Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB2340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
13/420276-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich jegens meerdere ambtenaren in de uitoefening van hun functie op meerdere tijdstippen schuldig gemaakt aan bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht waarbij hij zijn slachtoffers aanzienlijke angst heeft aangejaagd. Daarnaast heeft verdachte zijn toenmalige vriendin mishandeld door haar op haar kaak te slaan en de deur tegen haar te drukken. Ook heeft hij een andere collega van deze vrouw mishandeld door met zijn elleboog in de maag van die collega te stoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/420276-06

Datum uitspraak: 11 juli 2007

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “P.I. Amsterdam, Huis van Bewaring Het Schouw ” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2007.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 25 augustus 2006 is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman betoogt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging voor wat betreft het tweede gedeelte van het onder 2 ten laste gelegde, nu de aangeefster [slachtoffer1] geen expliciete klacht zou hebben ingediend inzake stalking.

De rechtbank verwerpt dit preliminaire verweer nu uit de aangifte niet blijkt van enig ander doel dan het feitelijk in gang zetten van een vervolging en ook uit de overige omstandigheden van het geval niet blijkt dat aangeefster niet de bedoeling heeft gehad dat vervolging zou worden ingesteld.

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 17 februari 2007 te Amsterdam [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn hand een snijdende beweging gemaakt langs zijn hals en daarbij voornoemde [slachtoffer2] dreigend meermalen de woorden toegevoegd: “Je kop gaat eraf”;

3A.

in de periode van 1 september 2000 tot en met juni 2002 te Leeuwarden opzettelijk mishandelend [slachtoffer3] op de kaak heeft geslagen en een deur met kracht tegen die [slachtoffer3] heeft gedrukt waardoor die [slachtoffer3] pijn heeft ondervonden;

3B.

in de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer3], met het oogmerk die [slachtoffer3] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte

- in voornoemde periode brieven verstuurd aan het adres van en geadresseerd aan die [slachtoffer3] en

- in de periode van februari 2003 tot en met 31 september 2005 brieven verstuurd aan de vader van die [slachtoffer3], te weten [vader slachtoffer3] en

- in de periode juni 2005 en/of juli 2005 meer dagen voor het werk, gelegen aan de [adres] te [plaats], van die [slachtoffer3] langs gelopen, terwijl die [slachtoffer3] daar aan het werk was en

- brieven op het werk van die [slachtoffer3] afgeleverd, geadresseerd aan die [slachtoffer3] en/of aan collega’s van die [slachtoffer3] en

- in die periode bij de werkplek van die [slachtoffer3] rondgelopen en naar binnen gegluurd;

4.

op 8 november 2005 te Leeuwarden opzettelijk mishandelend [[slachtoffer4] met een elleboog in de maag heeft gestoten, waardoor voornoemde [slachtoffer4] pijn heeft ondervonden;

5.

op 16 januari 2006 te Leeuwarden, [slachtoffer5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer5] dreigend de woorden toegevoegd: “Nou goed, mevrouw [slachtoffer5], ik weet u te vinden, ik kan u meedelen dat u dit jaar onthoofd zal worden”;

en

in de periode van 28 januari 2006 tot en met 1 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer5] en collega’s/medewerkers van die [slachtoffer5] -schriftelijk- heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brief naar het werkadres van die [slachtoffer5] gestuurd en geadresseerd aan die [slachtoffer5] met daarin de volgende -bedreigende- teksten:

- “Bij deze sommeer ik jou om al mijn betaalde belastinggelden direct terug te storten op mijn bankrek, dit op straffe des doods” en

- “Dit is een voorbode op wat komen gaat” en

- “Daar blanken alleen luisteren en voelen wanneer hun direct iets aangaat, ben jij symbool voor al jou medewerkers op jou kantoor. aansluitend hierop zullen alle medewerkers hun bezit en rijkdom kwijtraken” en

- “Daar ik een systeemdenker ben zal mijn straffende hand ook jullie kinderen en ouders betreffen” en

- “Er komt een dag dat jij zal smeken om te mogen blijven leven, Ik zal u dan niet horen”

6.

op 13 februari 2006 te Leeuwarden [slachtoffer6] van politieregio Midden Fryslan schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pakket met geprinte emailberichten afgeleverd bij Bureau Gardeniersweg te Leeuwarden terwijl op een van deze geprinte emailberichten de navolgende -bedreigende- handgeschreven tekst stond:

- “Onthoofding 2 politieambtenaren [slachtoffer6]”

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd, behoudens voor zover het taal- en/of schrijffouten in letterlijke citaten uit andere stukken betreft. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsman dat de onder 1, 5 en 6 telastegelegde feitelijke gedragingen geen bedreigingen (kunnen) opleveren in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank waren deze uitlatingen, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze werden gedaan, geschikt om bij de aangeefster vrees op te wekken. Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat verdachte het slachtoffer bij naam noemde, dat verdachte reeds had gedreigd met het omgooien van alle motoren en dat hij zijn bedreiging heeft herhaald nadat reeds hulp was gehaald. De onder 5 telastegelegde uitlating jegens aangeefster [slachtoffer5] is mondeling gedaan en hierna schriftelijk herhaald. De onder 6 telastegelegde uitlating jegens de politieambtenaar [slachtoffer6] kon door [slachtoffer6] redelijkerwijze als bedreigend worden opgevat nu bij eerdere betrokkenheid van [slachtoffer6] bij relatieproblemen tussen verdachte en diens gewezen vriendin [slachtoffer3] ook de mogelijke gewelddadigheid van verdachte aan de orde was geweest.

Met betrekking tot het onder 2, eerste onderdeel telastegelegde feit, betoogt de officier van justitie dat, hoewel verdachte in die mail aangeeft een grote fantasie te hebben, uit het vervolg van die e-mail en in samenhang met andere e-mails en de talloze berichten in het gastenboek de dreiging wel duidelijk voelbaar is. Bovendien, stelt hij, is [slachtoffer1] volgens de aangiften ook daadwerkelijk geschrokken en voelde zij zich bedreigd door [verdachte], zodat volgens hem aan de eisen van artikel 285 van het wetboek van Strafrecht is voldaan. De raadsman betoogt dat zijn cliënt het programma slechts benaderd heeft omdat hij hulp wilde met het uitzoeken van zijn stamboom en dat zijn mails grappig bedoeld waren. Van een intentie tot bedreiging zou geen sprake zijn, terwijl de in de tenlastelegging vermelde citaten, gelezen binnen hun context en gelet op de omstandigheden waarin deze zijn geuit, ook niet als daadwerkelijk bedreigend zouden kunnen worden opgevat. Volgens de raadsman klinkt in het citaat “Van mij mag alles de pleuris krijgen als ik [kind slachtoffer1] maar heb” slechts een wens door van de schrijver, welke [verdachte] overigens ontkent te zijn, en ook het citaat “Het liefste pakte ik jullie. Sleepte jullie naar de auto. Hup ma en jij er in. Snel [kind slachtoffer1] bij me en van achter de achterbank, Rijden maar” geeft een gedachtegang weer die verbonden is aan de wens van de schrijver om samen een nieuw gezin te stichten.

De rechtbank acht de beweringen van verdachte dat hij de mails niet geschreven zou hebben of dat enige mails zouden zijn aangevuld met opmerkingen die hij zelf niet geschreven zou hebben, niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich evenwel door het verzenden van de gewraakte e-mails aan het (zakelijke) emailadres van [slachtoffer1] niet schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met wederrechtelijke vrijheidsberoving danwel met een misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht. De rechtbank overweegt hiertoe dat de formule van het programma ‘Hart in Aktie’ erop is gericht dat burgers hun levensverhaal vertellen en een hulpvraag stellen. Verdachte heeft zijn levensverhaal zeer uitvoerig uit de doeken gedaan en daarbij zijn wensdromen en fantasieën (dan wel waangedachten) herhaaldelijk en kenbaar de vrije loop gelaten. Van een intentie bij verdachte tot bedreiging van aangeefster is op geen enkele wijze gebleken. De rechtbank onderkent dat de in de tenlastelegging geciteerde fragmenten, wanneer zij buiten hun context worden beschouwd, bedreigend kunnen overkomen. Gelet echter op deze context en het kenbaar gebrekkige realiteitsgehalte van de volledige teksten kunnen de zeer fragmentarisch geciteerde onderdelen van de teksten die in de telastelegging zijn opgenomen, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden beschouwd als daadwerkelijke bedreigingen als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht

Met betrekking tot het tweede deel van het onder 2 ten laste gelegde, onder A en B, betoogt de officier van justitie dat aangeefster zeer geschrokken is van de inhoud van de e-mails en de berichten in het gastenboek. Gelet op het aantal berichten, tot wel 40 per dag, de toenemende agressie in toonzetting en de inhoud van de berichten, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook in objectieve zin sprake is van handelingen die een stelselmatige inbreuk opleveren van de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer1], zoals artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht eist.

