Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
DX 07-123
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK6985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease; artikel 1:88 BW; verjaring; zorgplicht; categoriemodel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

rolnummer: DX 07-123

Vonnis van: 18 juli 2007

F.no.: 583

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1. [eiser],

2. [eiseres]

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

nader te noemen respectievelijk [eiser] en [eiseres] en gezamenlijk [eisers].,

gemachtigde: mr. R.H.J.M Silvertand,

t e g e n:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: mr. J. Cornegoor.

De procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 17 januari 2007, met producties,

- de conclusie van antwoord – met eis in reconventie – van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 28 maart 2007 is een comparitie bepaald, welke is gehouden op 11 mei 2007. Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eisers]. per brief van 26 april 2007 en fax van 10 mei 2007 aanvullende stukken ingediend.

Op de comparitie hebben [eisers]. de conclusie van antwoord van reconventie ingediend.

Tijdens de comparitie is door [eisers]. nog een schrijven namens hen aan Dexia d.d. 19 april 2005 overgelegd.

Tenslotte is van [eisers]. op 25 mei 2007 nog de opt-outverklaring inzake de Duisenbergregeling ontvangen.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen [eisers]. in conventie

3. Standpunten [eisers].

4. Standpunten Dexia

5. Vordering Dexia in reconventie

6. Verweer [eisers]. in reconventie

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

Feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorganger(s) daaronder mede begrepen.

1.2. Op of omstreeks 5 januari 2000 heeft [eiser] een effectenlease-overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst draagt de naam "Winst-VerDriedubbelaar" en is aangegaan voor de duur van 36 maanden onder nummer 74500155 (hierna: lease-overeenkomst 1). De overeengekomen totale leasesom bedraagt € 2.771,07 waarvan € 440,28 aan rente. De rente is bij vooruitbetaling voldaan. De aankoopsom van de geleasede effecten, aandelen ABN AMRO, AHOLD en ING, bedroeg € 2.330,79. Van de hoofdsom diende € 45,38 op of omstreeks de 35e maand te worden voldaan en het restant (€ 2.285,41) zou in principe worden verrekend met de verkoopopbrengst van de effecten.

1.3. Lease-overeenkomst 1 met Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease is aan [eiser] toegezonden nadat deze, na enige door of namens Labouchere geïnitieerde telefonische contacten, zijn belangstelling hiervoor kenbaar had gemaakt.

In artikel 10 van deze lease-overeenkomst is vermeld dat deze wordt geacht niet tot stand te zijn gekomen en lessee aan de lease-overeenkomst geen rechten kan ontlenen indien Labouchere de lease-overeenkomst niet binnen 5 werkdagen na dagtekening door lessee getekend heeft terugontvangen.

1.4. Op of omstreeks 14 december 2000 heeft [eiser] wederom een effectenlease-

overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst draagt de naam "Profit Effect Maandbetaling” en is voor de duur van 10 jaar (120 maanden) aangegaan onder nummer 56091789 (hierna: lease-overeenkomst 2). De overeengekomen totale leasesom bedraagt € 24.363,08 waarvan € 13.486,80 aan rente. De rente diende te worden voldaan in 120 maandelijkse termijnen van € 112,39, waarbij het volgens de overeenkomst mogelijk was dat vanaf de 37e termijn een korting op de renteverplichting zou worden gerealiseerd. Aan de daarvoor gestelde voorwaarden is evenwel niet voldaan. De aankoopsom van de geleasede effecten, aandelen AHOLD, ING, KON. OLIE en UNILEVER, bedroeg € 10.876,28. Van dit bedrag diende

€ 45,38 op of omstreeks de 119e maand te worden voldaan en het restant (€ 10.830,90) zou in principe worden verrekend met de verkoopopbrengst van de effecten. [eiser] heeft 52 rentetermijnen van € 112,39 voldaan.

1.5. Lease-overeenkomst 2 met Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease is door Labouchere aan [eiser] toegezonden naar aanleiding van een bezoek dat een verkoopmedewerker van Spaar Select bij [eiser] aan huis bracht, nadat [eiser] enige malen telefonisch was benaderd.

In artikel 7 van deze lease-overeenkomst is vermeld dat deze wordt geacht niet tot stand te zijn gekomen en lessee aan de lease-overeenkomst geen rechten kan ontlenen indien Labouchere de lease-overeenkomst niet binnen 30 dagen na aankoping van de waarden door lessee getekend heeft terugontvangen.

1.6. [eiseres] heeft geen van beide lease-overeenkomsten (hierna: de lease-overeenkomsten) medeondertekend.

1.7. [eiser] was 56 jaar ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten. Het inkomen van [eisers]. bedroeg in januari 2000 € 1.130,11 netto per maand en in december 2000 € 1.201,27 netto per maand.

1.8. Lease-overeenkomst 1 is in januari 2003 geëxpireerd. De waarde van de aandelen was op dat moment onvoldoende om de oorspronkelijke aankoopsom van de geleasede effecten te voldoen. De eigendom van de betreffende aandelen is toen door [eiser] overgenomen.

