor rekening van de Gemeente dient te komen, dit laatste gelet op de ernst van het letsel van A en het feit dat het 21 minuten heeft geduurd voordat A geholpen kon worden door tekortkomingen in de noodorganisatie dan wel het noodplan van de Gemeente.

A stelt voorts dat, indien de norm als hiervoor bedoeld, niet van toepassing zou worden geacht, nog steeds aansprakelijkheid aan de zijde van de Gemeente dient te worden aangenomen, uitgaande van de Kelderluikcriteria en de gevaarzettingsleer.

3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen zal, zo nodig, hieronder worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die A als gevolg van het ongeval (2.2.) heeft geleden en nog zal lijden.

4.2. A heeft niet de Nederlandse nationaliteit. Nu het ongeval echter heeft plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, is, zoals de Gemeente terecht aanvoert, op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, het Nederlands recht van toepassing.

4.3. In onderhavige procedure gaat het om een aanrijding tussen een metro en een voetganger. De Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is hierop niet van toepassing nu een metro bestemd is om langs spoorstaven te worden voortbewogen en derhalve ex artikel 1 lid 1 sub c WVW is uitgesloten van het toepassingsgebied van de WVW. A stelt echter – hetgeen de Gemeente betwist – dat de zware zorgvuldigheidsnorm als bedoeld in artikel 185 WVW, welke geldt voor automobilisten en trambestuurders, tevens geldt voor metrobestuurders. De zware zorgvuldigheidsnorm waar A op doelt (bedoeld in artikel 185 WVW) houdt in dat een automobilist met het oog op bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemers zoals voetgangers en fietsers bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden met fouten van deze weggebruikers, tenzij deze fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. De Hoge Raad heeft bepaald dat deze norm van overeenkomstige toepassing is op een trambestuurder.

In dit geding is aan de orde de vraag of deze norm ook van overeenkomstige toepassing is op een metrobestuurder.

4.4. Het is in beginsel juist dat een aanrijding tussen een metro en een voetganger voor laatstgenoemde ernstig letsel tot gevolg kan hebben in verband met het zogenaamde Betriebsgefahr: de metro heeft een grote massa, een lange remweg en geen mogelijkheid tot uitwijken. Gelet op de hierna te noemen omstandigheden is de rechtbank echter van oordeel dat de zware zorgvuldigheidsnorm als hiervoor bedoeld niet tevens geldt voor een metrobestuurder.

Een metrobestuurder neemt niet op dezelfde wijze deel aan het verkeer als een automobilist of trambestuurder. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat een metro wordt voortbewogen door een zich naast de metrorails bevindende rail waarop hoogspanning staat. Een metrobestuurder rijdt dan ook via een afgesloten traject en komt op geen enkel punt, behoudens bij de perrons, in contact met andere verkeersdeelnemers. Er is nergens sprake van gelijkvloerse kruisingen. De rails waar een metro zich over voortbeweegt zijn niet bestemd voor ander (stads)verkeer en het is strikt verboden dat mensen of dieren zich op de metrorails bevinden. Hoewel een metrobestuurder wel te maken krijgt met voetgangers op de perrons is de situatie die zich daar voordoet niet vergelijkbaar met de situaties waarin automobilisten of trambestuurders met (de fouten van) kwetsbare verkeersdeelnemers te maken krijgen. Gelet op de wijze waarop de metro wordt voortbewogen en het strikte verbod dat mensen zich op de rails bevinden, hoeft een metrobestuurder er ook bij de per-rons in beginsel geen rekening mee te houden dat andere (kwetsbare) verkeersdeel-nemers zich op de rails bevinden. Hierbij komt dat de Gemeente onweersproken heeft aangevoerd dat aanrijdingen tussen metrowagens en niet door de metro vervoerde personen eigenlijk nooit voorkomen, tenzij sprake is van een zelfmoordpoging. Zelfmoordpogingen komen sporadisch voor, één of twee keer per jaar, aldus de Gemeente. A heeft weliswaar gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat springers in het openbaar vervoer met een zekere regelmaat voorkomen, maar daarmee is niet gezegd dat dit het geval is bij metro’s en dat de door de Gemeente genoemde cijfers onjuist zijn.

Gelet op het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor analoge toepassing van de eerder genoemde zware zorgvuldigheidsnorm op een metro(bestuurder).

4.5. De vraag of de metrobestuurder en daarmee de Gemeente onrechtmatig jegens A heeft gehandeld, zal derhalve worden beoordeeld aan de hand van de (algemene) normen van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Onderzocht dient te worden of de metrobestuurder jegens A de zorgvuldigheid heeft betracht die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht.

