Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB3219

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
07-09-2007
Zaaknummer
325800 / FA RK 05-5576
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden. Vrouw kan na ontbinding huwelijk in dit geval niet bewijzen dat bepaalde inboedelgoederen aan haar toekomen. Volgens de huwelijkse voorwaarden worden die goederen dan geacht aan zowel de vrouw als de man toe te behoren. De vrouw had weliswaar voor ontvangst van de goederen getekend, maar dat is nog niet genoeg om als enig eigenaar daarvan beschouwd te worden. Dat zelfde geldt voor de betaling van de goederen via de rekening van de vrouw. Gelet op het bijzondere karakter van inboedelgoederen is beslissend de wil van beide echtgenoten op verkrijging van de goederen door één van hen. Die wil is hier niet aangetoond. De vordering van de vrouw is daarom afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 131
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 5
Burgerlijk Wetboek Boek 3 110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/112 met annotatie van BER onder «JPF» 2009/31

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

ZESDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

Echtscheiding

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

verzoekende, tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

procureur mr. A.C.M. Karsten,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verwerende, tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man,

procureur mr. M. Meijjer.

De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 8 november 2006, waarbij onder meer tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken.

De zaak is vervolgens behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 18 januari 2007 (pro forma), 15 maart 2007 (pro forma) en 20 juli 2007.

Bij de laatstgenoemde behandeling zijn gehoord: de man bijgestaan door zijn procureur en de procureur van de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt:

1. Blijkens de overgelegde stukken en hetgeen door partijen onweersproken is gesteld, staan de volgende feiten in dit geding vast:

a. Partijen zijn gehuwd op 19 juni 2001 onder huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk van partijen is op 28 februari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

b. In de huwelijkse voorwaarden die door partijen zijn overeengekomen is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1

Elke huwelijksgoederengemeenschap is uitgesloten.

Artikel 2.3

Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

c. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar geweest van het [de echtelijke woning], gelegen te [woonplaats], hierna te noemen: de echtelijke woning.

2. De vrouw heeft gesteld dat zij van een aantal inboedelzaken betreffende de inrichting van de echtelijke woning eigenaar is, nu zij deze heeft gekocht. Zij heeft de goederen geleverd gekregen van de vorige eigenaar door achterlating van de goederen in de woning en zij heeft deze betaald. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de vrouw als productie 5 bij het verzoekschrift een lijst overgelegd met daarop de betreffende inboedelzaken. De lijst is op 15 juni 2001 getekend en geparafeerd door haar en de vorige eigenaar van de woning. Tevens heeft de vrouw overgelegd een bankafschrift van een rekening op haar naam bij [bank], waaruit blijkt dat de goederen op 29 januari 2002 zijn betaald. De man heeft zonder overleg met haar een aantal inboedelzaken doen verhuizen en opslaan bij verhuisbedrijf [verhuisbedrijf] te [plaats] zo stelt de vrouw. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de eigendom van de inboedelzaken, vermeld op de als productie 5 bij het verzoekschrift overgelegde lijst, toekomt aan de vrouw en voor zoveel nodig en mogelijk daarbij te bepalen dat de man deze aan haar dient af te geven.

3. De man heeft tegen het verzoek van de vrouw verweer gevoerd. De man heeft de juistheid van de door de vrouw als productie 5 bij het verzoekschrift overgelegde lijst betwist, stellende dat op de lijst zaken worden vermeld die niet door de vorige eigenaar zijn geleverd. Voorts heeft de man betwist dat de vrouw van de goederen enig eigenaar is en dat zij deze heeft betaald. Het enkele feit dat alleen de handtekening van de vrouw onder de lijst staat maakt niet dat alleen aan haar is geleverd. De woning is in juni 2001 aan beide partijen geleverd – de woning stond immers op beider naam – maar omdat de man niet aanwezig kon zijn heeft de vrouw mede namens hem de sleutels van de woning in ontvangst genomen. De levering van de inboedelgoederen is geschied door achterlating door de vorige eigenaar van deze goederen in de woning, derhalve op hetzelfde moment als de vrouw de sleutels van de echtelijke woning in ontvangst nam. Partijen hebben de woning in gemeenschappelijk eigendom verworven. Voor de roerende zaken betreffende de inboedel van de echtelijke woning hadden partijen geen andere afspraken gemaakt dan voor de onroerende zaak. De inboedel hoorde bij de woning en partijen hebben samen overleg gevoerd over welke inboedelgoederen zij van de vorige eigenaar zouden overnemen. Met betrekking tot de betaling van de inboedelgoederen heeft de man gesteld dat de omstandigheid dat deze van een rekening op naam van de vrouw zijn betaald niet maakt dat de vrouw daarmee de (onverdeeld) eigendom heeft verworven. De man heeft stortingen gedaan op rekeningen van de vrouw, welke zijn aangewend voor kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Voorts wijst de man erop dat partijen enkele dagen voor de betaling van de inboedel een lening zijn aangegaan voor een bedrag dat ongeveer overeenkomt met de prijs van de inboedel.

Tevens heeft de man betwist dat hij deze goederen onder zich heeft. Wel erkent de man dat onder de door hem opgeslagen goederen zich goederen bevinden die aan de vrouw hebben toebehoord. De man stelt dat deze goederen aan schuldeisers zijn overgedragen dan wel toegezegd, zodat deze niet aan de vrouw kunnen worden afgegeven. Samenvattend stelt de man dat nu de vrouw de eigendom van de inboedelgoederen zoals vermeld op de lijst van 15 juni 2001 niet heeft kunnen bewijzen, deze ingevolge artikel 2.3 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden moeten worden geacht aan ieder van hen voor de helft toe te komen. Het verzoek van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen.

4. De man heeft tevens gesteld dat de vrouw een aantal goederen van de man zonder zijn toestemming heeft doen verhuizen en opslaan bij [verhuisbedrijf]. Hij heeft verzocht de vrouw te veroordelen schriftelijk en deugdelijk verantwoord opgave te doen van alle goederen van de man die zij onder zich heeft en deze goederen aan de man over te dragen.

5. De rechtbank overweegt het volgende. In artikel 2.3 van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd dat goederen waarop geen van beide echtgenoten zijn recht kan bewijzen, en hierover tussen partijen een geschil bestaat, geacht worden aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren. Gelet op het voorgaande rust op de vrouw de bewijslast van haar stelling dat de eigendom van de genoemde inboedelgoederen haar toekomt

In het algemeen zijn inboedelgoederen van een echtelijke woning voornamelijk voor gezamenlijk gebruik bestemd. Het is vaak willekeurig wie van de echtelieden de goederen betaalt en wie ze bij aflevering in ontvangst neemt. Nu de normale goederenrechtelijke criteria in het geval van inboedelgoederen van een echtelijke woning onvoldoende duidelijkheid bieden om vast te stellen wie van de echtgenoten daarvan eigenaar is geworden, zal daarnaast duidelijk moeten zijn dat de wil van de echtgenoten gericht is op verkrijging van de goederen door één van hen. Het voorgaande brengt mee dat de echtgenoten geacht moeten worden gezamenlijk als verkrijgers te hebben willen optreden, tenzij bewezen wordt dat het de bedoeling was dat één van beide echtgenoten de inboedel of deel daarvan persoonlijk in (onverdeelde) eigendom zou verkrijgen.

6. De vrouw heeft daartoe gesteld dat de goederen aan haar zijn geleverd door achterlating door de vorige eigenaar in de woning en het ondertekenen door haar en de vorige eigenaar van de als productie 5 bij het verzoekschrift overgelegde lijst. Bovendien heeft zij gesteld dat zij de goederen heeft betaald. Aan de vereisten voor overdracht is daarmee voldaan, zo stelt de vrouw.

De stelling van de vrouw dat zij – zonder de man – aanwezig was bij de levering, die geschiedde door achterlating van de goederen in de woning, en de omstandigheid dat zij degene is die de lijst met goederen heeft getekend is, gelet op het voorgaande en op de gemotiveerde betwisting door de man, derhalve niet voldoende om vast te stellen dat zij enig eigenaar is geworden. De man heeft gesteld dat de vrouw mede namens hem de bij de woning behorende inboedel geleverd heeft gekregen, omdat hij die dag niet aanwezig kon zijn. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met het overleggen van de door haar en de vorige eigenaar getekende lijst van inboedelgoederen er niet in is geslaagd te bewijzen dat zij de levering niet mede namens de man heeft aanvaard.

De omstandigheid dat de inboedelgoederen zijn betaald van een rekening op naam van de vrouw zou een aanwijzing kunnen zijn om aan te nemen dat de eigendom van de goederen haar toekomt, maar is daarvoor gelet op hetgeen de man heeft aangevoerd evenmin voldoende.

Voorts is niet gebleken dat partijen de intentie hadden dat de vrouw juridisch enig eigenaar van de goederen zou worden.

Gelet op het bovenstaande, op het bepaalde in artikel 2.3 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en op de omstandigheid dat de aanschaf van inboedelgoederen over het algemeen wordt geacht gericht te zijn op gezamenlijke verkrijging is de rechtbank van oordeel dat de vrouw er met de thans in het geding gebrachte stukken vooralsnog niet in is geslaagd te bewijzen dat de eigendom van de inboedelgoederen haar toekomt.

Nu de vrouw geen aanvullend bewijs van haar stellingen heeft aangeboden, zal het verzoek van de vrouw betreffende de eigendom en afgifte van de inboedelgoederen worden afgewezen.

7. De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen schriftelijk en deugdelijk verantwoord opgave te doen van alle goederen van de man die zij onder zich heeft en deze goederen aan de man over te dragen. De vrouw heeft betwist dat zij goederen van de man onder zich heeft. Nu de man geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling, zijn stelling niet nader heeft gespecificeerd en derhalve niet is komen vast te staan dat de vrouw goederen van de man onder zich heeft zal het verzoek van de man dienaangaande worden afgewezen.

8. Hetgeen door partijen overigens ter zitting is gesteld betreffende de afwikkeling op basis van de huwelijkse voorwaarden valt buiten de omvang van het geschil.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst af de verzoeken betreffende de inboedel.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. de Vos, lid van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 5 september 2007 in tegenwoordigheid van mr. L. Oostinga als griffier..