Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3473

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2007
Datum publicatie
12-09-2007
Zaaknummer
296661 / HA ZA 04-2637 (AV)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitlatingen advocaat over therapeut en door therapeut toegepaste therapie waarbij “verborgen herinneringen” zijn hervonden, niet onrechtmatig jegens therapeut. Vrijheid van meningsuiting van advocaat dient in dit geval zwaarder te wegen dan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de therapeut.

Naar aanleiding van de documentaire van de NCRV “Verborgen moeders” waarin onder meer een vrouw vertelt slachtoffer te zijn geweest van incest als gevolg waarvan zij een aantal keer zwanger zou zijn geraakt waarna ook baby’s zouden zijn vermoord, heeft een radio-interview plaatsgevonden waarbij de advocaat van de familie van de vrouw over de therapeut van de vrouw onder meer heeft gezegd dat deze beter kool kon gaan verbouwen. De uitzending van NCRV is later gerectificeerd. De therapeut heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de advocaat zich jegens hem onrechtmatig heeft uitgelaten. Deze verklaring voor recht is afgewezen. In het onderhavige geval heeft -hoewel de uitlatingen van de advocaat de therapeut in diskrediet brengen en aannemelijk is dat deze zijn professionele positie en inkomen aantasten- het recht op vrijheid van meningsuiting van de advocaat zwaarder te wegen dan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de therapeut. De therapeut heeft zich immers zelf te stellig uitgelaten over de betrouwbaarheid van de herinneringen van de vrouw, waarop de advocaat zeer kritisch heeft gereageerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 296661 / HA ZA 04-2637 (AV)

Vonnis van 12 september 2007

in de zaak van

1. [eiser1],

wo[eiser2][woonplaats],

2. [eiser2],

gevestigd te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. S.H. van Erk,

tegen

[gedaagde],

wonende te Bergen,

gedaagde,

procureur mr. S. Colsen.

Eiser sub 1 zal hierna [eiser1] worden genoemd, eiser sub 2 zal hierna de [eiser2] worden genoemd. Eisers zullen ook gezamenlijk worden aangeduid met [eisers] Gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met bewijsstukken;

- de akte aanvulling eis;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 december 2004, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 7 maart 2005 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin vermelde stukken;

- het proces-verbaal van de voortgezette comparitie van partijen, die op 9 juli 2007 heeft plaatsgevonden met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser1] is sinds 1981 als zelfstandig therapeut werkzaam en is thans verbonden aan de [eiser2]. [eiser1] houdt zich als therapeut onder meer bezig met begeleiding van patiënten bij de verwerking van hun incestverleden.

2.2. [eiser1] heeft als therapeut van 1994 tot en met 20 september 1999 een vrouw (hierna: [slachtoffer]) begeleid. In 1994 voerde [eiser1] een gesprek met de ouders van [slachtoffer]. In dat gesprek heeft [eiser1] besproken dat [slachtoffer] door twee van haar broers seksueel is misbruikt. Het gesprek is opgenomen. Het transcript van de opname is in het geding gebracht. In het gesprek heeft [eiser1] naar aanleiding van de vraag van de moeder van [slachtoffer] of het waar is dat [slachtoffer] door haar broers seksueel is misbruikt onder meer gezegd:

“Voor mij wel, ja, ja. Ik zie, ik heb twaalf jaar ervaring in dit vak. Ik heb heel veel mensen met incestgeschiedenis en mishandelinggeschiedenis en wat ik zie is voor mij voor honderd procent zeker. Alleen ik kan niet zeggen het is Piet, het is Klaas of Gerit of weet ik hoe ze heten omdat ik dat beeld niet zie.”

De vader van [slachtoffer] is in 1997 overleden.

2.3. Op 19 juni 2000 heeft de NCRV de documentaire “Verborgen moeders” (hierna: de documentaire) uitgezonden. In deze documentaire deelde [slachtoffer] mee slachtoffer van incest te zijn geweest. Daarbij kwam tevens aan de orde dat zij als gevolg daarvan zwanger zou zijn geraakt en dat er in die periode sprake zou zijn geweest van babymoorden. De NCRV heeft de uitzending later gerectificeerd. [slachtoffer] heeft tegen het advies van [eiser1] in medewerking verleend aan de documentaire. [eiser1] is bij de documentaire niet betrokken geweest.

