Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB2214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
828257 DX EXPL 06-3748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease, artikel 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

effectenlease, artikel 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 828257 DX EXPL 06-3748

Vonnis van: 13 juni 2007

F.no.: 581

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. [eiser]

wonende te Gendt

eiser in conventie

verweerder in reconventie

2. [eiseres]

wonende te Gendt

eiseres in conventie

hierna afzonderlijk te noemen [eiser] en [eiseres] en tezamen [eisers]

gemachtigde: mr. K. Maathuis

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

hierna te noemen Dexia

gemachtigde: Swier & Van der Weijden.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 22 november 2006 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties.

Daarna is bij tussenvonnis van 28 maart 2007 een comparitie van partijen bepaald, die op 15 mei 2007 is gehouden. Verschenen zijn [eisers] met hun gemachtigde en Dexia, vertegenwoordigd door R. Takke, met als haar gemachtigde mr. M. Ris, advocaat te Amsterdam. Voor de comparitie zijn van de zijde van [eisers] stukken ingekomen, die zij ook aan de wederpartij hebben gezonden. Partijen hebben inlichtingen verstrekt en hun standpunten toegelicht. [eisers] hebben een opt-outverklaring overgelegd.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorganger(s) daaronder mede begrepen. Legio-Lease B.V. was een dochteronderneming van Labouchere.

1.2. Op of omstreeks 27 maart 1998 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: lease-overkomst 1), waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease B.V. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 74057282 voor een periode van drie jaren. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van fl. 14.468,40 (€ 6.565,47) aandelen leaset (AEGON, KON. OLIE, KPN, UNILEVER) en dat [eiser] 36 maandelijkse termijnen van telkens fl 96,46 (€ 43,77) verschuldigd was. De totale leasesom beliep fl. 17.940,96 (€ 8.141,25), waaronder begrepen fl. 3.472,56 (€ 1.575,77) rente over drie jaren. De overeenkomst vermeldt als aankoop-valutadatum 26 maart 1998. Deze overeenkomst is op 26 maart 2001 geëindigd, waarna [eiser] van Dexia een bedrag van € 133,62 heeft ontvangen. Op de aandelen waarop deze overeenkomst ziet is in totaal € 27,46 aan dividend en vergoeding wegens de zogenoemde ‘Unileverclaim’ uitgekeerd.

1.3. Op of omstreeks 30 november 1998 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: lease-overkomst 2), waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease B.V. Deze overeenkomst in aangegaan onder nummer 74114120. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van drie jaren. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van fl. 13.896,45 (€ 6.305,93) aandelen leaset (ABN AMRO, AHOLD, ING) en dat [eiser] na ondertekening van de overeenkomst een rentetermijn van fl. 3.000,- (€ 1.361,34) verschuldigd was. De totale leasesom beliep fl 16.896,45 (€ 7.667,27). Deze overeenkomst is op 30 november 2001 geëindigd, waarna [eiser] van Dexia een bedrag van € 590,52 heeft ontvangen.

1.4. Op of omstreeks 18 juni 1999 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: lease-overkomst 3), waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease B.V. Deze overeenkomst in aangegaan onder nummer 74208822 voor een periode van drie jaren. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van fl. 43.223,43 (€ 19.613,94) aandelen leaset (ABN AMRO, AHOLD, ING) en dat [eiser] 36 maandelijkse termijnen van telkens fl. 251,92 (€ 114,32) verschuldigd was. De totale leasesom beliep fl 52.292,60 (€ 23.729,35), waaronder begrepen fl. 9.069,17 (€ 4.115,41) rente over drie jaren. Deze overeenkomst werd op of omstreeks 19 juni 2002 verlengd op (nagenoeg) gelijkblijvende voorwaarden. Op de aandelen waarop deze overeenkomst ziet is in totaal € 1.447,66 aan dividend en vergoeding wegens de zogenoemde ‘Aholdclaim’ uitgekeerd.

1.5. Per 17 juni 2005 heeft Dexia ten aanzien van de (verlengde) lease-overeenkomst 3 een eindafrekening opgesteld, volgens welke [eiser] nog een bedrag van € 6.384,- verschuldigd is.

1.6. Op of omstreeks 30 september 1999 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Korting Kado (hierna: lease-overkomst 4), waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease B.V. Deze overeenkomst in aangegaan onder nummer 59104635. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van tien jaren, met het recht van [eiser] om de overeenkomst na drie jaren te beëindigen. In geval van vervroegde beëindiging na drie jaren wordt blijkens de overeenkomst een korting van 50% verleend op de resterende maandbedragen. De overeenkomst bepaalt verder onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van fl. 48.561,39 (€ 22.036,20) aandelen leaset (AHOLD, ING, KON. OLIE, UNILEVER), dat [eiser] eerst 36 maandelijkse termijnen van telkens fl 501,78 (€ 227,70) verschuldigd was en dat hij hierna 84 maandelijkse termijnen verschuldigd was, waarvan de hoogte zou worden bepaald aan de hand van de gemiddelde procentuele stijging van het aandelenpakket over de eerste drie jaren. De totale leasesom beliep fl. 108.775,57 (€ 49.360,20), waaronder begrepen fl. 60.214,17 (€ 27.324,00) rente over tien jaren, exclusief voormelde korting. Deze overeenkomst is per 12 januari 2006 door Dexia beëindigd. Op de aandelen waarop deze overeenkomst ziet is in totaal € 2.885,- aan dividend uitgekeerd.