1.9. Bij brief van 19 april 2005 is namens [eiseres] de nietigheid van de lease-overeenkomsten ingeroepen op grond van artikel 1:89 BW, aangezien zij deze niet mede had ondertekend. Tevens werd namens [eiser] de nietigheid van de lease-overeenkomsten ingeroepen wegens dwaling. Bij brief van 18 augustus 2005 is tevens de nietigheid ingeroepen wegens schending van de Wet op het consumentenkrediet (WCK), en werd, voor het geval het inroepen van voormelde nietigheden niet zouden worden gehonoreerd, aanspraak gemaakt op vergoeding van de door [eisers]. geleden schade wegens toerekenbare tekortkoming danwel onrechtmatige daad.

1.10. Op 13 december 2005 heeft Dexia lease-overeenkomst 2 een eindafrekening opgesteld, volgens welke [eiser] per saldo nog in totaal € 8.274,40 zou zijn verschuldigd, na aftrek van de verkoopopbrengst van de effecten.

2. Vorderingen [eisers]. in conventie

[eisers]. vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dit toelaat:

ten eerste

primair:

a. te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten nietig zijn;

b. dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn ontbonden;

c. dat Dexia jegens [eisers]. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de lease-overeenkomsten;

d. dat Dexia jegens [eisers]. een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd;

e. dat Dexia jegens [eisers]. aansprakelijk is voor de daardoor verschenen en nog te verschijnen schade;

f. dat [eisers]. niet gehouden is de uit de lease-overeenkomsten voortvloeiende restschulden aan Dexia te betalen;

subsidiair:

de lease-overeenkomsten te vernietigen, danwel te ontbinden;

ten tweede

primair:

Dexia te veroordelen om aan [eisers]. binnen twee dagen na betekening van een in deze zaak te wijzen veroordelend vonnis te betalen:

a. de door [eisers]. uit hoofde van de lease-overeenkomsten aan Dexia betaalde en ingelegde gelden ad € 6.284,56, althans enig ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

b. het door [eisers]. uit hoofde van lease-overeenkomst 1 geleden verlies ad € 1.073,63, zijnde het verschil is tussen de aankoopsom van de in het kader van deze overeenkomst gekochte aandelen minus de waarde van die – door [eisers]. in eigendom verkregen – aandelen op het tijdstip van het uitbrengen van de dagvaarding;

c. de wettelijke rente over de betaalde en ingelegde gelden ad € 6.284,56 vanaf de datum van betaling van dat bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, althans met ingang van enige andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

subsidiair:

schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en € 5.000,- ten titel van voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding;

ten derde,

Dexia te gebieden om binnen twee dagen na betekening van een in deze zaak te wijzen veroordelend vonnis schriftelijk en onvoorwaardelijk aan de stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel te berichten, dat de registratie van de lease-overeenkomsten en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van [eisers]. blijvend dienen te worden verwijderd, en/of gestaakt en/of gewijzigd ten gunste van [eisers]., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat Dexia met de bedoelde berichtgeving aan BKR in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;

ten vierde,

veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3. Standpunten [eisers].

3.1 [eisers]. stellen dat Dexia heeft gehandeld in strijd met artikel 9 van de WCK

waardoor de lease-overeenkomsten ingevolge artikel 3:40 BW nietig zijn.

3.2 [eisers]. stellen vervolgens dat de lease-overeenkomsten, die moeten worden

aangemerkt als huurkoop en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW, nietig zijn wegens het ontbreken van de toestemming van [eiseres] als bedoeld in artikel 1:88 BW. Zij stellen dat zij ten tijde van het totstandkomen van de lease-overeenkomsten met elkaar waren gehuwd.

3.3 [eisers]. stellen zich daarnaast op het standpunt dat de lease-overeenkomsten

rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd op grond van dwaling. In dat verband voeren zij aan dat Dexia [eiser] onjuist heeft geïnformeerd, onder andere door te zeggen dat effectenlease een spaarproduct was, dat de kans op een negatief rendement 0% was en dat effectenlease een geschikt product was om te voorzien in de pensioenbehoefte. Daarbij heeft Dexia – aldus [eisers]. – onvoldoende gewaarschuwd voor de risico’s van het zowel verliezen van de inleg als het overhouden van een restschuld. [eiser] is de lease-overeenkomsten aangegaan op grond van een onjuiste voorstelling van zaken. Zou [eiser] op de juiste wijze zijn geïnformeerd, zo stellen [eisers]., dan zou hij de lease-overeenkomsten niet zijn aangegaan.

3.4 Verder stellen [eisers]. dat Dexia heeft verzuimd te informeren naar de financiële

positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstelling van [eiser] en heeft verzuimd een cliëntenprofiel op te stellen. De lease-overeenkomsten passen niet bij het profiel van [eiser]. Hierdoor heeft Dexia tevens in strijd gehandeld met de artikelen 28 en 33 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR). Voorts stellen [eisers]. dat Dexia gebruik heeft gemaakt van een ongeoorloofde agressieve verkoopmethode, in strijd met artikel 32 NR een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, de kredietwaardigheid van [eiser] niet heeft onderzocht, geen rekening heeft gehouden met de beleggingsdoelstelling van [eiser], namelijk het aanvullen van zijn pensioenvoorziening, en dat Dexia haar verplichtingen op grond van de artikelen 28, lid 3 en 4 NR en 36 NR niet is nagekomen en aldus gehandeld heeft in strijd met de op haar rustende zorgplicht. Ook betwisten [eisers]. dat de aandelen daadwerkelijk zijn aangekocht, althans zijn aangekocht tegen de best mogelijke prijs. Dexia is daarom op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen en/of op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de door [eisers]. geleden schade, bestaande uit de nadelige financiële gevolgen voor [eisers]. uit de lease-overeenkomsten. Tot slot achten [eisers]. het in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien zij gehouden worden tot onverkorte nakoming van de lease-overeenkomsten.