2.4. Na het uitzenden van de documentaire heeft de familie van [slachtoffer] als advocaat [gedaagde] in de arm genomen. [gedaagde] heeft de familie bijgestaan in de (strafrechtelijke) smaadzaken tegen [slachtoffer] en de NCRV, hetgeen grote media-aandacht heeft gekregen. [gedaagde] heeft het standpunt en de positie van de familie herhaalde malen in de media toegelicht, zo staan in de volgende dagbladen en tijdschriften interviews met [gedaagde] waarin onder meer wordt vermeld:

A. NRC Handelsblad van 17 augustus 2000:

“Na deze aangifte volgen nog aangiften tegen [slachtoffer] zelf en haar therapeut, aldus raadsman [gedaagde].”

B. Noord Hollands Dagblad van 19 augustus 2000:

“Verder betrekt [gedaagde] de therapeut van de vrouw er bij die de ‘verloren verhalen’ bij haar naar boven heeft gehaald.”

C. De Telegraaf van 17 februari 2001[gedaagde]: ,,Uit brieven van [slachtoffer] kunnen wij opmaken, dat door deze therapeut verborgen trauma’s naar boven zijn gehaald. Bij hem worden ook opa [naam], vader [naam] en twee broers te voorschijn getoverd. Daardoor ontstonden de zogenaamde ‘hervonden herinneringen’ en [slachtoffer] kreeg bij deze therapie het onwrikbare geloof, dat zij zwaar misbruikt was en dat de gruwelijkheden echt gebeurd waren. Het ging zelfs zo ver, dat [eiser1] de verbijsterde ouders ter verantwoording riep en hen confronteerde met de beschuldiging, dat [slachtoffer] binnen het gezin systematisch misbruikt was. Het gesprek werd op band opgenomen.”

[...]

,,[slachtoffer] kan je nog zien als een beklagenswaardige vrouw, die verstrikt is geraakt in een verkeerd therapeutisch circuit”

D. VARA tv magazine van 21 juni 2002:

“Onlangs zei [gedaagde] in een radio-interview dat een therapeut uit [woonplaats] maar beter kolen kon gaan verbouwen dan patiënten behandelen. De bewuste therapeut heeft bij de orde van advocaten inmiddels een klacht ingediend tegen [gedaagde]. Hij ligt er niet echt wakker van. ‘Ik ben nu 33 jaar advocaat en het is de eerste klacht tegen mij, maar aan het slot van mijn carrière wil ik me volledig wijden aan de strijd tegen dit soort therapeuten. Laat hem maar bewijzen dat zijn werkwijze wel toelaatbaar is.’”

E. Panorama van juni 2002 staat een artikel met de titel: “Ik lust die therapeuten rauw!” en als bovenschrift: “Advocaat [gedaagde] strijdt tegen valse beschuldigingen na hypnose”. Het artikel is een weergave van een interview met [gedaagde] en luidt onder meer als volgt:

“[eiser1], therapeut in het dorp [woonplaats], voelt zich ernstig beledigd. De advocaat heeft namelijk voor de radio gezegd dat [eiser1] deel uitmaakt van een gevaarlijk hulpverleningscircuit en dat hij voor God speelt.

[...]

En ik zal dan ook aantonen dat die [eiser1] dingen heeft gedaan die absoluut niet door de beugel kunnen.” Advocaat [ge[gedaagde] is ervan overtuigd dat door [eiser1] en zijn collega’s in de alternatieve hulpverlening ‘op grote schaal wordt gehypnotiseerd, aan regressie gedaan, herinneringen worden opgewekt, dingen herleefd, incest hervonden en baby’tjes herboren’. “Ik vind dat onverantwoord en zeer schadelijk,” zegt [gedaagde].”

