Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1954

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
826803 DX EXPL 06-3710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease; dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 826803 DX EXPL 06-3710

Vonnis van: 8 augustus 2007

F.no.: 581

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

nader te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. R.H.J.M. Silvertand,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde mr. R. Passanea.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 21 november 2006, inhoudende de vordering van [eiser], met producties;

- de conclusie van antwoord - met eis in reconventie - van Dexia, met producties.

Daarna is bij tussenvonnis een comparitie van partijen bepaald, die op 16 mei 2007 is gehouden. Verschenen zijn [eiser], vergezeld door zijn echtgenote, met zijn gemachtigde en Dexia, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger Dexia], met haar gemachtigde.

Voorafgaand aan de comparitie zijn van de zijde van [eiser] een conclusie van antwoord in reconventie en een stuk, met producties, aangaande de financiële situatie van [eiser] en zijn echtgenote ingekomen, die worden beschouwd als behorende tot de processtukken.

Vervolgens is een akte van de zijde van Dexia ingekomen.

Ter comparitie is om pleidooi verzocht, welk verzoek is gehonoreerd. Het pleidooi is op 27 juni 2007 gehouden. Verschenen zijn [eiser] met zijn gemachtigde en Dexia, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger 2 Dexia], met haar gemachtigde.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. De feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. [eiser] was op 11 september 2001 en is nog gehuwd met mevrouw [echtgenote eiser]

1.2. Dexia is rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorganger(s) daaronder mede begrepen.

1.3. Medio 2001 is [eiser] door tussenkomst van een collega in contact gekomen met Spaar Select te Breda. Nadat een verkoopmedewerkster van Spaar Select met [eiser] telefonisch een afspraak had gemaakt, hebben in of omstreeks juli 2001 twee gesprekken bij [eiser] thuis plaatsgevonden tussen [eiser] en zijn echtgenote enerzijds en de heer [medewerker Spaar Select] van Spaar Select (hierna: [medewerker Spaar Select]) anderzijds. Tijdens het tweede gesprek heeft [medewerker Spaar Select] [eiser] en zijn echtgenote een ‘Persoonlijk Financieel Plan’ voorgelegd.

1.4. Op 11 september 2001 hebben [eiser] en zijn echtgenote een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Overwaarde Effect zonder Herbelegging Vooruitbetaling’ (hierna: de lease-overeenkomst), waarop [eiser] als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 22602560 voor een periode van 15 jaren, met de mogelijkheid voor [eiser] de lease-overeenkomst na zestig maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten te beëindigen. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom van € 97.025,88 aandelen leaset (AHOLD, ING, KON. OLIE, UNILEVER) en dat hij de eerste 60 maandtermijnen, tegen een korting van 20%, vooruitbetaalt met een bedrag van € 54.404,40. Na zestig maanden bedroegen de termijnen € 1.133,42 per maand. De totale leasesom beliep € 204.015,60, waaronder begrepen € 106.989,72 rente over vijftien jaren. De overeenkomst vermeldt als aankoop-/valutadatum 24 augustus 2001.

1.5. [eiser] heeft naast voornoemd vooruitbetaald bedrag van € 54.404,40 geen termijnbetalingen op de lease-overeenkomst verricht, ook niet na 60 maanden.

1.6. [eiser] is ter financiering van het onder 1.4 genoemde vooruitbetaalde bedrag van € 54.404,40 bij de Postbank een hypothecaire geldlening aangegaan. In verband met deze hypothecaire geldlening heeft [eiser] gedurende 58 maanden een bedrag van € 281,09 per maand aan rente betaald.

1.7. Wegens op de in de lease-overeenkomst genoemde aandelen ontvangen dividenden, is een bedrag van (rond) € 9.469,- aan [eiser] uitgekeerd en is een bedrag van (rond) € 752,- verrekend met achterstallige maandtermijnen.