3.5 Daarnaast stellen Tollenaars c.s. zich op het standpunt dat Dexia [eiser] onterecht

heeft doen registreren bij het BKR te Tiel.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [eisers]. en voert – kort gezegd – aan dat

lease-overeenkomst 2 is gesloten door middel van een tussenpersoon, voor wiens gedragingen Dexia niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Verder betwist Dexia de toepasselijkheid van de WCK.

4.2. Dexia stelt zich op het standpunt dat de lease-overeenkomsten niet kunnen

worden aangemerkt als koop op afbetaling en dat [eiseres] dan ook geen beroep toekomt op de artikelen 1:88 en 1:89 BW. Zij betwist overigens ook dat [eisers]. ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten met elkaar gehuwd waren. Voorts stelt Dexia dat toestemming ook anders dan schriftelijk kan worden gegeven en dat dit in dit geval is geschied.

4.3. Subsidiair voert Dexia aan dat het beroep op nietigheid op 18 augustus

2005 was verjaard. Dexia stelt zich op het standpunt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat de niet-handelende echtgenoot bekend is of behoort te zijn met de betreffende overeenkomst(en). Volgens Dexia is het binnen Nederlandse gezinsverhoudingen gebruikelijk dat beleggingsbeslissingen zoals het aangaan van een overeenkomst van effectenlease, nu het om een grote som geld gaat, met medeweten en instemming van beide partners worden genomen en dat uitgaande van een normale gezinssituatie niet is vol te houden dat [eiseres] niet vanaf het begin van de looptijd van de lease-overeenkomsten van het bestaan hiervan op de hoogte was. Ook is volgens Dexia niet onwaarschijnlijk dat [eisers]. voorafgaand aan het sluiten van de lease-overeenkomsten hebben overlegd over het aangaan daarvan, nu dat een gebruikelijke gang van zaken binnen een gezin is.

4.4. Dexia betwist voorts dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn

gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en/of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [eiser] bij het aangaan van de lease-overeenkomsten over alle relevante informatie en had [eiser] op basis van de tekst van de overeenkomsten en de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease kunnen weten wat de lease-overeenkomsten inhielden, welke verplichtingen hij aanging en welke risico’s daarbij hoorden, zodat hem geen beroep op dwaling toekomt. Hetzelfde geldt voor het beroep op de NR nu Dexia [eiser] voldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s en de NR niet meebrengt dat meer informatie had moeten worden ingewonnen dan zij feitelijk heeft gedaan. Voorts stelt Dexia dat de artikelen 28 en 33 NR toepassing missen en dat zij ook overigens niet in strijd met enige bepaling van de NR heeft gehandeld, subsidiair dat het causale verband met de door [eisers]. geclaimde schade ontbreekt. Dexia ontkent dat de aandelen niet daadwerkelijk zijn aangekocht danwel verkocht. Dit heeft wel degelijk plaatsgevonden, tegen een realistische prijs.

4.5. Wat betreft de BKR-notering stelt Dexia dat zij slechts haar verplichting tegenover

BKR is nagekomen.

4.6. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn. Zij

meent voorts dat de door [eisers]. genoten voordelen uit de lease-overeenkomsten in aanmerking dienen te worden genomen, zoals het fiscale voordeel en het voordeel dat [eisers]. hebben genoten nu zij leningen in het kader van de lease-overeenkomsten hebben gesloten en geen gewone leningen tegen marktconforme tarieven. Volgens Dexia is sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiser] omdat hij de lease-overeenkomsten is aangegaan zonder deze te voldoende te bestuderen. Verder doet Dexia een beroep op het bepaalde in artikel 6:278 BW.

4.7. Volledigheidshalve zij nog vermeld dat Dexia heeft aangevoerd dat [eisers].

niet ontvankelijk zijn nu zij geen opt-outverklaring ter zake de zogenoemde “Duisenberg-regeling” hebben overgelegd. Aangezien [eisers]. deze verklaring bij brief van 25 mei 2007 alsnog in het geding hebben gebracht kan dit verweer worden gepasseerd.

5. Vordering Dexia in reconventie

5.1. Dexia vordert, na vermindering van eis, [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.260,94, zijnde het onder 1.10 genoemde saldo van de eindafrekening, verminderd met een reeds door Dexia verrekend bedrag ad € 13,46 aan dividenden. Tijdens de op 11 mei 2007 gehouden comparitie heeft Dexia haar reconventionele eis verminderd tot een bedrag van € 5.738,00. Dexia vordert verder betaling van de contractuele rente over dit bedrag, stellende dat [eiser] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit lease-overeenkomst 2.

5.2. Dexia legt hieraan ten grondslag dat [eiser] op zeker moment zijn betalingen in het

kader van lease-overeenkomst 2 heeft beëindigd. Hierop heeft Dexia de verdere uitvoering van deze overeenkomst gestaakt en de onderliggende aandelen verkocht. De contant gemaakte restant hoofdsom alsmede de 50% van de waarde van de resterende termijnen, de eerste aflossingstermijn, de beëindigingskosten en de achterstallige termijnbetalingen, verminderd met de verkoopopbrengst van de effecten, dient [eiser] naar de mening van Dexia te vergoeden.