F. Telegraaf van 13 juli 2002:

“[gedaagde]: ,, [...] Ik heb me inderdaad ironisch over die man uitgelaten, maar het is mijn plicht om de wantoestanden rond alternatieve genezers, die in veel zedenzaken mensen onnoemelijk veel leed bezorgen, hard aan de kaak te stellen. Je kunt mij zien als een klokkenluider.”

2.5. In de radio-uitzending van de AVRO “Een op de middag” (hierna: het radio-interview) van 28 november 2001 is een interview uitgezonden waarbij eerst [eiser1] is geïnterviewd en vervolgens [gedaagde] is gevraagd om een reactie. [eiser1] is niet de gelegenheid geboden om op [gedaagde] te reageren in de uitzending. In het interview wordt gesproken over het verhaal van [slachtoffer]. Fragmenten uit de afzonderlijke interviews van [eiser1] en [gedaagde] zijn later door de redactie van het radioprogramma aan elkaar gemonteerd en vervolgens uitgezonden. In het radio-interview is onder meer het volgende gezegd:

De verslaggever:

“[eiser1] kan dus voelen en zien of mensen seksueel misbruikt zijn.”

[gedaagde] reageert hierop onder andere als volgt:

“Ik begrijp dat niet, hoe die, hoe die dat kan! Dat geeft bij mij aan hoe gevaarlijk die therapeuten zijn. Zo iemand die mag.... Die mag, die woont in [provincie], die moet, die moet uhuhuh kool gaan verbouwen op de vijl. Die moet daar in de, in de, koolteelt gaan, maar die moet zich absoluut niet bezig houden met, met, met patiënten, of met mensen die, die in noodsituaties verkeren. Ik vind dit heel zorgelijk. Ik vind dit heel onprofessioneel. Dat kan natuurlijk, dit zijn magiërs, dat heeft niets met therapeuten te maken, niets met doktoren te maken. Zij brengen mensen terug in regressietherapie. Waar hebt die man geleerd? Waar hebt die gestudeerd? Ik zou het allemaal niet weten en wat pretendeert die? Die man stelt zich tot God gelijk. Er is toch geen arts die dat zou kunnen zeggen?”

Later in de uitzending zegt [gedaagde] met betrekking tot het gesprek dat [eiser1] in 1994 met de ouders van [slachtoffer] voerde, onder meer:

“Ik vind het onvoorstelbaar, waar je hautainiteit vandaan haalt, om twee oude kwetsbare mensen als een soort goeroe te vertellen en uhuhuh zij een waarheid te vertellen en ze dan nog een bandje mee te geven en te zeggen: dan moet u nog eens goed luisteren naar wat ik gezegd heb. Wat een pretenties. Ik vind het heel verschrikkelijk. Nou, als u weet dat die vader [naam] is kort daarna gestorven, die is dus als een door hem beschuldigd hè, door de familie beschuldigd het graf ingegaan.”

2.6. Op 9 december 2001 heeft [eiser1] een klacht tegen [gedaagde] ingediend bij de Raad van Discipline, omdat -kort gezegd- [gedaagde] zich tijdens het radio-interview onnodig grievend zou hebben uitgelaten over [eiser1] en diens kwalificaties en werkwijze als therapeut. De Raad van Discipline heeft de klacht in haar beslissing van 16 december 2002 als ongegrond afgewezen. Van deze beslissing is [eiser1] in hoger beroep gegaan bij het Hof van Discipline. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 3 oktober 2003 de beslissing van de Raad van Discipline vernietigd en de klacht van [eiser1] alsnog gegrond verklaard en aan [gedaagde] de maatregel van enkele waarschuwing opgelegd. Van deze beslissing heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Het EHRM heeft op 30 november 2006 uitspraak gedaan en heeft, kort samengevat, geoordeeld (zie EHRM 30 november 2006, 10807/04, LJN: AZ7791):