1.8. Bij brief van 6 mei 2005 heeft [eiser], door middel van zijn gemachtigde, onder meer de lease-overeenkomst op grond van dwaling vernietigt en Dexia een termijn van 14 dagen gegund om aan haar restitutieplicht te voldoen..

2. De vordering in conventie

2.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. te verklaren voor recht:

- dat de lease-overeenkomst nietig is;

- dat de lease-overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden;

- dat Dexia jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de lease-overeenkomst;

- dat Dexia een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd;

- dat Dexia jegens [eiser] aansprakelijk is voor de daardoor verschenen en nog te verschijnen schade;

- dat [eiser] niet gehouden is de uit de lease-overeenkomst voortvloeiende restschuld aan Dexia te betalen;

2. Dexia te veroordelen aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te betalen:

- de door [eiser] uit hoofde van de lease-overeenkomst aan Dexia betaalde en ingelegde gelden van € 54.408,-, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten;

- de door [eiser] gedurende 58 maanden aan de Postbank betaalde rente in het kader van de lening waarmee de inleg in de lease-overeenkomst is gefinancierd van € 16.303,19, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten;

- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van betaling van de respectievelijke bedragen tot aan de dag der algehele voldoening, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zal achten;

subsidiair:

3. de lease-overeenkomst te vernietigen dan wel te ontbinden;

4. Dexia te veroordelen aan [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te betalen:

- schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- 40.806,- ten titel van voorschot op de nader bij staat op te maken schadevergoeding;

primair en subsidiair:

5. Dexia te gebieden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en onvoorwaardelijk aan de Stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel (hierna: BKR) te berichten, dat de registratie van de lease-overeenkomst en alle eventueel daarop gebaseerde andere inschrijvingen ten laste van [eiser] blijvend dienen te worden verwijderd en/of gestaakt en/of gewijzigd ten gunste van [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat Dexia met de bedoelde berichtgeving aan BKR in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;

6. Dexia te veroordelen in de kosten van het geding.

3. De vordering in reconventie

3.1. Dexia vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.800,52, te vermeerderen met de contractuele rente, althans de wettelijke rente vanaf 21 november 2006 tot de datum van algehele voldoening;

2. [eiser] te veroordelen tot betaling van alle maandtermijnen die na de datum van indiening van de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie opeisbaar worden uit hoofde van de lease-overeenkomst en tot op heden onbetaald zijn gebleven, te vermeerderen met de contractuele rente, althans de wettelijke rente vanaf de datum dat [eiser] in verzuim is per maandtermijn, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. te verklaren voor recht dat [eiser] gehouden is alle na dit vonnis vervallen maandtermijnen uit hoofde van de lease-overeenkomst te voldoen, te vermeerderen met de contractuele rente, althans de wettelijke rente vanaf de datum dat [eiser] in verzuim is per maandtermijn, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. te verklaren voor recht dat [eiser] gehouden is te voldoen bij voortijdige beëindiging van de lease-overeenkomst het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen lease-som, te vermeerderen met de contractuele rente, althans de wettelijke rente:

a. vanaf de datum van dit vonnis in het geval de lease-overeenkomst wordt beëindigd voor de datum van dit vonnis; of

b. vanaf de datum dat [eiser] in verzuim is in het geval dat de lease-overeenkomst wordt beëindigd na de datum van dit vonnis;

in alle gevallen tot de dag der algehele voldoening;

5. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding.

4. Standpunt [eiser]

In conventie en in reconventie

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Dexia niet beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 9 Wet op het consumentenkrediet (WCK) en dat Dexia gebruik heeft gemaakt van ongeoorloofd agressieve verkoopmethode.

4.2. Daarnaast stelt [eiser] dat de lease-overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Hij voert daartoe aan dat Spaar Select hem op 11 september 2001 onjuist heeft geïnformeerd en dat Spaar Select belangrijke informatie omtrent de lease-overeenkomst voor hem heeft achtergehouden.