De raadsman van verdachte voert aan dat, naast het feit dat verdachte het zenden van het merendeel van de mails ontkent en dan met name van de passages over de zoon van het slachtoffer, het opzet van de schrijver van de mails niet gericht is geweest op het bedreigen danwel lastigvallen van aangeefster.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Het televisieprogramma dat aangeefster presenteert en het dagboek van aangeefster op haar website nodigen uit tot reacties van onbekende burgers. Dit sluit niet uit dat dergelijke reacties onder omstandigheden een wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk kunnen opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de geadresseerde. In het onderhavige geval is de rechtbank, gelet op de frequentie en de op sommige momenten zeer persoonlijk getinte toonzetting van de gewraakte berichten van oordeel dat er sprake is van een wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Een dergelijke inbreuk kan op grond van artikel 285b van het Wetboek van strafrecht echter slechts strafbaar zijn als de inbreuk wordt gepleegd met het oogmerk om de betrokkene te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden danwel vrees aan te jagen. Van een zodanig oogmerk bij verdachte, waarvoor het bestaan van voorwaardelijk opzet niet voldoende is, is de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte getracht door zijn mails de belangstelling van aangeefster op te wekken in de hoop dat het programma “Hart in Aktie” hem zou helpen bij het door hem gewenste stamboomonderzoek. Dat verdachte door middel van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, haar welbewust heeft willen dwingen tot medewerking dan wel vrees heeft willen aanjagen, is niet komen vast te staan.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van de over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages, te weten het Pro Justitia rapport van psychiater J. Wesselius d.d.15 maart 2006, het Pro Justitia rapport van de gezondheidszorgpsycholoog R. de Vries d.d. 7 juli 2006, het Pro Justitia rapport van psychiater J. Wesselius d.d.17 juli 2006 en het rapport van het Pieter Baan Centrum opgesteld door R.J.P. Rijnders, psychiater en C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog d.d. 8 februari 2007.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum komt –voor zover van belang en zakelijk weergegeven- het volgende naar voren:

Op grond van het bovenstaande zijn wij (de onderzoekers R.J.P. Rijnders en C.M. van Deutekom) van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddelde normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

De ondergetekenden concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem telastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte voor de zaken A en B uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor de duur van 2 jaar.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich jegens meerdere ambtenaren in de uitoefening van hun functie op meerdere tijdstippen schuldig gemaakt aan bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht waarbij hij zijn slachtoffers aanzienlijke angst heeft aangejaagd. Naast het feit dat de slachtoffers van dergelijke delicten daarvan nog langdurig psychische problemen kunnen ondervinden, versterken dergelijke delicten de reeds in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid.

Daarnaast heeft verdachte zijn toenmalige vriendin mishandeld door haar op haar kaak te slaan en de deur tegen haar te drukken. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer en geen enkel respect voor zijn vriendin getoond. Naar de ervaring leert kunnen de slachtoffers van huiselijk geweld hier nog langdurig psychische problemen van ondervinden. Ook heeft verdachte, nadat de relatie verbroken was, stelselmatig wederrechtelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze vrouw door zowel haar als haar vader stelselmatig brieven te sturen en door rond te hangen op haar werk en brieven sturen aan enkele van haar collega’s. Ook heeft hij een andere collega van deze vrouw mishandeld door met zijn elleboog in de maag van die collega te stoten.

Nu verdachte van het onder 2 telastegelegde en van belangrijke delen van het onder 3 telastegelegde zal worden vrijgesproken, acht de rechtbank de door de officier gevorderde terbeschikkingstelling van verdachte van de regering met oplegging van dwangverpleging niet in overeenstemming met de ernst van de feiten waarvoor verdachte zal worden veroordeeld. De rechtbank zal hiervan dan ook afzien. Wel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder feit 2 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het hiervoor in rubriek 3 onder 1, 5 en 6 bewezengeachte:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het hiervoor in rubriek 3 onder 3A en onder 4 bewezengeachte:

Mishandeling, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het hiervoor in rubriek 3 onder 3B bewezengeachte:

Belaging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. M.A.H. van Dalen-van Bekkum en J.J. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C.L. Brenninkmeijer-Verbaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2007.