Het Hof oordeelt dat advocaten weliswaar recht hebben op vrijheid van meningsuiting, maar dat hun speciale positie impliceert dat zij zich in de publieke sfeer discreet, eerlijk en waardig dienen te gedragen. Klager was gerechtigd om uitspraken te doen die in het belang van zijn cliënt waren, zij het dat hij daarbij te goeder trouw en in overeenstemming met de professionele ethiek moest handelen. In dit geval trok klager [eiser1] professionele kwalificaties en competentie in twijfel. De uitlatingen konden [eiser1] zeker in diskrediet brengen en konden zijn professionele positie en inkomen aantasten. Onderzocht moet dan worden of er voor deze uitlatingen een voldoende feitelijke basis bestond. In dit verband acht het Hof van belang dat er een relatie bestond tussen de uitlatingen van [initialen] en de therapie van [eiser1]; [eiser1] gaf dit zelf in het radio-interview ook toe. In deze omstandigheden was het niet onredelijk om van [eiser1] te verwachten dat hij zijn kwalificaties zou expliciteren in het kader van de disciplinaire procedure tegen klager. In casu had [eiser1] echter pas in het allerlaatste stadium van de procedure informatie hoeven geven over zijn kwalificaties en opleiding. Evenmin is duidelijk of het Hof van Discipline daadwerkelijk had vastgesteld of [eiser1] de professionele competentie had om het waarheidsgehalte van [initialen] uitlatingen te beoordelen, of dat het mogelijk was dat ook klager daarover een gefundeerd oordeel kon geven. Een redelijke beoordeling van de feiten had een onderzoek naar dit element vereist, omdat het alleen dan mogelijk zou zijn geweest om te bepalen of klager de grenzen van het aanvaardbare gedrag voor een advocaat had overschreden. Gelet op het feit dat de uitspraak van het Hof van Discipline was gebaseerd op een ontoereikende beoordeling van de feiten, acht het Hof een schending van art. 10 EVRM aanwezig.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen na wijziging van hun eis - samengevat - te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [eisers] nog nader op te maken bij staat, ten gevolge van de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde] in:

I. NRC Handelsblad van 17 augustus 2000;

II. Noord-Hollands Dagblad van 19 augustus 2000;

III. De Telegraaf van 17 februari 2001;

IV. het radioprogramma: Eén op de middag van 28 november 2001;

V. VARA tv magazine van 21 juni 2002, Panorama van juni 2002 en De Telegraaf van 13 juli 2002.

Tevens vorderen zij [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de materiële en immateriële schade op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tenslotte vorderen [eisers] om [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eisers] stellen daartoe -kort samengevat- dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door mededelingen te doen die de eer en goede naam van [eiser1] aantasten ofwel onwaar zijn. Ten onrechte is [eiser1] in een kwaad daglicht gesteld door [gedaagde]. [gedaagde] suggereert ten onrechte dat [eiser1] zich crimineel heeft gedragen.

3.3. [eisers] stellen als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aantoonbare omzetschade te lijden en geleden te hebben.

3.4. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Niet ter discussie staat dat [eiser1] door de uitlatingen van [gedaagde] in -onder meer het radio-interview- in zijn eer en goede naam is aangetast en dat zijn persoonlijke levenssfeer hierdoor is geschonden. [gedaagde] ageerde al langer tegen het fenomeen “hervonden herinneringen” (onder meer door zijn boek uit 1997 “Valse zeden, onterechte beschuldigingen in zedenzaken”) en het soort therapieën dat [eiser1] in zijn praktijk toepast. Blijkens de folder van de praktijk van [eisers] en uitlatingen van [eiser1] in het gesprek met de ouders van [slachtoffer] betreffen dit onder andere neuropsyrurgie, in welk kader ook regressietherapie plaatsvindt, en