1.7. Per 12 januari 2006 heeft Dexia een eindafrekening opgesteld van lease-overeenkomst 4, volgens welke [eiser] nog een bedrag van € 11.359,69 verschuldigd is.

1.8. Op of omstreeks 27 maart 2001 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam WinstVerDriedubbelaar (hierna: lease-overkomst 5), waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Bank Labouchere N.V. Deze overeenkomst in aangegaan onder nummer 75042937 voor een periode van drie jaren. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van fl. 16.765,43 (€ 7.607,82) aandelen leaset (AEGON, KON. OLIE, KPN, TPG, UNILEVER) en dat [eiser] 36 maandelijkse termijnen van telkens fl 97,71 (€ 44,34) verschuldigd was. De totale leasesom beliep fl. 20.283,08 (€ 9.204,06), waaronder begrepen fl. 3.517,65 (€ 1.596,24) rente over drie jaren. Op de aandelen waarop deze overeenkomst ziet is in totaal € 54,93 aan dividend uitgekeerd.

1.9. Laatstgenoemde overeenkomst werd op of omstreeks 30 maart 2004 voor de duur van drie jaren verlengd. De verlengingsovereenkomst bepaalt dat [eiser] deze na 12 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten kan beëindigen onder betaling of verrekening van de hoofdsom. Verder bepaalt de overeenkomst onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van € 7.607,82 aandelen leaset (AEGON, KON. OLIE, KPN, TPG, UNILEVER) en dat [eiser] 36 maandelijkse termijnen van telkens € 45,99 verschuldigd is. De totale leasesom beliep € 9.263,46, waaronder begrepen € 1.655,64 aan rente over drie jaren. Deze overeenkomst is per 6 januari 2006 door Dexia beëindigd.

1.10. Per 6 januari 2006 heeft Dexia ten aanzien van de (verlengde) lease-overeenkomst 5 een eindafrekening opgesteld, volgens welke [eiser] nog een bedrag van € 1.221,73 verschuldigd is.

1.11. Op de lease-overeenkomsten 1, 2, 3, 4 en 5 (hierna: de lease-overeenkomsten) zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing.

1.12. [eiser] is geboren op [geboortedatum]. Hij was ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten van beroep timmerman, eerst in loondienst en later als zelfstandige zonder personeel. Zijn fiscaal loon bedroeg in 1998 fl. 53.250,45 en in 1999 fl. 51.018,-. Hij had ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten geen relevante beleggingservaring.

1.13. [eiseres] is geboren op [geboortedatum]. Zij was ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten niet werkzaam in loondienst.

1.14. Het vrij besteedbaar vermogen van [eisers] bedroeg eind 1998 € 4.294,89, eind 1999 € 1.721,68 en eind 2000 € 1.769,19.

1.15. Bij brief van 9 mei 2005 heeft [eiseres] met een beroep op artikel 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) de lease-overeenkomsten vernietigt en terugbetaling van de door [eiser] gedane betalingen gevorderd.

1.16. Bij brief van 5 juli 2005 hebben [eisers] middels mr. P.A. Aan de Kerk, advocaat te Groesbeek, een beroep gedaan op de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van de lease-overeenkomsten, mede op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en aanspraak gemaakt op vergoeding van schade op grond van onrechtmatig handelen van Dexia.

2. De vordering in conventie

[eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair: voor recht te verklaren dat zij bij brief van 5 juli 2005 buitengerechtelijk de nietigheid hebben ingeroepen van de lease-overeenkomsten, althans dat zij bij die gelegenheid deze overeenkomsten hebben vernietigd, althans voor recht te verklaren dat bedoelde overeenkomsten wegens strijdigheid met de bepalingen van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 en de Wet op het consumentenkrediet nietig zijn, althans deze overeenkomsten op die grond te vernietigen;

2. Subsidiair: voor recht te verklaren dat eisers bij brief van 5 juli 2005 buitengerechtelijk de lease-overeenkomsten hebben vernietigd wegens misbruik van omstandigheden of dwaling, althans deze overeenkomsten wegens misbruik van omstandigheden of dwaling te vernietigen;

3. Meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [eiseres] de lease-overeenkomsten door middel van haar brief van 9 mei 2005 buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens strijdigheid met het bepaalde in artikel 1:89 BW, althans deze overeenkomsten op die grond te vernietigen;