4.3. [eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat Dexia in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende wettelijke en bijzondere zorgplichten en dat Dexia in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld.

4.4. [eiser] stelt verder dat Dexia de aandelen die in de lease- overeenkomst worden genoemd niet werkelijk heeft aangekocht, althans dat zij de aandelen niet tegen de best mogelijke prijs heeft aangekocht.

5. Standpunt Dexia

In conventie en in reconventie

5.1. Dexia betwist de vordering van [eiser] c.s. en voert daartoe aan dat de Wck op de onderhavige lease-overeenkomst niet van toepassing is.

5.2. Voorts betwist Dexia dat de lease-overeenkomst door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht, dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld of dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld.

5.3. Dexia betwist de door [eiser] gestelde schade, althans dat zij daarvoor aansprakelijk is.

5.4. Ten slotte stelt Dexia – in reconventie – dat [eiser] zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet nakomt en dat zij derhalve een vordering op [eiser] heeft, bestaande uit de achterstallige maandtermijnen sedert september 2006 en de nog te vervallen maandtermijnen.

6. De beoordeling

In conventie en in reconventie

6.1. De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, tot anders wordt aangegeven.

6.2. De kantonrechter stelt voorop dat ter comparitie is gebleken dat [eiser] aan de daartoe aangewezen notaris een opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW heeft gezonden, waarin hij verklaart niet aan de verbindendverklaring van de zogenoemde Duisenberg-regeling gehouden te willen zijn.

6.3. Allereerst is aan de orde de vraag of de kantonrechter in het onderhavige geschil bevoegd is. In het onderhavige geval is sprake van producten waarbij aandelen geleased worden. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de lease-overeenkomst te worden aangemerkt als huurkoop (en derhalve als koop op afbetaling). De overeenkomst voldoet aan de definitie van huurkoop in artikel 7A:1576h BW, heeft althans deze strekking. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de kantonrechter naar de overwegingen in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LN: AZ9721), welke overwegingen de kantonrechter hier overneemt en tot de zijne maakt. Kort samengevat is de kantonrechter van oordeel dat huurkoop op de voet van de artikelen 7:47 en 7A:1576 lid 5 BW betrekking kan hebben op vermogensrechten (als de onderhavige). [eiser] heeft zich verbonden de prijs te betalen in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de aandelen aan hem zijn afgeleverd. Hierbij is het niet relevant of de termijnen aflossing en/of rente betreffen en evenmin welke omvang ze hebben. Voorts is van belang dat Dexia zich heeft verbonden de aandelen in eigendom over te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs. Dexia heeft zich verder verbonden de aandelen af te leveren. Zij heeft zich immers verbonden de aandelen voorwaardelijk ten name van afnemer bij te schrijven in haar administratie overeenkomstig artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (Wge), en aan [eiser] kwamen, telkens dadelijk nadat hij de overeenkomst was aangegaan, alle (dividend)baten en alle waardeveranderingen van de aandelen toe.

6.4. Nu de lease-overeenkomst kwalificeert als huurkoop, is de kantonrechter bevoegd.

6.5. Vervolgens is aan de orde het beroep van [eiser] op dwaling. De meest verstrekkende primaire vordering van [eiser] is immers de vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling. Hierbij dient tevens de vraag te worden beantwoord in hoeverre Dexia aansprakelijk is voor gedragingen van Spaar Select.