halfhypnose. Door de documentaire van de NCRV waarin [slachtoffer] haar verhaal deed, kwam [eiser1] voor [gedaagde] in beeld. [gedaagde] is namens de familie van [slachtoffer] door verschillende media geïnterviewd. Dat [gedaagde] zich hierbij in sterke bewoordingen jegens [eiser1] heeft uitgedrukt, staat vast. De vraag is echter of de door [gedaagde] gekozen bewoordingen met betrekking tot [eiser1] ook dusdanig zijn geformuleerd, dat deze onnodig grievend en daarmee onrechtmatig te noemen zijn jegens [eiser1], of dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] dient te prevaleren. Ter beantwoording van die vraag dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden meegewogen. In het bijzonder weegt mee de ernst van de beschuldigingen die [slachtoffer] in de documentaire jegens haar familie heeft geuit. Een felle reactie daarop van haar familie en in het verlengde van haar familie ook van hun raadsman, [gedaagde], is niet onbegrijpelijk. Of [gedaagde] daarbij de grenzen van hetgeen een advocaat betaamt heeft overschreden, staat voor de rechtbank thans niet ter beoordeling. Daarvoor is de tuchtrechtelijke procedure bedoeld die door [eiser1] reeds is doorlopen. Wel is het feit dat [gedaagde] advocaat van beroep is, één van de omstandigheden die moet worden meegewogen. Tevens dient bij beantwoording van voormelde vraag te worden betrokken de vraag of de uitlatingen van [gedaagde], voor zover het om feitelijkheden gaat, juist zijn, waarbij dient te worden opgemerkt dat niet iedere mededeling die in strijd is met de waarheid zonder meer onrechtmatig behoeft te zijn.

4.2. Met betrekking tot de door [eiser1] op [slachtoffer] toegepaste therapie staat in het transcript van het gesprek dat [eiser1] met de ouders van [slachtoffer] heeft gevoerd in april 1994 op pagina 15 als uitlating van [eiser1] onder meer:

“Kijk je hebt hypnose en je hebt halfhypnose en dan breng je dus iemand in een staat waarin ie dus z’n contact met nu wat loslaat en als het ware kijkt op je levensfilm. Enne ik doe zelf geen hypnose maar wel een beetje halfhypnose en dan kun je dus kijken in het jaar zeg maar wat je daarin hebt meegemaakt. Dan komen beelden helder door. [...]

Maar voor mij is ze dus elders geweest en heeft ze een dergelijke sessie gedaan. Toen is ze in contact gekomen met het beeld [...]”.

Aldus staat vast dat in het kader van de therapie die [eiser1] bij [slachtoffer] heeft toegepast in ieder geval hypnose heeft plaatsgevonden. Dat [eiser1] zelf [slachtoffer] zou hebben gehypnotiseerd is onvoldoende aannemelijk geworden. Wel past [eiser1] in zijn praktijk halfhypnose toe. In dat licht bezien is de uitlating van [gedaagde] strikt gezien onjuist, maar naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig.

4.3. Met betrekking tot de opmerking van [gedaagde] in NRC Handelsblad van 17 augustus 2000 dat aangifte zou worden gedaan tegen de therapeut van [slachtoffer], geldt dat vaststaat dat geen aangifte is gedaan tegen [eiser1], zodat de uitlating van [gedaagde] in zoverre onjuist is. De rechtbank acht dit echter -in het licht van de hele gang van zaken- niet onrechtmatig jegens [eiser1]. In het algemeen is het niet ongewoon dat naar aanleiding van uitlatingen zoals door [slachtoffer] gedaan de advocaat van de beschuldigde overweegt of hij zal adviseren aangifte van smaad te doen. De uitlating van [gedaagde] is in het onderhavige geval enigszins te stellig, maar niet uit de lucht gegrepen.