4.6. Onweersproken staat vast dat de metrobestuurder bij het naderen van het station Ganzenhoef de normale remprocedure in werking heeft gezet op het daarvoor bestemde, vaste, punt. Gesteld noch gebleken is dat de metrobestuurder met een hogere snelheid dan te doen gebruikelijk het station is genaderd of met een hogere snelheid dan te doen gebruike-lijk het station is binnengereden. Niet gebleken is dan ook dat de bestuurder bij het naderen van station Ganzenhoef onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.7. A heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren van het ongeval en hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Hij verwijt de metrobestuurder met name dat hij heeft nagelaten te toeteren en voluit te remmen op het moment dat hij hem in het oog kreeg. A heeft daarbij gewezen op de jarenlange ervaring van de metrobestuurder en gesteld dat uit diens verklaring bij de politie blijkt dat hij hem naar de rand van het perron heeft zien lopen en heeft gezien dat hij onvast ter been was. De metrobestuurder had toen moeten toeteren en voluit moeten remmen. Door tijdig te toeteren had de metrobestuurder kunnen voorkomen dat A van het perron afstapte en door tijdig de noodremprocedure in gang te zetten had de metrobestuurder het ongeval eveneens kunnen voorkomen. A heeft er verder op gewezen dat uit het proces-verbaal van politie blijkt dat 11 seconden zijn verstreken tussen het moment dat hij van het perron viel en het moment van de aanrijding. Er was dus voldoende tijd om het ongeval te voorkomen, aldus nog steeds A.

4.8. De rechtbank volgt A niet in zijn stelling dat de metrobestuurder, mede gelet op zijn jarenlange ervaring, op het moment dat hij A in de richting van de rand van het perron zag lopen, ten onrechte heeft nagelaten om bij wijze van waarschuwing te toeteren en tijdig de noodremprocedure uit te voeren. De omstandigheid dat de metrobestuurder reeds 13 jaar ervaring had, leidt niet tot de conclusie dat hij in de gegeven omstandigheden anders had moeten of kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Zoals reeds hiervoor (4.4.) is over-wogen, hoeft een metrobestuurder in beginsel geen rekening te houden met personen op de rails. Hij mag er redelijkerwijs van uitgaan dat voetgangers op de perrons op de hoogte zijn van het verbod zich op de rails te bevinden en zich bewust zijn van het risico dat zij lopen wanneer zij te dicht bij de rand van het perron komen. Een voetganger die naar de rand van het perron loopt, hoeft tegen deze achtergrond dan ook geen aanleiding te vormen voor een metrobestuurder om te toeteren en de noodremprocedure uit te voeren. Het feit dat, onder anderen, de metrobestuurder kort na het ongeval heeft verklaard dat A onvast ter been was toen hij naar de rand van het perron liep, leidt in het onderhavige geval niet tot een andere conclusie. Zoals uit de verklaring van de verbalisanten B en C blijkt (2.4.), is op de door hen beschreven camerabeelden te zien dat A naar de rand van het perron loopt en ‘pardoes’ het perron afstapt. De verbalisanten reppen niet van bijzonder afwijkend gedrag van A voorafgaand aan het moment waarop hij van het perron afstapt. A heeft de verklaring van de verbalisanten uitdrukkelijk aan zijn stellingen ten grondslag gelegd. De ter gelegenheid van de comparitie getoonde camerabeelden geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit de verklaring van de verbalisanten en de ter zitting getoonde camerabeelden kan voorts worden afgeleid dat er zeer weinig tijd is verstreken tussen het moment dat A naar de rand van het perron liep en het moment dat hij van het perron afstapte. Ook de raadsvrouw van A heeft onder verwijzing naar de camerabeelden (als beschreven door voornoemde verbalisanten) ter comparitie verklaard dat sprake is geweest van een korte opeenvolging van waarnemingen en sensaties.

Alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van A voorafgaand aan het moment waarop hij van het perron raakte niet dermate afwijkend was dat dit voor de metrobestuurder aanleiding had moeten zijn om al te toeteren en de noodremprocedure uit te voeren voordat A daadwerkelijk van het perron viel. Concrete feiten of omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat de metrobestuurder – in aanmerking genomen de gebruikelijke snelheid van de metro bij nadering van een station, de massa en de lange remweg van de metro en de schriktijd voordat de bestuurder kan reageren – vanaf het moment dat A van het perron viel, onzorgvuldig heeft gehandeld en de metro tot stilstand had kunnen brengen voordat de metro A overreed, zijn gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat andere voorzorgs- of veiligheids-maatregelen het ongeval hadden kunnen voorkomen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de metrobestuurder heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht. De Gemeente kan dan ook niet aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van het ongeval.

4.9. De raadsvrouw van A heeft ter comparitie verzocht de camerabeelden die zich bij de politie bevinden alsnog in het geding te mogen brengen, wanneer de rechtbank zich bij de beslissing in de onderhavige procedure uitsluitend zou baseren op de camerabeelden als getoond tijdens de comparitie. Dit is niet het geval, zodat geen aanleiding bestaat aan het verzoek te voldoen.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van A niet toewijsbaar is. Het bewijsaanbod van A voegt niets aan zijn stellingen toe en wordt als niet ter zake dienend, althans onvoldoende concreet gepasseerd.

4.11. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Gemeente worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- explootkosten 0,00

- vast recht € 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur € 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal € 1.152,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 248,00 voor vastrecht en op € 904,- voor salaris procureur,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling (5.2.) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Uriot en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2007.?