6.6. [eiser] beroept zich op dwaling en voert daartoe onder meer aan dat Spaar Select hem onjuist heeft geïnformeerd. [eiser] stelt dat hij en [medewerker Spaar Select] hadden afgesproken dat laatstgenoemde op 11 september 2001 bij hem zou langskomen om de lease-overeenkomst door [eiser] te laten ondertekenen. Na kennisname van de terroristische aanslagen in New York van eerder die dag hadden [eiser] en zijn echtgenote zich echter stellig voorgenomen af te zien van het tekenen van de lease-overeenkomst. Ter comparitie heeft [eiser] hieromtrent nog naar voren gebracht dat de aanslagen van 11 september 2001 een enorme impact op hem hebben gehad. Hij had het gevoel dat er veel zou veranderen en dat ‘de situatie’ instabiel zou worden. [eiser] wist dat de lease-overeenkomst zag op aandelen en hij begreep dat de economie moest groeien om de waarde van de aandelen te laten toenemen. Vanwege de aanslagen in New York verwachtte [eiser] niet dat de aandelen in waarde zouden stijgen. Om deze reden hadden hij en zijn echtgenote besloten af te zien van het effectenlease-product en de lease-overeenkomst dan ook niet te ondertekenen, aldus [eiser]. ’s Avonds hebben hij en zijn echtgenote [medewerker Spaar Select] hiervan op de hoogte gesteld, waarop deze hun meedeelde dat dit een bijzonder onverstandig besluit was. Als financieel adviseur van de familie [eiser] voelde hij zich verplicht [eiser] en zijn echtgenote erop te wijzen dat Dexia, door het aankopen van de aandelen, reeds uitvoering had gegeven aan de lease-overeenkomst en dat het ondertekenen van de lease-overeenkomst door [eiser] en zijn echtgenote slechts een formaliteit was. Indien [eiser] en zijn echtgenote van de lease-overeenkomst af wilden, zouden zij een boete van 50% moeten betalen. [eiser] raakte daarop overstuur. [medewerker Spaar Select] heeft hem gerustgesteld en meegedeeld dat de aanslagen van 11 september 2001 weliswaar voor een klein dipje op de aandelenmarkt zouden zorgen, maar dat dit weer voorbij zou gaan. Na lang aandringen en mede gelet op voornoemde mededeling over de boete van 50% hebben [eiser] en zijn echtgenote de lease-overeenkomst ondertekend, aldus [eiser].

6.7. Dexia betwist dat in de onderhavige zaak sprake is van dwaling. Volgens Dexia maakten de stukken die [eiser] heeft gekregen voldoende duidelijk wat de kenmerken en risico’s van de lease-overeenkomst waren. Voor zover de verwijten van [eiser] aangaande de dwaling zien op het handelen of nalaten van Spaar Select stelt Dexia dat zij niet aansprakelijk is voor handelingen van tussenpersonen.

Ter comparitie heeft Dexia nog naar voren gebracht dat de lease-overeenkomst door haar is ontvangen op 14 september 2002 en dat, op grond van artikel 8 van de lease-overeenkomst, de overeenkomst op die datum tot stand is gekomen. Vóór de ondertekening op 11 september 2001 was er volgens Dexia geen sprake van een overeenkomst. Dat [medewerker Spaar Select] daaromtrent volgen [eiser] iets anders heeft gezegd, is voor haar niet te controleren, aldus Dexia. Dexia heeft ter controle van het gestelde door [eiser] geen contact gehad of gezocht met [medewerker Spaar Select].

6.8. Bij de beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen, wordt aansluiting gezocht bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Er is geen reden hierover anders te oordelen indien de tussenpersoon zich alleen heeft beziggehouden met het voorbereidingstraject en dit traject geleid heeft tot een overeenkomst met de effecteninstelling. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de effecteninstelling. Het gaat erom dat de tussenpersoon gehandeld heeft ten voordele van de effecteninstelling. Nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de effecteninstelling.

6.9. Dexia is derhalve aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de lease-overeenkomst. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het een eigen verantwoordelijkheid is van Dexia als bank en effecteninstelling om er zorg voor te dragen dat de afnemers van haar producten de informatie ontvangen die behoort bij haar zorgplicht. Dexia dient er op toe te zien dat tussenpersonen die voorlichting naar behoren geven en dient bij gebreke daarvan zelf voor de noodzakelijke informatie zorg te dragen. Een en ander vindt steun in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN: AZ9722, rechtsoverweging 2.15) en de beslissing van de Beroepscommissie van het DSI van 27 januari 2005 (JOR 2005, 67).