4. Meer subsidiair: te verklaren voor recht dat, ten gevolge van de vervulling van de ontbindende voorwaarde de lease-overeenkomsten niet tot stand zijn gekomen;

5. Meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten door [eisers] zijn ontbonden op grond van tekortkoming in de nakoming;

6. Op grond van de nietigheid, althans de vernietiging, althans de niet totstandkoming, althans de ontbinding van de lease-overeenkomsten Dexia te veroordelen om aan [eisers] tegen kwijting te betalen al hetgeen [eiser] aan Dexia uit hoofde van genoemde overeenkomsten onverschuldigd hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

7. Op grond van onrechtmatig handelen van Dexia jegens [eisers] Dexia te veroordelen tot vergoeding van de hierdoor door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat, onder meer betreffende de door hen betaalde inleg en maandtermijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de datum der algehele voldoening;

8. Dexia te veroordelen tot betaling aan [eisers] van de kosten van hun juridische bijstand;

9. Dexia te veroordelen tot ongedaanmaking van de (A-)notering van [eisers] bij het BKR te Tiel, althans Dexia te veroordelen aan het BKR mede te delen dat voor wat haar betreft deze notering niet behoeft te worden gehandhaafd;

10. Dexia te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3. De vordering in reconventie

Dexia vordert [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.965,42, te vermeerderen met de contractuele rente, althans de wettelijke rente en [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding.

4. Standpunten [eisers]

In conventie en in reconventie

4.1. [eisers] stellen zich op het standpunt dat zij bij brief van 5 juli 2005 rechtsgeldig buitengerechtelijk de nietigheid van de lease-overeenkomsten hebben ingeroepen, dan wel de lease-overeenkomsten hebben vernietigd. Zij voeren daartoe aan dat Dexia zonder de op grond van artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) vereiste vergunning is opgetreden als orderremissier dan wel cliëntenremissier en dat Dexia zich ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten voordeed als kredietgever, terwijl zij niet beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 9 Wet op het consumentenkrediet (WCK). Omdat Dexia hiermee in strijd handelde met dwingendrechtelijke voorschriften, zijn de lease-overeenkomsten nietig, aldus [eisers]

4.2. Verder voeren [eisers] aan dat de rechtshandelingen die hebben geleid tot het sluiten van de lease-overeenkomsten tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden door Dexia. [eiser] was destijds immers onervaren, terwijl de door Dexia verstrekte informatie verre van objectief was. Daarnaast zijn de lease-overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling. Dexia heeft een compleet verkeerd beeld geschetst van de financiële producten die ze aanbood en zij heeft [eiser] niet duidelijk gemaakt dat de lease-overeenkomsten telkens langlopende geldleningen betroffen, waarop een forse rente verschuldigd was, gecombineerd met de aankoop van een pakket aandelen of certificaten dat, voor wat betreft de risico’s en koersfluctuaties, geheel voor risico van [eiser] kwam.

4.3. [eisers] stellen zich subsidiair op het standpunt dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW, reden waarom de lease-overeenkomsten nietig zijn wegens het ontbreken van de toestemming van [eiseres]. Volgens [eisers] heeft [eiseres] de lease-overeenkomsten bij brief van 9 mei 2005 rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd. Geritsen-Van Brakel was weliswaar door de eerste afschrijving van de termijnbetalingen van de gezamenlijke rekening bekend met de lease-overeenkomsten, doch zij werd pas begin 2003 bekend met de aard van de lease-overeenkomsten, zodat de verjaringstermijn van haar beroep op vernietiging eerst dan inging.

4.4. [eisers] stellen zich meer subsidiair op het standpunt dat Dexia als professionele en op het terrein van aandelenlease bij uitstek deskundige dienstverlener in de precontractuele fase van de lease-overeenkomsten een (bijzondere) zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Deze schending is gelegen in het feit dat Dexia heeft gehandeld in strijd met het in artikel 21 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1995 (NR ’95) en artikel 26 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR ‘99) neergelegde verbod op cold calling. Voorts heeft Dexia, anders dan in artikel 28 lid 1 NR ’99 is voorgeschreven, nagelaten om informatie in te winnen over de financiële positie van [eisers], hun ervaring met het beleggen in effecten en hun beleggingsdoelstelling. Dexia heeft verder, in strijd met artikel 20 NR ’95 en 33 NR’99, geen gegevens en bescheiden verstrekt, afgestemd op de ervaringen en het kennisniveau van [eisers], die nodig waren voor een goede beoordeling van de aandelenlease-overeenkomsten. Met name heeft Dexia nagelaten [eisers] te informeren dat belegd zou gaan worden met geleend geld en dat er risico’s verbonden waren aan de beleggingen, terwijl de aandelenlease-overeenkomsten zeer complexe producten zijn, die zeer moeilijk te doorgronden zijn.