6. Verweer [eisers]. in reconventie

6.1. Onder verwijzing naar het debat in conventie voeren [eisers]. aan dat de

tegenvordering van Dexia dient te worden afgewezen nu lease-overeenkomst 2 is vernietigd danwel ontbonden en Dexia aansprakelijk is voor de daaruit voor [eisers]. voortvloeiende schade.

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

In het navolgende zal de kantonrechter eerst ingaan op de twee meest verstrekkende verweren van Dexia, namelijk de vraag naar de bevoegde rechter en de aansprakelijkheid van Dexia voor een tussenpersoon. Daarna zal op de stellingen van Tollenaars c.s. en hetgeen Dexia daartegenover heeft gesteld worden ingegaan. Er bestaat aanleiding de stellingen in conventie en reconventie gezamenlijk te behandelen.

7.1. Huurkoop; bevoegdheid

7.1.1 In het onderhavige geval is bij beide lease-overeenkomsten sprake van een product waarbij aandelen geleased worden. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen deze overeenkomsten te worden aangemerkt als huurkoop (en derhalve als koop op afbetaling). De lease-overeenkomsten voldoen aan de definitie van huurkoop in art. 7A:1576h BW, hebben althans dezelfde strekking. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de kantonrechter naar de overwegingen in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9721), welke overwegingen de kantonrechter hier overneemt en tot de hare maakt. Kort samengevat is de kantonrechter van oordeel dat huurkoop op de voet van de artikelen 7:47 en 7A:1576 lid 5 BW betrekking kan hebben op vermogensrechten (als de onderhavige). [eiser] heeft zich telkenmale verbonden de prijs te betalen in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de aandelen aan hem zijn afgeleverd. Hierbij is niet relevant of de termijnen aflossing en/of rente betreffen en evenmin welke omvang zij hebben.

7.1.2 Daarbij is van belang dat Dexia zich heeft verbonden de aandelen in eigendom over

te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs. Dexia heeft zich verder verbonden de aandelen af te leveren. Zij heeft zich immers verbonden de aandelen voorwaardelijk ten name van [eiser] bij te schrijven in haar administratie overeenkomstig artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge) en aan [eiser] kwamen, dadelijk nadat hij de lease-overeenkomsten was aangegaan, alle (dividend)baten en alle waardeveranderingen van de aandelen toe.

7.1.3. Nu beide lease-overeenkomsten dienen te worden gekwalificeerd als huurkoop is de kantonrechter bevoegd.

7.2. Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

7.2.1. In onderhavig geval is bij de totstandkoming van lease-overeenkomst 2 door Dexia

gebruik gemaakt van een tussenpersoon. Bij de beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen, wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Er is geen reden hierover anders te oordelen indien de tussenpersoon zich alleen heeft beziggehouden met het voorbereidingstraject en dit traject geleid heeft tot een overeenkomst met de effecteninstelling. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de effecteninstelling. Het gaat er om dat de tussenpersoon gehandeld heeft ten voordele van de effecteninstelling. Nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de effecteninstelling.

7.2.2. Dexia is derhalve aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de tussenpersoon

bij de totstandkoming van lease-overeenkomst 2. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het een eigen verantwoordelijkheid is van Dexia als bank en effecteninstelling om er zorg voor te dragen dat de afnemers van haar producten de informatie ontvangen die behoort bij haar zorgplicht. Dexia dient er op toe te zien dat tussenpersonen die voorlichting naar behoren geven en dient bij gebreke daarvan zelf voor de noodzakelijke informatie zorg te dragen. Een en ander vindt steun in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722, rechtsoverweging 2.15) en de beslissing van de Beroepscommissie van het DSI van 27 januari 2005 (JOR 2005, 67).

7.2.3. Dit verweer van Dexia wordt derhalve verworpen.

7.3. Strijd met WCK

7.3.1. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de

nietigheid van de lease-overeenkomsten is bepleit. Naar aanleiding daarvan wordt overwogen als volgt.

7.3.2. Indien de lease-overeenkomsten op bovenbedoelde grond zouden worden

vernietigd, ontstaan daaruit voor beide partijen verplichtingen. Enerzijds zal Dexia de reeds geleverde prestaties ongedaan dienen te maken (er is dan sprake van onverschuldigde betaling). Anderzijds zal [eiser] de aandelen moeten terugleveren, in welk geval, op grond van artikel 6:278 BW, de waardedaling van de geleasede effecten voor rekening van [eiser] komt. Beide verplichtingen dienen te worden beoordeeld en (zonodig) beperkt (eventueel tot nihil) met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW). Die maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de daarbij in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn dezelfde als welke dienen te gelden zonder toepasselijkheid van de betreffende wet, waardoor het eindresultaat in beide gevallen hetzelfde zal zijn. Voorts dient Dexia in de onderhavige gevallen ook buiten hetgeen is bepaald in de WCK reeds aan een zorgplicht te voldoen waaraan hoge eisen worden gesteld. Niet valt in te zien dat er een verschil bestaat tussen laatstbedoelde algemene zorgplicht – waaraan hierna zal worden getoetst – en de zorgplicht die de WCK in het algemeen beoogt te waarborgen.