6.10. Ten aanzien van het beroep van [eiser] op dwaling stelt de kantonrechter voorop dat Dexia de door [eiser] naar voren gebrachte gang van zaken op 11 september 2001 – als hiervoor onder 6.6. vermeld – niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft betwist, reden waarom deze als vaststaand wordt aangenomen. Uit deze vaststaande feiten blijkt dat [eiser] op grond van de mededelingen van [medewerker Spaar Select] op 11 september 2001 ervan is uitgegaan dat de lease-overeenkomst reeds was tot stand gekomen en dat hij, indien hij in zijn voornemen de lease-overeenkomst niet te ondertekenen zou volharden, een boete van 50% verschuldigd zou zijn. Mede gelet hierop hebben [eiser] en zijn echtgenote toch besloten de lease-overeenkomst te ondertekenen. Uit de bepalingen van de lease-overeenkomst, noch uit de Bijzondere Voorwaarden Effectenlease, noch anderszins blijkt echter dat de lease-overeenkomst voor de ondertekening door [eiser] en zijn echtgenote zou zijn tot stand gekomen of dat een boete van 50% bij niet ondertekening onderdeel uitmaakte van de lease-overeenkomst. Integendeel, uit artikel 8 van de lease-overeenkomst blijkt dat deze pas tot stand komt op de dag dat Dexia de lease-overeenkomst, binnen 30 dagen na de aankoopdag van de waarden, door [eiser] getekend heeft terugontvangen, in casu 14 september 2001, hetgeen Dexia ter comparitie ook heeft bevestigd. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit het vorenstaande voldoende duidelijk dat [eiser] door [medewerker Spaar Select] een onjuiste mededeling is verstrekt, die tot een onjuiste voorstelling van zaken bij hem heeft geleid en dat hij zonder deze onjuiste voorstelling van zaken de lease-overeenkomst niet zou zijn aangegaan. Dat [eiser] geen nader onderzoek heeft gedaan om de onjuiste voorstelling van zaken te voorkomen, kan hem gezien het bijzondere feitencomplex op grond van de redelijkheid en billijkheid niet worden tegengeworpen, temeer nu de mededeling van [medewerker Spaar Select] zeer duidelijk en concreet was, laatstgenoemde op financieel gebied meer deskundig was dan [eiser] en zijn echtgenote en hij [eiser] en zijn echtgenote tijdens het gesprek op 11 september 2001 daar bovendien ook nadrukkelijk op heeft gewezen. [eiser] en zijn echtgenote mochten dan ook op de juistheid van de mededeling van [medewerker Spaar Select] afgaan. Dit alles overziend is de kantonrechter in dit bijzondere geval van oordeel dat het beroep van [eiser] op dwaling slaagt.

6.11. Gelet op het vorenstaande, is de lease-overeenkomst bij brief van 6 mei 2007 rechtsgeldig vernietigd. Dat betekent dat, in het kader van de ongedaanmakingsverplichting voor partijen hetgeen ter zake van de lease-overeenkomst aan Dexia is betaald, dient te worden gerestitueerd, verminderd met de door [eiser] genoten (dividend)opbrengsten. Gebleken is dat [eiser] in het kader van de lease-overeenkomst aan Dexia een bedrag van € 54.404,40 bij vooruitbetaling heeft voldaan en dat hij in totaal een bedrag van € 9.469,- aan dividenden heeft ontvangen. Dit leidt ertoe dat Dexia een bedrag van € 44.935,40 uit hoofde van de vernietiging van de lease-overeenkomst terug dient te betalen, te voldoen binnen een – door de rechtbank redelijk geachte – termijn van tien dagen na betekening van dit vonnis. De eigendom van de geleasede effecten blijft bij Dexia.