4.5. [eisers] stellen verder dat niet is gebleken dat de aandelen die in de lease- overeenkomsten worden genoemd werkelijk zijn aangekocht en dat daardoor wegens het niet vervullen van de opschortende voorwaarden de lease-overeenkomsten nimmer tot stand zijn gekomen dan wel dat Dexia daardoor tekort is gekomen in de nakoming van de overeenkomsten.

4.6. Het doel van de lease-overeenkomsten was volgens [eisers] het treffen van een pensioenvoorziening, omdat [eiser] slecht een minimaal pensioen heeft opgebouwd en een AOW-gat heeft laten ontstaan.

5. Standpunten Dexia

In conventie en in reconventie

5.1. Dexia betwist de vordering van [eisers] en voert – kort gezegd – aan dat de stellingen van [eisers] ten aanzien van het ontbreken van een vergunning in de zin van artikel 7 Wte 1995 reeds moet worden gepasseerd op de grond dat niet Bank Labouchere, maar haar dochteronderneming Legio Lease B.V. de producten WinstVerDriedubbelaar en Korting Kado aanbood. De lease-overeenkomsten vallen volgens Dexia voorts niet onder het bereik van de WCK.

5.2. Dexia voert verder aan dat [eiseres] geen beroep op artikel 1: 88 juncto 1:89 BW toekomt, omdat niet vaststaat dat [eiser] en [eiseres] ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten gehuwd waren en de lease-overeenkomsten bovendien niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop. Subsidiair voert Dexia aan dat het onderhavige beroep op vernietigbaarheid inmiddels is verjaard.

5.3. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst over alle relevante informatie en had [eiser] op basis van de tekst van de lease-overeenkomst, de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease, de brochure en de fiscale opinies kunnen weten wat de lease-overeenkomsten inhielden, welke verplichtingen hij aanging en welke risico’s daarbij hoorden, zodat [eiser] geen beroep op dwaling toekomt. Voorts betwist Dexia dat zij zich bediend zou hebben van misleidende reclame, dat zij misbruik van omstandigheden heeft gemaakt en dat zij de aandelen die in de lease-overeenkomsten zijn genoemd niet zijn aangekocht.

5.4. [eiser] komt volgens Dexia geen beroep op de NR ‘95 en ’99 toe, omdat Dexia [eiser] eerst nadat hij een door hem ondertekend aanvraagformulier aan de bank heeft teruggestuurd telefonisch heeft benaderd en de lease-overeenkomsten niet telefonisch zijn gesloten, reden waarom Dexia niet in strijd heeft gehandeld met het verbod op ‘cold calling’. Verder stelt Dexia dat zij [eiser] voldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s van de lease-overeenkomsten en dat de Nadere regelingen niet meebrengen dat meer informatie had moeten worden ingewonnen dan zij feitelijk heeft gedaan.

5.5. Dexia betwist de door [eisers] gestelde schade, althans dat zij daarvoor aansprakelijk is. Zij meent voorts dat door [eiser] genoten voordelen uit de lease-overeenkomst in aanmerking dienen te worden genomen, zoals het fiscale voordeel, ontvangen dividenden en het voordeel dat [eiser] heeft genoten vanwege het feit dat hij een lening in het kader van de lease-overeenkomst heeft gesloten en niet een gewone lening van de hoofdsom tegen marktconforme tarieven.

5.6. Ten slotte stelt Dexia – in reconventie – dat zij een vordering op [eiser] heeft, bestaande uit de restschuld voortvloeiende uit de overeenkomsten 3, 4 en 5 en dat [eiser] zijn verplichtingen uit deze overeenkomsten niet nakomt.

6. De beoordeling

6.1. De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, tot anders wordt aangegeven.

Huurkoop; bevoegdheid

6.2. In het onderhavige geval is sprake van producten waarbij aandelen geleased worden. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de lease-overeenkomsten te worden aangemerkt als huurkoop (en derhalve als koop op afbetaling). De overeenkomsten voldoen aan de definitie van huurkoop in artikel 7A:1576h BW, hebben althans deze strekking. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de kantonrechter naar de overwegingen in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LN: AZ9721), welke overwegingen de kantonrechter hier overneemt en tot de hare maakt. Kort samengevat is de kantonrechter van oordeel dat huurkoop op de voet van de artikelen 7:47 en 7A:1576 lid 5 BW betrekking kan hebben op vermogensrechten (als de onderhavige). [eiser] heeft zich verbonden de prijs te betalen in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de aandelen aan hem zijn afgeleverd. Hierbij is het niet relevant of de termijnen aflossing en/of rente betreffen en evenmin welke omvang ze hebben. Voorts is van belang dat Dexia zich heeft verbonden de aandelen in eigendom over te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs. Dexia heeft zich verder verbonden de aandelen af te leveren. Zij heeft zich immers verbonden de aandelen voorwaardelijk ten name van afnemer bij te schrijven in haar administratie overeenkomstig artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge), en aan [eiser] kwamen, telkens dadelijk nadat hij de overeenkomsten was aangegaan, alle (dividend)baten en alle waardeveranderingen van de aandelen toe.

