Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB2761

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
AWB 07-2957 WW44 en AWB 07-3069 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechter is van oordeel dat verweerder het bezwaar van verzoekers met betrekking tot een bouwplan voor musicaltheater op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Van een verschoonbare overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb in het onderhavige geval geen sprake is, aangezien van belanghebbenden die na het verstrijken van de bezwaartermijn op de hoogte raken van een besluit, in beginsel verwacht kan worden dat zij binnen twee weken een (proforma) bezwaarschrift indienen en verzoekster deze termijn, zonder daarvoor gegronde redenen te hebben, niet in acht heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in de gedingen met reg.nrs. AWB 07/2957 WW44 en AWB 07/3069 WW44

tussen:

Bewonersvereniging “De Mirandabuurt”, statutair gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger1] en [vertegenwoordiger2],

en:

burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mrs. N.S.J. Koeman en J.C.H. van Dijk.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Chios Real Estate Properties B.V.,

vergunninghoudster,

vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 20 juli 2007 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze verzoeken hangen samen met een beroepschrift van 20 juli 2007 gericht tegen het besluit van verweerder van 27 juni 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 augustus 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij het thans bestreden besluit van 27 juni 2007 heeft verweerder het op 28 februari 2007 ingediende bezwaarschrift van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Dit bezwaarschrift is gericht tegen het primaire besluit van verweerder van 8 december 2006 (kenmerk: W01/0362 2005) waarbij vergunninghoudster onder verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan (van 7 augustus 2006) reguliere bouwvergunning is verleend tot de oprichting van een gebouw op een terrein gelegen aan de Europaboulevard, met bestemming daarvan tot Musicaltheater.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Ten aanzien van het beroep (AWB 07/3069 WW44)

Op 24 november 2004 heeft verweerder een aanvraag van vergunninghoudster ontvangen om vrijstelling van het bestemmingsplan voor het oprichten van een gebouw gelegen aan de Europaboulevard, met bestemming daarvan tot Musicaltheater c.a. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar zienswijze in te dienen.

Op 26 juli 2005 heeft vergunninghoudster een aanvraag gedaan voor een reguliere bouwvergunning voor het oprichten van een gebouw gelegen aan de Europaboulevard, met bestemming daarvan tot Musicaltheater c.a.

Bij besluit van 7 augustus 2006 is aan vergunninghoudster vrijstelling verleend. Bij brief van 7 augustus 2006 is verzoekster over de verlening van de vrijstelling geïnformeerd.

Bij het bestreden besluit van 8 december 2006 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw gelegen aan de Europaboulevard, met bestemming daarvan tot Musicaltheater c.a.

Bij brief van 30 januari 2007 is verzoekster over de verlening van de bouwvergunning op

8 december 2006 geïnformeerd.

Vervolgens is namens verzoekster bij brief van 28 februari 2007, door verweerder ontvangen op

1 maart 2007, bezwaar gemaakt.

Ter beoordeling is de vraag of verweerder het bezwaar van verzoekers op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechter overweegt als volgt.

Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare vrijstellingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten van toepassing is op de procedure ter zake van de vrijstelling. De bouwvergunning is aangevraagd na inwerkingtreding van deze wetten doch op een bouwvergunning is als regel niet de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing.

Volgens vaste jurisprudentie volgt uit het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), dat, indien vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een bouwvergunningplichtig project, de rechtmatigheid van de vrijstelling pas aan de orde kan komen in het kader van de bouwvergunningprocedure (AbRvS 24 maart 2004, Gst. 2004, 90 en AbRvS 7 april 2004, 200305788/1).

Op de bekendmaking van een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit, waarvan in casu sprake is, is volgens de jurisprudentie artikel 3:41 van de Awb van toepassing, hetgeen met zich brengt dat de bekendmaking van het besluit aan de aanvrager ingevolge artikel 6:8 van de Awb bepalend is voor de aanvang van de bezwaartermijn. Dit betekent dat tegen het besluit van 8 december 2006 tot en met 19 januari 2007 bezwaar kon worden gemaakt.

De rechter stelt vast dat het bezwaarschrift van verzoeker van 28 februari 2007, mitsdien na afloop van de bezwaartermijn, bij verweerder is ingediend (op 1 maart 2007).

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ter beantwoording is of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

De rechter stelt vast dat verweerder verzoekster eerst bij brief van 30 januari 2007 van de verlening van de onderhavige bouwvergunning op de hoogte heeft gebracht. Verweerder heeft de bouwvergunning van 8 december 2006 als bijlage bij de brief van 30 januari 2007 meegezonden, met de mededeling dat “binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit een gemotiveerd bezwaarschrift” kon worden ingediend.