6.12. Ten aanzien van de wettelijke rente wordt overwogen, dat Dexia deze eerst verschuldigd is vanaf het moment dat zij in verzuim is. Namens [eiser] is bij brief van 6 mei 2005 een beroep gedaan op de vernietigbaarheid op grond van dwaling en is Dexia een termijn van 14 dagen gegund om aan haar restitutieplicht te voldoen. De wettelijke rente over het bedrag van € 44.935,40 is dan ook toewijsbaar vanaf 20 mei 2005.

6.13. [eiser] vordert verder vergoeding van de door hem betaalde rente in het kader van de hypothecaire lening bij de Postbank. De kantonrechter begrijpt deze vordering aldus dat [eiser] deze grondt op onrechtmatig handelen van Dexia jegens hem. Voor de conclusie dat het handelen van Spaar Select dat heeft geleid tot het aangaan van de hypothecaire geldlening bij de Postbank Dexia dusdanig valt aan te rekenen, dat sprake is van onrechtmatig handelen van Dexia jegens [eiser], heeft [eiser] echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Het is immers de keuze van [eiser] geweest om de gelden die hij wenste aan te wenden voor de inleg van de lease-overeenkomst middels een hypothecaire lening uit zijn vermogen vrij te maken. Zulks was voor het aangaan van de lease-overeenkomst niet noodzakelijk. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

6.14. Het beroep van Dexia op artikel 6:278 BW wordt, gelet op de vernietiging op grond van dwaling, afgewezen. Weliswaar draagt ook [eiser] een eigen verantwoordelijkheid voor de door hem gekozen belegging, maar dat kan er niet toe leiden dat op de restitutieplicht van Dexia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gekort behoort te worden. De kern van het beroep op dwaling is immers dat [eiser] de lease-overeenkomst niet zou zijn aangegaan als hij goed zou zijn geïnformeerd. Als het betoog van Dexia op zou gaan, zou het geslaagde beroep op dwaling zonder enig effect blijven en dat zou gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk en billijk zijn.

6.15. Naar aanleiding van de vordering gericht op ongedaanmaking van de (A-)notering van [eiser] bij het BKR, overweegt de kantonrechter dat deze, nu uit het voorgaande blijkt dat de lease-overeenkomst niet in stand blijft, toewijsbaar is, met dien verstande dat Dexia wordt veroordeeld BKR binnen acht dagen na betekening van dit vonnis een bericht te zenden, inhoudende dat de registratie van de onderhavige lease-overeenkomst en daarmee verband houdende inschrijvingen van [eiser] dienen te worden gestaakt en/of verwijderd en/of gewijzigd ten gunste van [eiser]. De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.

6.16. De overige stellingen en verweren behoeven geen behandeling omdat deze niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

6.17. De overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen, omdat [eiser] daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang meer heeft.

6.18. Uit het voorgaande volgt reeds dat de door Dexia ingestelde tegenvordering wordt afgewezen.

6.19. Dexia zal, als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie:

I. verklaart voor recht dat [eiser] de lease-overeenkomst bij brief van 6 mei 2005 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd;

II. veroordeelt Dexia tot betaling binnen tien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] van € 44.935,40 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2005 tot aan de voldoening;

II. veroordeelt Dexia om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel schriftelijk te berichten dat de registratie van de in dit vonnis genoemde lease-overeenkomst en daarmee verband houdende inschrijvingen van [eiser] dienen te worden gestaakt en/of verwijderd en/of gewijzigd ten gunste van [eiser], met veroordeling van Dexia tot betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte van een dag dat Dexia nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum aan dwangsommen van € 10.000,-;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] gevallen, tot heden begroot op:

-griffierecht: € 196,00

-kosten dagvaarding: € 84,87

-salaris gemachtigde: € 2.400,00

----------,---

Totaal: € 2.680,87

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW,

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VI. wijst de vordering af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] gevallen, tot heden begroot op € 900,- aan salaris van de gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. A.H. Kist, kantonrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.