6.3. Nu de lease-overeenkomsten kwalificeren als huurkoop, is de kantonrechter bevoegd.

Artikel 1:88 en 1:89 BW

6.4. [eiseres] heeft een beroep gedaan op de in artikel 1:89 BW bedoelde vernietigbaarheid. De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaren. Ter terechtzitting heeft [eiseres] naar voren gebracht dat de (termijn)betalingen voor de lease-overeenkomsten van de gezamenlijke (en/of-)bankrekening werden verricht en dat zij hierdoor (telkens) bij de eerste betaling op de hoogte is geraakt van het feit dat [eiser] lease-overeenkomsten met Dexia is aangegaan. Gelet op de in de afzonderlijke lease-overeenkomsten genoemde data van eerste betaling was de bevoegdheid tot vernietiging van [eiseres] ten laatste op 1 april 2004 verjaard. Het beroep van [eiseres] op de artikelen 1:88 en 1:89 BW faalt derhalve.

Strijd met de Wte 1995 en de WCK

6.5. [eisers] voeren aan dat er sprake is van nietigheid wegens strijd met de Wte 1995 en de WCK. Indien de overeenkomsten op een van deze gronden zouden worden vernietigd, ontstaan daaruit voor beide partijen verplichtingen. Enerzijds zal Dexia de reeds geleverde prestaties ongedaan dienen te maken (er is dan sprake van onverschuldigde betaling). Anderzijds zal in dat geval, op grond van artikel 6:278 BW, de waardedaling van de geleasede effecten voor rekening van [eiser] komen. Beide verplichtingen dienen te worden beoordeeld en (zonodig) beperkt (eventueel tot nihil) met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW). Die maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de daarbij in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn dezelfde als welke dienen te gelden zonder toepasselijkheid van de betreffende wet, waardoor het eindresultaat in beide gevallen hetzelfde zal zijn. Voorts dient Dexia in de onderhavige gevallen ook buiten hetgeen is bepaald in de Wte 1995 en de WCK reeds aan een zorgplicht te voldoen waaraan hoge eisen worden gesteld. Niet valt in te zien dat er een verschil bestaat tussen laatstbedoelde algemene zorgplichten – waaraan hierna zal worden getoetst – en de zorgplichten die de hier bedoelde wetten in het algemeen beogen te waarborgen.

6.6. De slotsom is dat het beroep op de Wte 1995 en de WCK niet tot een ander oordeel kan leiden omtrent de (door elk van partijen te dragen) gevolgen van het aangaan van de betreffende lease-overeenkomsten, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep. Uit het voorgaande volgt dat er voldoende gronden bestaan om de toepasselijkheid van de Wte 1995 en de WCK in het midden te laten.

Misleidende reclame

6.7. [eisers] hebben hun stelling dat Dexia zich bediend zou hebben van misleidende reclame onvoldoende feitelijk onderbouwd, reden waarom hieraan voorbij wordt gegaan.

Misbruik van omstandigheden

6.8. De kantonrechter verwerpt het beroep van [eisers] op misbruik van omstandigheden. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de lease-overeenkomsten alle tot stand zijn gekomen doordat [eiser] de aanvraagformulieren die zich in het aan hem gezonden informatiemateriaal bevonden aan Dexia zond en dat verder met betrekking tot het aangaan van de lease-overeenkomsten geen persoonlijk contact heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat Dexia, wetende of moetende begrijpen dat [eiser] door bijzondere omstandigheden (zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) bewogen werd tot het aangaan van de lease-overeenkomst, het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen zij wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden (art. 3:44 lid 4 BW).

Dwaling

6.9. Een persoon die overweegt een overeenkomst aan te gaan, is tegenover de wederpartij gehouden om, binnen redelijke grenzen, maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat hij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken met die overeenkomst instemt. Uit die verplichting volgt dat van een potentiële afnemer van een lease-overeenkomst mag worden verwacht dat hij deze overeenkomst zorgvuldig leest alvorens ermee in te stemmen en zich naar vermogen inspant om de reikwijdte van zijn daaruit volgende verplichtingen en risico’s te begrijpen. Als hij nalaat zich op de hier bedoelde wijze te informeren en vervolgens onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst aangaat, komt die onjuiste voorstelling voor zijn eigen risico. In dat geval kan zij krachtens art. 6:228 lid 2 BW niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden.

6.10. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [eiser] kunnen en moeten afleiden dat er sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale lease-som is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eiser] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Er dient in zijn algemeenheid van te worden uitgegaan dat ieder die in effecten belegt, en ook [eiser], zich ervan bewust dient te zijn dat koersen van effecten ook kunnen dalen.

6.11. Een en ander laat onverlet dat Dexia tekort kan zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht als zij de daaruit voortvloeiende waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dat is een ander criterium dan dat geldt ten aanzien van dwaling. Op die tekortkoming kan aansprakelijkheid van Dexia berusten.

Aankoop effecten

6.12. [eisers] stellen dat Dexia de in de lease-overeenkomst genoemde effecten niet daadwerkelijk heeft gekocht, althans dat zulks niet is gebleken. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) op basis van een rapportage van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) geoordeeld dat er onvoldoende reden is te twijfelen aan de feitelijke verwerving van de effecten door Dexia. Door [eisers] is onvoldoende gesteld om daarover thans anders te oordelen.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

6.13. Er bestaat debat over de toepasselijkheid van de NR zoals deze van kracht was ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst(en). In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 30 juni 2004, NJF 2004, 410 (LJN: AP4933), van de daaromtrent gedane uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI van 5 februari 2004, NJF 2004, 446 en het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722) is de kantonrechter van oordeel dat Dexia bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden was aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht, waaraan niet afdoet dat zij een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood. Voor zover Dexia heeft gesteld dat de NR onverbindend is treft dit geen doel, omdat de NR haar wettelijke basis vindt in art. 11 van de Wte 1995 (HR 24 november 2006, NJ 2006, 644 (LJN: AY9222)). Voorts volgen de daarin neergelegde regels ook uit de zorgplicht, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285, JOR 1998, 116 (LJN: ZC2536), heeft beslist “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.”

Nakoming zorgplicht

6.14. De risico’s van de lease-overeenkomsten zijn aanzienlijk, met name in verband met de kosten die op de afnemer van het product zijn gelegd. Daarom is een beduidende koersstijging van de geleasede effecten vereist, bemeten over de volle looptijd van de overeenkomst, om een positief rendement te behalen.

6.15. Dexia behoorde zich als professionele dienstverlener bewust te zijn van de gerede mogelijkheid dat de koersstijging van de desbetreffende effecten ontoereikend zou zijn om [eiser] ten minste zijn inleg terug te bezorgen en eventueel zijn (resterende) schuld uit hoofde van de lease-overeenkomst (de restant hoofdsom) aan Dexia af te lossen. Dexia had zich tenminste rekenschap behoren te geven van de vraag of haar potentiële wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen. Tenslotte behoorde Dexia de (potentiële) afnemer op niet mis te verstane wijze omtrent deze risico’s te informeren en daarvoor te waarschuwen.

6.16. Dat klemt temeer omdat Dexia het product voor een breed publiek beschikbaar heeft gesteld. Dexia had er op bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Dexia diende het door haarzelf verspreide voorlichtingsmateriaal – brochures, formulieren voor het aanvragen c.q. aangaan van de overeenkomsten, (concept)overeenkomsten en bijbehorende (algemene) voorwaarden – zodanig in te richten dat degene die overwoog de onderhavige overeenkomst aan te gaan daarin nadrukkelijk de hiervoor bedoelde waarschuwing aantrof, in bewoordingen die voor de betreffende ondeskundige afnemer duidelijk zijn.

In het bijzonder is ten aanzien van een beleggingsproduct met een complexiteit die de risico's voor een niet-deskundige consument verhult, een zo compleet mogelijke en niet voor misverstand vatbare voorlichting dringend geboden. Die voorlichting diende in elk geval te waarschuwen voor de niet te verwaarlozen kans dat, afhankelijk van de ontwikkelingen op de effectenmarkten, de investering – het totaal van de contractueel voorziene termijnbetalingen – verloren zou gaan en dat in een voorkomend geval bovendien een schuld aan Dexia kon resteren.

6.17. Gesteld noch gebleken is dat Dexia [eiser] de hiervoor bedoelde informatie en waarschuwing heeft gegeven en al evenmin dat Dexia anders dan bij het BKR informatie over [eiser] heeft ingewonnen, zodat vaststaat dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden.

Verdeling van het nadeel

6.18. Op 27 april 2007 heeft de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam in de zaak met LJN-nummer BA3914 uiteen gezet hoe, in het algemeen, het nadeel verdeeld dient te worden dat een afnemer in zaken als de onderhavige heeft gehad. In dit vonnis overwoog de rechtbank, dat onderzocht moet worden of het niet nakomen door Dexia van haar zorgplicht met zich brengt dat Dexia aansprakelijk is voor de daarvan door de afnemer ondervonden negatieve gevolgen, hierna aan te duiden als het nadeel. Het in art. 6:98 BW vereiste causaal verband tussen die tekortkoming en dat nadeel laat zich niet, althans bezwaarlijk, vaststellen omdat achteraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de lease-overeenkomsten tot stand zou zijn gekomen indien Dexia wel aan haar zorgplicht had voldaan. Gelet op de aard van de geschonden norm en de ernst van de schending zal derhalve moeten worden geschat wat de kans is dat de onderhavige lease-overeenkomsten ook bij afdoende nakoming van de zorgplicht door Dexia tot stand zou zijn gekomen en [eiser] die zich wel bewust was van de risico’s, de kwade kansen van een koersdaling dus wenste te accepteren in het vertrouwen dat die daling zich niet zou voordoen. Indien die kans als zeer groot moet worden aangemerkt, zal Dexia niet aansprakelijk zijn voor het door [eisers] geleden nadeel. Indien die kans als zeer klein moet worden aangemerkt, zal Dexia het door [eisers] geleden nadeel dienen te vergoeden. Ten aanzien van tussen beide uitersten gelegen gevallen is het, mede gelet op de aan de art. 6:99, 6:101 en 6:248 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden tot diens nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