4.4. De overige uitlatingen van [gedaagde] dienen alle eveneens te worden bezien tegen de achtergrond van de NCRV-uitzending en de ernstige beschuldigingen die [slachtoffer] in die uitzending jegens haar familie heeft geuit. Van belang is voorts dat [eiser1] in zijn hoedanigheid van therapeut van [slachtoffer] stelt te kunnen voelen en zien of mensen seksueel misbruikt zijn. Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij als deskundige op het gebied van met name incesttherapieën kan worden aangemerkt, heeft [eiser1] bij dagvaarding een aantal geloofsbrieven overgelegd. Voorts wijst [eiser1] er op dat hij erkend lid, supervisor en leertherapeut is van de Vereniging voor Unitieve Psychotherapie, welke vereniging zich ten doel stelt de bestudering en ontwikkeling van Unitieve Psychotherapie, alsmede het bevorderen van een deskundige beoefening en verantwoorde toepassing van deze therapeutische benaderingswijze. Daarnaast wijst [eiser1] er op dat hij al jaren lid is van de Stichting Registratie-, Certificatie- en Ontwikkelingsinstituut Gezondheidszorg (RING). Tenslotte stelt [eiser1] een 2,5 jaar durende opleiding te hebben genoten onder de naam Neuropsyrurgie in de periode 1995 tot januari 1998. Blijkens de folder van [eisers] houdt neuropsyrurgie -kort gezegd- in dat (a) een zeer uitgebreid psychotherapeutisch onderzoek wordt verricht naar de ervaring en de ontwikkeling van de persoonlijkheid vanaf de conceptie, (b) een lichamelijke behandeling plaatsvindt die bestaat uit het behandelen van het vegetatieve zenuwstelsel door met de handen reflexen op te wekken op zenuwgebieden in de huid en (c) regressietherapie om de cliënt in staat te stellen inzicht te krijgen in de achtergronden van de problematiek en om tot een emotionele verwerking te komen van traumatische ervaringen uit het verleden. Aldus is gesteld noch gebleken dat [eiser1] een erkende medische opleiding heeft genoten om zijn uitlatingen dat hij kan voelen en zien of mensen seksueel misbruikt zijn te kunnen staven.

4.5. Bij de belangenafweging dient te worden betrokken dat er ten tijde van de diverse interviews (zie rechtsoverweging 2.4 en 2.5) een maatschappelijke discussie gaande was (die is ontstaan omstreeks het einde van de jaren ’80 en in welk kader diverse werkgroepen zijn opgericht van onder meer ten onrechte van incest beschuldigden die zich zijn gaan verzetten tegen onder meer de door [eisers] toegepaste therapieën) omtrent hervonden herinneringen, welke discussie heeft geleid tot het rapport van de Gezondheidsraad met een advies aan de minister van 27 januari 2004 genaamd “Omstreden herinneringen”. De Gezondheidsraad benadrukt dat fictieve herinneringen als authentiek kunnen worden beleefd en dezelfde intensiteit kunnen hebben als ware herinneringen. Een therapeut kan, aldus de Gezondheidsraad, niet weten of het verhaal van een patiënt historisch juist is, tenzij hij de historische feiten kent. Een therapeut kan in een dergelijk geval geen uitspraak doen over de betrouwbaarheid van de herinneringen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser1] desgevraagd meegedeeld het rapport van de Gezondheidsraad te onderschrijven.

4.6. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij met zijn uitlatingen omtrent [eiser1] de ernst van de problematiek van de hervonden herinneringen heeft willen benadrukken en de gevolgen daarvan voor de beschuldigden. Zijn uitlatingen hebben aldus plaatsgevonden in het openbaar debat over dit onderwerp. In een openbaar debat dient de vrijheid van meningsuiting zwaar te wegen. Hier komt bij dat de uitlatingen van [gedaagde] merendeels waardeoordelen betreffen en geen feitelijke beweringen. Waardeoordelen behoeven niet te worden bewezen, met name niet in een openbaar debat.

4.7. Al het voorgaande tegen elkaar afwegend en in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat hoewel de uitlatingen van [gedaagde] [eiser1] in diskrediet brengen en aannemelijk is dat deze zijn professionele positie en inkomen aantasten, het belang van [gedaagde] bij vrijheid van meningsuiting in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van [eisers] bij bescherming van hun eer en goede naam en daarmee bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser1]. [eiser1] heeft zich immers zelf te stellig uitgelaten over de betrouwbaarheid van de herinneringen van [slachtoffer]. [gedaagde] heeft niet onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld door daar zeer kritisch op te reageren. Het door [eisers] gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.8. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 241,00

- salaris procureur 1.582,00 (3,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.823,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.823,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees, mr. H.C. Hoogeveen en mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2007.?