7.3.3. De slotsom is dat het beroep op de WCK in beginsel niet tot een ander oordeel kan

leiden omtrent de (door elk van partijen te dragen) gevolgen van het aangaan van de lease- overeenkomsten, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep. Uit het voorgaande volgt dat er voldoende gronden bestaan om de toepasselijkheid van de WCK en de andere hier bedoelde wetten en regelingen in het midden te laten.

7.3.4. Hieruit volgt dat het beroep op de nietigheid van de lease-overeenkomsten

wegens handelen in strijd met de WCK niet wordt toegewezen.

7.4. Artikelen 1:88/89 BW; toepasselijkheid, toestemming, verjaring en gevolgen

7.4.1. De vraag of artikel 1:88 lid 1 onder d BW van toepassing is op lease-

overeenkomsten als de onderhavige is bevestigend beantwoord in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9721). De overwegingen in dat arrest worden hier overgenomen. Er bestaat geen aanleiding om in onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen. De beschermingsfunctie van het toestemmingsvereiste dient van toepassing te zijn op de gehele wettelijke regeling van de koop op afbetaling, met inbegrip van de in artikel 7A:1576 lid 5 BW bedoelde vermogensrechten zoals de onderhavige effecten.

7.4.2. [eisers]. hebben door middel van een huwelijksakte aangetoond dat zij ten

tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten met elkaar waren gehuwd. Derhalve behoefde [eiser] voor het rechtsgeldig aangaan van deze overeenkomsten instemming van [eiseres].

7.4.3. In de onderhavige zaak zijn de lease-overeenkomsten aangegaan in januari en

december 2000. Namens [eiseres] is voor het eerst een beroep op de nietigheid gedaan bij brief van 19 april 2005. Dexia heeft de verjaring van dit beroep ingeroepen.

7.4.4. Hieromtrent wordt overwogen als volgt. De verjaringstermijn voor dit beroep is op

grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst(en). Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst(en) (vgl. HR 5 januari 2007, RvdW 2007, 68 en LJN: AY8771). Hieruit volgt dat, wil het beroep op verjaring slagen, [eiseres] op 19 april 2005 ten minste drie jaar op de hoogte moet zijn geweest van het bestaan van (één van) de lease-overeenkomsten. Ter comparitie is door [eiser] verklaard dat hij in ieder geval begin 2005, maar mogelijk ook eerder, zijn echtgenote over het bestaan van de lease-overeenkomsten heeft ingelicht. Uit de verklaringen van [eiser] en [eiseres] ter comparitie kan evenwel niet met zekerheid worden afgeleid dat de verjaringstermijn op 19 april 2005 al was verstreken.

7.4.5. De bekendheid van [eiseres] met de lease-overeenkomsten

kan echter worden afgeleid uit de betalingen van op grond van de overeenkomsten verschuldigde bedragen die hebben plaatsgevonden vanaf de en/of-bankrekening die op naam van [eiser] én [eiseres] stond. Op grond hiervan moet er van worden uitgegaan dat [eiseres] op de hoogte was van de lease-overeenkomsten met ingang van de ontvangstdatum van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Tot een ander oordeel nopende feiten en omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat de verjaringstermijn op 19 april 2005 was verstreken.

7.4.6 De stelling van [eisers]. dat de lease-overeenkomsten nietig zijn gelet op het bepaalde in artikel 1:89 BW wordt derhalve verworpen.

7.5. Dwaling

7.5.1. Een persoon die overweegt een overeenkomst aan te gaan, is tegenover de

wederpartij gehouden om, binnen redelijke grenzen, maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat hij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken met die overeenkomst instemt. Uit die verplichting volgt dat van een potentiële afnemer mag worden verwacht dat hij deze overeenkomst zorgvuldig leest alvorens ermee in te stemmen en zich naar vermogen inspant om de reikwijdte van zijn daaruit volgende verplichtingen en risico’s te begrijpen. Als hij nalaat zich op de hier bedoelde wijze te informeren en vervolgens onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst aangaat, komt die onjuiste voorstelling voor zijn eigen risico. In dat geval kan zij krachtens artikel 6:228 lid 2 BW niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden.

7.5.2. Voor onderhavige zaak leidt dit uitgangspunt tot het volgende. Gelet op het

bepaalde in artikel 10 respectievelijk 7 van de lease-overeenkomsten, zoals hiervoor in 1.3. en 1.5 weergegeven, en nu voorts niet is gesteld of gebleken dat [eiser] zonder ondertekening verplichtingen jegens Dexia zou hebben, zijn de lease-overeenkomsten tot stand gekomen nadat [eiser] kennis heeft kunnen nemen van de tekst van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease. Uit de inhoud van die stukken had [eiser] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eiser] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Er dient in zijn algemeenheid van te worden uitgegaan dat ieder die in effecten belegt, en ook [eiser], zich ervan bewust dient te zijn dat koersen van effecten ook kunnen dalen.

7.5.3. Vorenstaande brengt mee dat het beroep op dwaling wordt verworpen.

7.6. Aankoop effecten

7.6.1. [eisers]. stellen dat Dexia de in de lease-overeenkomsten genoemde

effecten niet daadwerkelijk heeft gekocht. Hieromtrent wordt overwogen als volgt. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) op basis van een rapportage van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) geoordeeld dat er onvoldoende reden is te twijfelen aan de feitelijke verwerving van de effecten door Dexia. De kantonrechter ziet geen aanleiding thans anders te oordelen.

