Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3248

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
13.497.459-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering Italië toegestaan (een van drie EAB's). verweer ongenoegzaamheid der stukken verworpen. Onschuldverweer ivm verblijf in gevangenis verworpen nu voor begaan delict geen feitelijke aanwezigheid is vereist. Geen ne bis in idem-situatie bij vervolging bij twee verschillende rechtbanken voor elkaar overlappende feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.459-2006

RK nummer: 07/67

Datum uitspraak: 20 juli 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 januari 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 2 mei 2006 door the pre-trial investigation judge attached to the court of Naples (Giudice per le indagini preliminari presso il Tribunale di Napoli), Italy. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende op het [adres],

thans uit anderen hoofde gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught te Vught,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

Op de openbare zitting van 13 februari 2007 heeft de rechtbank voornoemde vordering gelijktijdig behandeld met twee andere door de Italiaanse autoriteiten uitgevaardigde EAB’s met RK nummers 07/68 en 07/73.

De rechtbank heeft ten aanzien van alle vorderingen interlocutoire uitspraak gedaan op 27 februari 2007, waarin zij de officier van justitie heeft verzocht informatie in te winnen bij de uitvaardigende autoriteit. Dit verzoek omvatte de volgende vragen.

1. Kunt u mededelen of, en zo ja gedurende welke periode de opgeëiste persoon vanaf 1988 tot en met 31 december 2003 gedetineerd is geweest in Italië, alsmede of tijdens deze periode mogelijk sprake is geweest van een andere vorm van detentie, zoals bijvoorbeeld elektronisch toezicht, waardoor de opgeëiste persoon niet feitelijk verbleef in een penitentiaire inrichting;

2. Kunt u voorts mededelen of een eventuele detentie volgens u in de weg heeft gestaan aan het voortzetten van de aan de opgeëiste persoon verweten strafbare handelingen door de opgeëiste persoon gedurende die periodes;

3. Kunt u mededelen of het juist is dat zowel de rechter-commissaris bij de rechtbank te Salerno als de rechter-commissaris bij de rechtbank te Napels de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken voor hetzelfde feit, zijnde het transport van 24 kilogram verdovende middelen rond de datum 5 december 2002 en, indien deze informatie correct blijkt te zijn, of beide verzoeken hieromtrent gehandhaafd blijven.

Op 3 juli 2007 zijn bij de rechtbank antwoorden binnengekomen van de Districtsdirectie maffiabestrijding van het Openbaar Ministerie bij het parket te Napels d.d. 20 april 2007.

De vordering is wederom gelijktijdig behandeld met de EAB’s met RK nummers 07/68 en 07/73 op de openbare zitting van 6 juli 2007. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.

Op die laatste zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het onderzoek op 27 februari 2007 is hervat en nadere vragen zijn gesteld aan de Italiaanse autoriteiten, zodat zij niet binnen de termijn van 90 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een pre-trial custody in prison order (Ordinanza di custodia cautelare in carcere) ref. N. 64007/04 R.G.; N. 22935/05 R.G.I.P.; N. 143/06 O.c.c, uitgevaardigd op 2 maart 2006 ten grondslag. Blijkens de aanvullende brief van onderzoeksrechter E. Ceravone van 1 februari 2007 heeft hij dit Italiaans arrestatiebevel uitgevaardigd.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de uitvaardigende justitiële autoriteit ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Italië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De Italiaanse autoriteiten hebben op 1 februari 2007 een nadere toelichting gegeven op de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Een gewaarmerkte kopie van de beschikbaar gekomen vertaling van deze aanvulling is als bijlage (2) aan deze uitspraak gehecht.

De relevante passage is tussen [ ] geplaatst.

De raadsman van de opgeëiste persoon stelt zich op het standpunt dat slechts één antwoord is ontvangen van de Italiaanse autoriteiten, terwijl er drie verschillende EAB’s aanhangig zijn. Dat houdt in dat ten aanzien van twee van de EAB’s niet is voldaan aan de opdracht van de rechtbank die bij tussenbeslissing van 27 februari 2007 is gegeven. Voorts zijn de vragen beantwoord door een andere autoriteit dan de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd.

De stukken zijn derhalve ongenoegzaam en de overlevering dient geweigerd te worden, aldus de raadsman.