De rechter is van oordeel dat verweerder hiermee niet zorgvuldig heeft gehandeld, aangezien in deze passage door verweerder niet is gemeld dat “het besluit” het op 8 december 2006 verzonden besluit tot verlening van de bouwvergunning was, dat de bezwaartermijn van zes weken inmiddels was verstreken zodat verzoekster niet zes weken de tijd had voor bezwaar, doch zo spoedig als mogelijk, binnen maximaal twee weken, een bezwaarschrift moest indienen. Verweerder was immers in gebreke gebleven het besluit conform het bepaalde in artikel 3:43, eerste lid, op of terstond na 8 december 2006 naar verzoekster toe te zenden.

Niettemin acht de rechter de termijnoverschrijding door verzoekster niet verschoonbaar, om de volgende reden. Een medewerker van verweerder, [persoon1], heeft de toenmalige voorzitter van verzoekster, [persoon2] middels een email van 2 februari 2007 op hoogte gebracht van verweerders omissie. In deze email is onder meer het volgende meegedeeld:

“De bouwvergunning is uitgereikt op 8 december 2006, zodat de 6 wekentermijn voor een eventueel bezwaar op 19 januari 2007, reeds is verstreken. Gezien de nalatigheid van de gemeente kan desondanks alsnog eventueel bezwaar worden gemaakt. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuurswet voorziet daarin. Volgens jurisprudentie dient een bezwaarschrift wel zo spoedig mogelijk te worden ingediend”

[persoon1] heeft in de email zijn telefoonnummer vermeld voor het geval het gestelde nog vragen opriep.

Ter zitting heeft verzoekster niet betwist dat [persoon2] deze email heeft ontvangen doch aangegeven dat de inhoud geen aanleiding gaf voor snel optreden, en voorts dat verzoekster eerst toen zij er vier weken later mee aan de slag ging, ontdekte dat het besluit al op 8 december 2006 was verzonden, en toen binnen een dag een bezwaarschrift indiende. Dit heeft ertoe geleid dat verzoekster vier weken nadat zij op de hoogte is geraakt van het besluit bezwaar gemaakt.

De rechter is van oordeel dat van een verschoonbare overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb in deze omstandigheden geen sprake is, aangezien van belanghebbenden die na het verstrijken van de bezwaartermijn op de hoogte raken van een besluit, in beginsel verwacht kan worden dat zij binnen twee weken een (proforma) bezwaarschrift indienen en verzoekster deze termijn, zonder daarvoor gegronde redenen te hebben, niet in acht heeft genomen.

Namens verzoekster is er op gewezen dat de in de jurisprudentie aangehouden termijn van twee weken bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb verzoekster in een slechtere positie brengt dan waarin zij zouden hebben verkeerd in het geval dat verweerder ten aanzien van de toezending van het bestreden besluit aan de wettelijke verplichtingen zou hebben voldaan.

Dit is op zichzelf juist doch leidt niet tot een ander oordeel. De toepassing van artikel 6:11 van de Awb leidt er, in het geval dat een verschoonbare termijnoverschrijding bij de indiening van een bezwaarschrift wordt aangenomen, in het algemeen toe dat een kortere termijn voor alsnog tijdige inzending van het bezwaarschrift wordt aangehouden dan de termijn welke een belanghebbende op grond van artikel 6:7 e.v. is gegund voor het instellen van een beroep. De ratio hiervan is dat, ingeval er sprake is van een termijnoverschrijding, andere belanghebbenden bij het bestreden besluit (in dit geval in het bijzonder vergunninghoudster) niet langer dan strikt noodzakelijk in onzekerheid dienen te verkeren omtrent de status van een besluit. Naar het oordeel van de rechter staat een termijn van twee weken een belanghebbende in het algemeen niet in de weg een (proforma) bezwaar- of beroepschrift in te dienen. Redelijke wetstoepassing kan wel meebrengen dat een belanghebbende wordt toegestaan later in een aanvullend bezwaar- of beroepschrift de gronden aan te voeren.

Gelet op het vorenstaande is de rechter van oordeel dat verweerder zonder in strijd te komen met enige regel van geschreven of ongeschreven recht het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Het ingestelde beroep is mitsdien ongegrond.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening AWB 07/2957 WW44

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

De rechter ziet geen aanleiding één der partijen te veroordelen in de proceskosten of te bepalen dat het griffierecht aan verzoekster dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gewezen op 3 september 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter,

in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (AWB 07/3069 WW44), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

Den Haag.

Afschrift verzonden op:

DOC: C