7.6.2. [eisers]. stellen daarnaast dat Dexia de aandelen niet tegen de best mogelijke

prijs heeft aangekocht. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, en gelet op hetgeen hierover van de zijde van Dexia is aangevoerd, acht de kantonrechter deze stelling onvoldoende gemotiveerd. De stelling wordt dan ook gepasseerd.

7.7. Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

7.7.1. Er bestaat debat over de toepasselijkheid van de NR zoals deze van kracht was ten

tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst(en). In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 30 juni 2004, NJF 2004, 410 (LJN: AP4933), van de daaromtrent gedane uitspraken van de Klachtencommissie van het DSI van 5 februari 2004, NJF 2004, 446 en het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722) is de kantonrechter van oordeel dat Dexia bij het aanbieden van de onderhavige producten gehouden was aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht, waaraan niet afdoet dat zij een kant-en-klaar effectenproduct aan een breed publiek aanbood. Voor zover Dexia heeft gesteld dat de NR onverbindend is treft dit geen doel, omdat de NR haar wettelijke basis vindt in artikel 11 van de Wte 1995 (HR 24 november 2006, NJ 2006, 644 (LJN: AY9222)). Voorts volgen de daarin neergelegde regels ook uit de zorgplicht, waarvan de Hoge Raad in zijn arrest van 9 januari 1998, NJ 1999, 285, JOR 1998, 116 (LJN: ZC2536), heeft beslist “dat de maatschappelijke functie van de banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt”.

7.8. Nakoming zorgplicht

7.8.1. De risico’s van de lease-overeenkomsten zijn aanzienlijk. Dexia behoorde zich als

professionele dienstverlener bewust te zijn van de gerede mogelijkheid dat de koersstijging van de desbetreffende effecten ontoereikend zou zijn om [eiser] ten minste zijn inleg terug te bezorgen en eventueel zijn (resterende) schuld uit hoofde van de lease-overeen-komsten (de restant hoofdsom) aan Dexia af te lossen. Dexia had zich tenminste rekenschap behoren te geven van de vraag of haar wederpartij naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit die overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen. Tenslotte behoorde Dexia de (potentiële) afnemer op niet mis te verstane wijze omtrent deze risico’s te informeren en daarvoor te waarschuwen.

7.8.2. Dat klemt temeer omdat Dexia het product voor een breed publiek beschikbaar heeft

gesteld. Dexia had er op bedacht dienen te zijn dat tot haar wederpartijen personen zouden behoren die niet over voldoende inzicht in beleggen beschikken om zich zelfstandig in effectentransacties te begeven. Zij heeft het product zowel rechtstreeks als via (zelfstandige) tussenpersonen aangeboden. Zodoende heeft Dexia zich voor de kwaliteit van de informatieverstrekking aan individuele (potentiële) wederpartijen ten dele afhankelijk gemaakt van die tussenpersonen. Reeds daarom diende Dexia het door haarzelf verspreide voorlichtingsmateriaal – brochures, formulieren voor het aanvragen c.q. aangaan van de overeenkomsten, (concept)overeenkomsten en bijbehorende (algemene) voorwaarden – zodanig in te richten dat degene die overwoog de onderhavige overeenkomsten aan te gaan daarin nadrukkelijk de hiervoor bedoelde waarschuwing aantrof, in bewoordingen die voor de betreffende ondeskundige afnemer duidelijk zijn.

In het bijzonder is ten aanzien van een beleggingsproduct met een complexiteit die de risico's voor een niet-deskundige consument verhult, een zo compleet mogelijke en niet voor misverstand vatbare voorlichting dringend geboden. Die voorlichting diende in elk geval te waarschuwen voor de niet te verwaarlozen kans dat, afhankelijk van de ontwikkelingen op de effectenmarkten, de investering – het totaal van de contractueel voorziene termijnbetalingen – verloren zou gaan en dat in een voorkomend geval bovendien een schuld aan Dexia kon resteren.

7.8.3. In onderhavig geval is door Dexia onvoldoende onderbouwd dat zij ten aanzien van

[eiser] haar zorgplicht is nagekomen. Niet is immers gesteld of gebleken dat Dexia de in voornoemde rechtsoverwegingen bedoelde informatie en waarschuwing heeft verstrekt en evenmin dat Dexia – anders dan door middel van de BKR-toets – zich heeft geïnformeerd over de bestedingsruimte van [eiser].