6.19. Onder het in aanmerking te nemen nadeel zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomsten verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de onderscheidenlijke lease-overeenkomsten, althans tot het moment dat de overeenkomsten met betrekking tot de renteverplichtingen boetevrij beëindigd konden worden, te vermeerderen met het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldleningen en te verminderen met de opbrengst van de geleasede effecten en met de aan [eiser] uitgekeerde dividenden.

6.20. De onder 6.18 bedoelde schatting en de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen dienen plaats te vinden op basis van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn met name van belang de persoonlijke en financiële situatie van [eiser] en de kennis en ervaring die bij [eiser], mede gelet op zijn opleidingsniveau, op beleggingsgebied verondersteld mogen worden op het moment dat hij de lease-overeenkomst aanging. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eiser] om de overeenkomst aan te gaan. Een van die omstandigheden is dat een afnemer in het algemeen ook een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van zijn keuze tot het aangaan van de lease-overeenkomsten.

6.21. De kantonrechter zoekt in de haar voorgelegde effectenlease-geschillen bij de toerekening van het nadeel aansluiting bij het hierna te bespreken categoraal model.

6.22. In het model zijn beleggingservaring, opleidingsniveau, vermogen (eigen huis en de daarop drukkende hypotheekschuld tellen hiervoor niet mee) en inkomen van de afnemer als indicatieve factoren verwerkt. Het model werkt met bandbreedtes per categorie, die ingevuld kunnen worden al naar gelang het model in meer of mindere mate van toepassing is op de afnemer. Daarnaast laat het model ruimte voor afwijking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van bijzondere omstandigheden in individuele gevallen, zowel van financiële aard als van persoonlijke aard, of bijvoorbeeld op grond van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen.

6.23. Het model kent vier categorieën, waarbij Dexia de daarbij aangegeven percentages van het door de afnemer geleden nadeel dient te dragen. Voor zover de afnemer door hem verschuldigde termijnen of een restant hoofdsom nog niet heeft betaald, wordt hij gekweten voor die verplichtingen, behoudens tot het aan hem toe te rekenen percentage van het nadeel. Hierbij wordt opgemerkt dat de per categorie genoemde omstandigheden telkens cumulatief gelden, tenzij anders aangegeven. Voorts wordt vermeld dat onder netto gezinsinkomen mede wordt verstaan het inkomen van de echtgenoot dan wel de partner met wie de huishouding duurzaam wordt gedeeld.

Categorie-indeling

6.24. De hierna genoemde gegevens hebben betrekking op de situatie ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten.

Categorie 1: 75% tot 85% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

geen enkele beleggingservaring

en geen of nagenoeg geen vermogen

en netto gezinsinkomen minder dan € 15.000,00 per jaar (€ 1.250,00 per maand)

en laag opleidingsniveau en geen voor beleggen relevante beroepservaring.

Categorie 2: 55% tot 65% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.

Dit is de categorie voor een ieder die niet onder één van de andere categorieën valt.

Categorie 3: 30% tot 40% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.

Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen: geen relevante beleggingservaring

en vermogen minimaal 1x de lease-som

en/of een jaarlijks netto gezinsinkomen zowel meer dan € 15.000,00 als meer dan 2/3 deel van de lease-som.

Categorie 4: 5% tot 15% van het nadeel voor rekening van Dexia en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

redelijke beleggingservaring (open norm)

en vermogen minimaal 1x de lease-som

en/of een jaarlijks netto gezinsinkomen zowel meer dan € 15.000,00 als meer dan 2/3 deel van de lease-som.

Vorderingen ter zake van de WinstVerDriedubbelaars en Korting Kado

6.25. Ten aanzien van de lease-overeenkomsten 1 en 2 gaat de kantonrechter uit van de situatie die is ontstaan aan het einde van het contract (na drie jaren). Ter terechtzitting is gebleken dat de door Dexia overgelegde eindafrekeningen juist zijn, reden waarom de kantonrechter bij de berekening en verdeling van het nadeel uitgaat van de hierin vermelde gegevens. Ten aanzien van lease-overeenkomst 3, 4 en 5 gaat de kantonrechter uit van de situatie die zou zijn ontstaan bij beëindiging van de lease-overeenkomsten na drie jaren. De overeenkomsten konden op dat moment immers (boetevrij) worden beëindigd. Ter terechtzitting is gebleken dat [eisers] destijds niet voornemens waren de lease-overeenkomsten te verlengen c.q. voort te zetten, doch dat zij daartoe slechts hebben besloten vanwege het gegeven dat zij niet in staat waren de financiële verplichtingen die bij beëindiging van de lease-overeenkomsten zouden ontstaan, te voldoen. Deze verplichte voortzetting c.q. verlenging van de lease-overeenkomsten, in onderlinge samenhang bezien met de hiervoor genoemde schending van de zorgplicht van Dexia, valt Dexia aldus aan te rekenen, dat zij het nadeel van de betreffende lease-overeenkomsten dat na de eerste drie jaren is ontstaan geheel voor haar rekening dient te nemen. Dexia heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het verlies na drie jaren op lease-overeenkomst 3 € 1.950,-, op lease-overeenkomst 4 € 7.524,- en op lease-overeenkomst 5 € 2.764,06 bedroeg.

6.26. Voor zover de vorderingen van partijen betrekking hebben op financieringskosten van de afnemer of administratie- of beëindigingskosten van Dexia, brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat, gegeven het resultaat van de toepassing van de in voorgaande overwegingen bedoelde uitgangspunten, die kosten voor rekening en risico blijven van degene die de betreffende kosten heeft gemaakt, respectievelijk van degene die deze kosten reeds draagt.

6.27. Uit hetgeen onder de feiten is opgenomen blijkt dat het jaarlijks netto gezinsinkomen van [eisers] ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten meer dan € 15.000,- bedroeg, dat het vermogen van [eisers] minder dan de lease-sommen bedroeg en dat [eiser] ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten geen relevante beleggingservaring had. Dit leidt ertoe dat op [eiser] categorie 2 van het model van toepassing is. Gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder het ontbreken van beleggingservaring bij [eiser], de financiële situatie van [eisers] ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomsten en het doel van de lease-overeenkomsten, is de kantonrechter van oordeel dat Dexia 65% van het overige nadeel berekend over de looptijd van de lease-overeenkomsten zonder verlenging, voor haar rekening dient te nemen.

6.28. Toepassing van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden aan de zijde van [eisers], met inachtneming van de onder de feiten vermelde uitgekeerde bedragen en door [eiser] reeds ontvangen dividenden, en de hiervoor vermelde maatstaven leidt in het onderhavige geval tot het resultaat dat Dexia aan [eiser] dient te betalen:

- uit hoofde van lease-overeenkomst 1 € 1.113,70

- uit hoofde van lease-overeenkomst 2 € 1.136,93

- uit hoofde van lease-overeenkomst 3 € 4.530,25

- uit hoofde van lease-overeenkomst 4 € 8.090,05

- uit hoofde van lease-overeenkomst 5 € 746,99

----------------

in totaal € 15.617,92

6.29. De wettelijke rente over dit bedrag zal, als niet weersproken, worden toegewezen vanaf 5 juli 2005.

6.30. Nu het nadeel van [eisers] dat voor rekening van Dexia komt, is vastgesteld, wordt de door [eisers] gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure afgewezen.

Vordering ter zake van de registratie BKR

6.31. Naar aanleiding van de vordering gericht op ongedaanmaking van de (A-)notering van [eisers] bij het BKR, dan wel een mededeling aan het BKR dat voor wat haar betreft deze notering niet behoeft te worden gehandhaafd, overweegt de kantonrechter dat deze, nu uit het voorgaande blijkt dat de overeenkomsten niet in stand blijven, toewijsbaar is, voor zover hiermee bedoeld wordt dat Dexia BKR Tiel een bericht dient te zenden, inhoudende dat de registratie van de lease-overeenkomsten en daarmee verband houdende inschrijvingen van [eiser] dienen te worden gestaakt c.q. verwijderd.

De overige vorderingen

6.32. De vorderingen van [eisers] gericht op verklaringen voor recht worden afgewezen, omdat zij daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang meer hebben.

6.33. Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van Dexia in reconventie worden afgewezen.

6.34. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhoudingen.

6.35. Gelet op de uitkomst van de procedure zal Dexia worden veroordeeld in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van [eisers]

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

I. veroordeelt Dexia tot betaling aan [eiser] van € 15.617,92 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2005 tot aan de voldoening;

II. veroordeelt Dexia aan de stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel schriftelijk te berichten dat de registratie van de in dit vonnis bedoelde lease-overeenkomsten en daarmee verband houdende inschrijvingen van [eiser] dienen te worden gestaakt c.q. verwijderd;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding gevallen aan de zijde va[eisers], tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 196,00

-kosten dagvaarding: € 84,87

-salaris gemachtigde: € 600,00

----------,---

Totaal: € 880,87

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW,

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

VI. wijst de vordering af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding gevallen aan de zijde va[eisers], tot op heden begroot op € 150,-.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.