Subsidiair verzoekt de raadsman aanhouding teneinde de vragen alsnog te stellen aan de juiste autoriteiten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De stelling van de raadsman, dat er slechts één antwoord is gekomen met betrekking tot de in de drie de EAB’s gestelde vragen, is feitelijk juist. Dit hoeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden tot de conclusie dat er sprake is van ongenoegzaamheid van de stukken. Nu ter zake van de drie EAB’s gelijkluidende vragen zijn gesteld zal de rechtbank genoegen nemen met één antwoord.

Met betrekking tot het verweer dat de vragen niet zijn beantwoord door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt overwogen dat dit –eveneens- juist is. De rechtbank gaat er evenwel vanuit dat de vragen zijn gesteld aan de uitvaardigende autoriteit, die de beantwoording ervan kennelijk heeft gedelegeerd aan de Districtsdirectie maffiabestrijding van het Openbaar Ministerie bij het parket te Napels. Gezien de aard van de gestelde vragen en de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelve de verstrekte gegevens met betrekking tot de periode dat hij in detentie heeft verbleven, niet betwist, dient de rechtbank erop te vertrouwen dat de vragen zijn beantwoord door een daartoe bevoegde autoriteit. De opgeëiste persoon wordt door deze beslissing niet in zijn belangen geschaad.

Het subsidiaire verzoek om de behandeling aan te houden en daartoe het onderzoek te heropenen wordt afgewezen.

De raadsman heeft zijn eerder geformuleerde standpunt gehandhaafd dat de stukken ook overigens ongenoegzaam zijn. Het tijdstip waarop de opgeëiste persoon gehandeld zou hebben is onvoldoende bepaald en de Italiaanse autoriteiten hebben geen duidelijke informatie gegeven over de afbakening in tijd. Eveneens bestaat er onvoldoende duidelijkheid ten aanzien van de plaats waar de handelingen die aan de opgeëiste persoon zelf worden verweten, zouden zijn gepleegd.

De rechtbank overweegt dat het EAB die gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten.

Uit de toelichting van de Italiaanse onderzoeksrechter Ceravone van 1 februari 2007, blijkt dat als einddatum van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij feit 1 eind 2003 dient te gelden. De rechtbank kan de raadsman niet volgen in zijn stelling dat de aanduiding van de plaats waar de activiteiten van de criminele organisatie zouden hebben plaatsgevonden, niet kan worden beschouwd als bepaling van de plaats waar de opgeëiste persoon de hem verweten handelingen heeft verricht.

Anders dan de raadsman is de rechtbank, mede de toelichting in aanmerking nemend, dan ook van oordeel dat zowel de wettelijke kwalificatie, als de beschrijving van de feiten met vermelding van tijd en plaats, alsmede de betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoen aan de vereisten van de OLW. De specialiteit is hiermee voldoende beschermd.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder de nummers 1 en 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie

en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van het door de in het EAB beschreven organisatie gepleegde feit in juni 2003 (feit 2) dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon in die tijd gedetineerd heeft gezeten zonder enige vorm van verlof. Dat heeft als consequentie dat ook het vermoeden van schuld aan de deelname aan de organisatie die dat feit zou hebben gepleegd niet in stand kan blijven. Uit de aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon van 4 juli 1990 tot 28 februari 2002 en vanaf 1 mei 2003 gedetineerd heeft gezeten. De laatste periode van detentie heeft geduurd tot 6 oktober 2003. Weliswaar heeft de opgeëiste persoon in die periode toestemming voor verlof gekregen, maar tijdens deze korte verloven is het voor de opgeëiste persoon niet mogelijk geweest leiding te geven aan een criminele organisatie.

De officier van justitie is van oordeel dat, mede gezien de aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten, het type delict waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht zich niet leent voor het aantonen van zijn onschuld door een verblijf in detentie.

De rechtbank overweegt dat voor weigering van de overlevering slechts plaats is, indien de opgeëiste persoon de feiten, waarvan hij in Italië wordt verdacht, onmogelijk kan hebben gepleegd. Verblijf in detentie kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel wel een reden zijn aan te nemen dat de opgeëiste persoon een feit waarvan hij wordt verdacht onmogelijk kan hebben gepleegd, maar dat geldt alleen in gevallen waarbij de feitelijke aanwezigheid van de opgeëiste persoon is vereist voor het begaan van dat delict. In het onderhavige geval wordt de opgeëiste persoon verdacht van in deelneming begane feiten, te weten het in vereniging handel drijven in verdovende middelen in juni 2003 en leider/lid zijn van een criminele organisatie. Verblijf in detentie sluit deelneming aan deze feiten niet uit, zeker niet nu uit de aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten van 20 februari 2007 blijkt dat de opgeëiste persoon in de bedoelde periode niet ononderbroken in detentie heeft verbleven.

De opgeëiste persoon heeft tijdens het verhoor ter zitting zijn onschuld niet kunnen aantonen.

Het door de opgeëiste persoon gevoerde verweer dat hij niet betrokken is bij de strafbare feiten die hem worden verweten is een bewijsverweer dat voor de Italiaanse rechter gevoerd dient te worden.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit bedoeld onder 4, waarvoor de Italiaanse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen deels in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

1) Een deel van de strafbare handelingen hebben in Nederland plaatsgevonden, te weten de levering van de, voor de export naar Italië bedoelde, cocaïne en een deel van de organisatie die met die handel verband hield, maar dat is gebleken dat het zwaartepunt van de strafbare handelingen zich op Italiaans grondgebied hebben voorgedaan;

2) In Italië zijn met betrekking tot de onderhavige criminele organisatie en verdovende middelen transporten lang lopende en zeer omvangrijke onderzoeken gaande en de datum van de behandeling door de rechter in het vooronderzoek tegen [opgeëiste persoon] en (de vele) medeverdachten is reeds vastgesteld, aldus kan met de overlevering van [opgeëiste persooon] de vervolging en berechting in Italië geconcentreerd worden;

3) De bewijsmiddelen zijn in overwegende mate in Italië;

4) De rechtsorde in Italië is het meest aangetast nu de verdovende middelen in alle gevallen voor de Italiaanse markt bestemd waren en ook daar meer dan eens in beslag zijn genomen.

De raadsman heeft verzocht de overlevering niet toe te staan nu onduidelijk is waar de opgeëiste persoon de hem verweten misdrijven zou hebben gepleegd. Aannemelijk is dat hij handelde vanuit Nederland, omdat hij na zijn vlucht uit Italië naar Nederland is gekomen. Naast de vervolgingsbelangen van de uitvaardigende lidstaat zullen de belangen van de opgeëiste persoon en de bescherming van de Nederlandse rechtsorde in zijn algemeenheid ook een rol kunnen spelen. Daarbij dient naar het oordeel van de verdediging vooral gekeken te worden naar de vraag of de kans bestaat dat het specialiteitsbeginsel geschonden zou kunnen worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit kader aparte garanties te vragen met betrekking tot een mogelijke schending van de specialiteit, aangezien zij erop moet vertrouwen dat de Italiaanse autoriteiten hun verdragsverplichtingen zullen nakomen. Tegen een eventuele schending daarvan kan de opgeëiste persoon in Italië rechtsmiddelen aanwenden.

7. Verweren

Ne bis in idem

De raadsman heeft aangevoerd dat de Italiaanse autoriteiten tweemaal om overlevering verzoeken voor hetzelfde feit. De raadsman doelt hierbij op de criminele organisatie genoemd onder onderhavig parketnummer en de criminele organisatie genoemd onder parketnummer 13.497.002.2007 (RK 07/68). Hoewel de periodes niet volledig gelijk lopen is er sprake van overlap en komen de personen, waarmee de criminele organisaties zouden zijn gevormd, deels overeen.

Weliswaar is de opgeëiste persoon nog niet onherroepelijk veroordeeld door één van beide rechtbanken, maar de uitleg die de Italiaanse autoriteiten geven van hun eigen wettelijk systeem sluit niet uit dat de opgeëiste persoon tweemaal voor hetzelfde feit terecht dient te staan. Dit levert naar het oordeel van de raadsman een schending op van het ‘ne bis in idem’-beginsel.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ‘ne bis in idem’-situatie nu het geen feiten betreft waarover ten aanzien van de opgeëiste persoon onherroepelijk is beslist. Alleen in die gevallen moet de overlevering geweigerd worden. Gelet op de inhoud van het EAB en de inhoud van de aanvullende informatie van de onderzoeksrechter Foschini te Napels van 2 februari 2007 en van de Districts Directie Maffiabestrijding van 20 april 2007 is er een zeker verband tussen de verschillende feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. Het is echter, gelet op het stadium waarin de zaken zich bevinden, niet aan de overleveringsrechter daarover te oordelen.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the pre-trial investigation judge attached to the court of Naples ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zoals omschreven in de tussen haken geplaatste gedeeltes van de bijlagen.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en E. van Sliedregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 juli 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.