7.8.4. Onderzocht moet worden of het niet nakomen door Dexia van haar zorgplicht met

zich brengt dat Dexia aansprakelijk is voor de daarvan door [eisers]. ondervonden negatieve gevolgen, hierna aan te duiden als het nadeel. Het in artikel 6:98 BW vereiste causaal verband tussen die tekortkoming en dat nadeel laat zich niet, althans bezwaarlijk, vaststellen omdat achteraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de lease-overeenkomst(en) tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia wel aan haar zorgplicht had voldaan. Gelet op de aard van de geschonden norm en de ernst van de schending zal derhalve moeten worden geschat wat de kans is dat de lease-overeenkomsten ook bij afdoende nakoming van de zorgplicht door Dexia tot stand zouden zijn gekomen en de afnemer (in dit geval: [eiser]) zich wel bewust was van de risico’s, de kwade kansen van een koersdaling dus wenste te accepteren in het vertrouwen dat die daling zich niet zou voordoen. Indien die kans als zeer groot moet worden aangemerkt, zal Dexia niet aansprakelijk zijn voor het door de afnemer geleden nadeel. Indien die kans als zeer klein moet worden aangemerkt, zal Dexia het door de afnemer geleden nadeel dienen te vergoeden. Ten aanzien van tussen beide uitersten gelegen gevallen is het, mede gelet op de aan de artikelen 6:99, 6:101 en 6:248 BW ten grondslag liggende uitgangspunten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden tot diens nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

7.8.5. De kantonrechter gaat er – mede op grond van de door de afnemer doorgaans van de

tussenpersoon ontvangen adviezen – van uit dat de afnemer zich niet voor langere tijd aan de betaling van de maandtermijnen heeft willen binden, dan tot het moment dat de overeenkomst boetevrij tussentijds beëindigd kon worden. Deze termijn wordt door de kantonrechter gemaximeerd tot 5 jaar na aanvang van de lease-overeenkomsten, nu een langere termijn, bijzondere omstandigheden daargelaten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaard kan worden.

7.8.6. Voor zover reconventionele vorderingen van Dexia betrekking hebben op

beëindigingskosten, brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat, gegeven het resultaat van de toepassing van de in voorgaande overwegingen bedoelde uitgangspunten, die kosten voor rekening en risico blijven van Dexia.

7.8.7. De onder 7.8.4 bedoelde schatting en de toerekening van het nadeel aan ieder van

partijen dienen plaats te vinden op basis van de specifieke omstandigheden van het geval. Grondslag voor deze schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eiser] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de lease-overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia volledig aan haar zorgplicht had voldaan, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de betreffende rechtsverhouding(en) met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eiser] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was) en de kennis en ervaring waarover [eiser] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), een en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomst(en). Daarnaast dient mee te wegen dat [eiser] ook een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van zijn keuze tot het aangaan van de lease-overeenkomsten.

7.8.8. In onderhavig geval is van belang dat [eiser] ten tijde van het aangaan van de

lease-overeenkomsten geen enkele beleggingservaring of een voor beleggen relevante beroepservaring had, geen hoog opleidingsniveau en een netto gezinsinkomen van minder dan € 1.250,00 per maand. Van belang is voorts dat [eiser] wel over enig vermogen beschikte waardoor niet geheel aan de voorwaarden voor toepassing van categorie 1 van het door de rechtbank gehanteerde categoriemodel (zie de vonnissen van deze rechtbank, sector kanton, van 27 april 2007) wordt voldaan. De kantonrechter is, alles afwegende, evenwel van oordeel dat – gegeven de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak – (de nadeelverdeling van) categorie 1 niettemin van toepassing is, met na te noemen toedeling van het nadeel tussen partijen.

7.8.9. Het voorgaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat in deze zaak naar

maatstaven van redelijkheid en billijkheid 75% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterende percentage (25%) voor rekening van [eisers]. behoort te blijven.

7.8.10. Onder het in aanmerking te nemen nadeel zoals hierboven bedoeld, dient wat betreft

lease-overeenkomst 1 te worden verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomst verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomst, zijnde € 440,28. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met het bedrag waarvoor de geleasede effecten in eigendom van [eisers]. zijn gekomen, zijnde € 2.330,79, derhalve in totaal € 2.771,07. Op dit nadeel dient in mindering te worden gebracht de waarde van de geleasede effecten welke [eiser] in eigendom heeft gekregen. Door [eiser] is deze waarde gesteld op € 1.259,16. Nu deze waarde door Dexia niet voldoende gemotiveerd is betwist zal de kantonrechter hiervan uitgaan. Aldus bedraagt het in aanmerking te nemen nadeel uit hoofde van lease-overeenkomst 1 € 1.511,91.

7.8.11. Van het bedrag van € 1.511,91 dient, gelet het in 7.8.9 genoemde percentage,

een bedrag van € 377,98 voor rekening van [eisers]. te blijven.

7.8.12. Wat betreft lease-overeenkomst 1 is door [eiser], zoals hiervoor onder

rechtsoverweging 7.8.10 is overwogen, betaald een bedrag van € 2.771,07. Daarop moet in mindering worden gebracht de waarde van de effecten die [eiser] in eigendom heeft gekregen, welke, blijkens rechtsoverweging 7.8.10, wordt gesteld op € 1.259,16. Aldus resteert een bedrag van € 1.511,91. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 7.8.11 is bepaald dient een bedrag van € 377,98 voor rekening van [eisers]. te blijven. Derhalve dient Dexia in verband met lease-overeenkomst 1 een bedrag van € 1.133,93 (€ 1.511,91 –

€ 377,98) aan [eiser] te betalen.

7.8.13. Voor wat betreft lease-overeenkomst 2 wordt onder het in aanmerking te

nemen nadeel verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomst verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomst, conform rechtsoverweging 7.8.5 beperkt tot 5 jaar (60 maanden), hetgeen neerkomt op een bedrag van € 6.743,40, te vermeerderen met de contant gemaakte restant hoofdsom, zijnde

€ 8.521,85 (inclusief € 45,38 als eerste aflossingstermijn), en te verminderen met de opbrengst van de geleasede effecten per 13 december 2005, zijnde € 7.113,60, en een bedrag van € 1.008,15 wegens aan [eisers]. uitgekeerde dividenden. Het totale nadeel uit lease-overeenkomst 2 bedraagt derhalve € 7.143,50.

7.8.14. Van het bedrag van € 7.143,50 dient, gelet op het in 7.8.9 genoemde percentage,

voor wat betreft lease-overeenkomst 2 een bedrag van € 1.785,88 voor rekening van [eisers] te blijven.

7.8.15. Wat betreft lease-overeenkomst 2 zijn door [eiser] 52 termijnen van € 112,39

betaald, derhalve een bedrag van € 5.844,28. Daarop moeten in mindering worden gebracht de door [eiser] ontvangen dividenden ad € 1.008,15. Aldus resteert een bedrag van

€ 4.836,13. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 7.8.14 is bepaald dient een bedrag van

€ 1.785,88 voor rekening van [eisers]. te blijven. Derhalve dient Dexia in verband met lease-overeenkomst 2 een bedrag van € 3.050,25 aan [eiser] te betalen.

7.8.16. Wat betreft de wettelijke rente wordt als volgt geoordeeld. In lijn met het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2007 (LJN: BA 5684, 2188/04) neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat de wettelijke rente in beginsel berekend dient te worden per (termijn)betaling vanaf de respectievelijke betaalmomenten, met toepassing van de in deze zaak geldende procentuele verdeling van het nadeel tussen [eiser] en Dexia.

7.8.17. Wat betreft lease-overeenkomst 1 dient Dexia een bedrag van € 1.133,93 (zie rechtsoverweging 7.8.12 hiervoor) aan [eiser] te betalen. Nu de uit hoofde van deze overeenkomst door [eiser] aan Dexia verrichte betalingen (€ 2.771,07; zie rechtsoverweging 7.8.10) voor 84,11% (€ 2.330,79) betrekking hadden op een betaling in verband met eigendomsoverdracht van de geleasede effecten en voor 15,89% (€ 440,28) op termijnbetalingen, zal wat betreft de wettelijke rente een zelfde verdeling worden aangehouden. Dit komt neer op het volgende.

Over 84,11% van € 1.133,93, zijnde € 953,75, is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 5 januari 2003, de datum van eigendomsoverdracht van de geleasede effecten.

Over 15,89% van € 1.133,93, zijnde € 180,18, zal - aangezien hier sprake is van gespreide termijnbetalingen van gelijke grootte en het nadeel derhalve geleidelijk is ontstaan - de ingangsdatum van de wettelijke rente over het door [eiser] in dit kader van Dexia te ontvangen bedrag met toepassing van artikel 6:97 BW worden bepaald op de datum gelegen halverwege de aanvang van de lease-overeenkomst en de laatste termijnbetaling. Aldus wordt de ingangsdatum van de termijn waarover de wettelijke rente is verschuldigd bepaald op 5 juli 2001.

7.8.18. Wat betreft lease-overeenkomst 2 dient Dexia een bedrag van € 3.050,25 aan [eiser] te betalen (zie rechtsoverweging 7.8.15 hiervoor), welk bedrag in zijn geheel betrekking heeft op termijnbetalingen. De ingangsdatum van de periode waarover wettelijke rente is verschuldigd wordt, op de wijze zoals hiervoor met betrekking tot de termijnbetalingen onder lease-overeenkomst 1 vermeld, bepaald op 14 februari 2003.

7.8.19. Gelet op het te dezen te wijzen vonnis zal de vordering van [eisers]. inzake de BKR-registratie worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd.

7.8.20. De overige vorderingen van [eisers]., waaronder die gericht op een verklaring voor recht en verwijzing naar een schadestaatprocedure, worden afgewezen nu [eisers]. daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang meer heeft.

7.8.21. De door Dexia ingestelde reconventionele vordering wordt eveneens afgewezen. De in verband daarmee gestelde gronden, feiten en omstandigheden zijn verdisconteerd in het oordeel omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

7.8.22. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding(en). De eigendom van de in het kader van lease-overeenkomst 2 gekochte effecten zal bij Dexia verblijven.

7.8.23. Dit betekent dat op de vorderingen van partijen wordt beslist als hieronder vermeld.

7.8.24. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt omtrent de kostenveroordeling

geoordeeld als hierna vermeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.133,93 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 953,75 vanaf 5 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening en met de wettelijke rente over € 180,18 vanaf 5 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 3.050,25 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. gebiedt Dexia om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en onvoorwaardelijk aan de stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel te berichten, dat de registratie van de lease-overeenkomsten en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van [eisers]. blijvend dienen te worden verwijderd, en/of gestaakt en/of gewijzigd ten gunste van [eisers]., met veroordeling van Dexia tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van

€ 100,00 per dag of gedeelte van een dag dat Dexia nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum aan dwangsommen van € 10.000,00;

III. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

in reconventie

I. wijst de vordering af;

in conventie en reconventie

I. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers].

gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 196,00

voor het exploot van dagvaarding € 84,31

voor salaris van gemachtigde € 600,00

In totaal € 880,31

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

II. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

in conventie

I. wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M.S.F. Voskens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter