Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1852

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
312843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging van een duurovereenkomst en vermeende (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Bij gebreke van een wettelijke en contractuele regeling dient de vraag of de opzegging het beoogde resultaat heeft gehad, beantwoord te worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. Daarbij dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, en zijn ook de aard en het gewicht van de redenen voor opzegging van belang. De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een duurovereenkomst niet kan worden opgezegd, tenzij er een dringende reden bestaat. Dit dient evenwel niet lichtvaardig te worden aangenomen. Uitgangspunt is dat iedere ondernemer zelf verantwoordelijk is voor het welslagen van zijn onderneming en voor de continuïteit ervan.

"Twee handtekeningen procedure" blijkt uit het Handelsregister. Geen sprake van de uitzondering van artikel 3:61 lid 3 BW die inhoudt dat het een zo ongebruikelijk beperking was dat wederpartij die niet behoefde te verwachten. Op grond van artikel 2:6 lid 4 BW rustte op wederpartij de verplichting om het Handelsregister te raadplegen en zich ervan te vergewissen dat werknemer bevoegdheid was werkgever/partij te binden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 6
Burgerlijk Wetboek Boek 2 240
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 768
JIN 2007/514
JIN 2007/557
JOR 2008/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 312843 / HA ZA 05-1041

Vonnis van 28 maart 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ATRADIUS CREDIT INSURANCE NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.A. Voerman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HECHAN B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. H. Loonstein.

Partijen zullen hierna Atradius en Hechan genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 3 augustus 2005, en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met bewijsstukken

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie tevens akte houdende eisvermeerdering, met bewijsstukken

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met bewijsstukken

- de conclusie van dupliek in reconventie, met bewijsstukken

- akte houdende uitlating producties van Hechan van 13 september 2006

- antwoordakte houdende uitlating producties van Atradius van 11 oktober 2006

- het proces-verbaal van het op 12 februari 2007 gehouden pleidooi, en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Atradius is een kredietassuradeur. De rechtsvoorganger van Atradius, Nederlandse Credietverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NCM), heeft met International Advisers Limited (hierna: IA) een overeenkomst gesloten op grond waarvan IA, en later Hechan waar de activiteiten van IA zijn ingebracht, incassowerkzaamheden voor Atradius verricht.

2.2. Tijdens een bespreking op 27 mei 2003 heeft Atradius aan Hechan meegedeeld dat zij de overeenkomst wilde beëindigen.

2.3. Bij brief van 15 juli 2003 heeft Atradius de overeenkomst met Hechan opgezegd met inachtneming van een termijn van vier maanden.

2.4. Bij kort geding vonnis van 8 april 2004 (hierna: het eerste kort geding vonnis) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank Atradius bevolen op de oude voet de overeenkomst als aangeduid in het lichaam van de dagvaarding onder 1, met Hechan ook na 5 april 2004 voort te zetten, totdat deze rechtsgeldig is beëindigd, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,-, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Atradius hiermee in strijdt handelt met een maximum van EUR 175.000,-.

2.5. De gewijzigde eis van Hechan werd door de voorzieningenrechter afgewezen. Deze eis hield in dat Atradius alle incassozaken op Italië en Israël gevestigde debiteuren van NCM verzekerden, gevestigd in Nederland, België, Noorwegen, Zweden en Italië op de overeengekomen en gebruikelijke wijze in handen van Hechan diende te stellen en deze door haar diende te laten afwikkelen. Reden voor de afwijzing was dat partijen verdeeld waren over de inhoud van de overeenkomst en op dit punt een nader onderzoek naar de feiten was vereist, waarvoor het kort geding zich niet leent.

2.6. Voorts heeft de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 10 van het eerste kort geding vonnis overwogen dat voorshands moet worden geoordeeld dat Atradius de overeenkomst alsnog zou kunnen opzeggen met een termijn van een jaar.

2.7. Bij brief van 13 april 2004 heeft Atradius de overeenkomst tegen 13 april 2005 opgezegd.

2.8. Op 29 oktober 2004, 3 december 2004, 11 februari 2005, 11 maart 2005, 30 mei 2005 en 17 juni 2005 zijn voorlopige getuigenverhoren gehouden, waarbij de heren A, B, C, D, E, F en mevrouw G, allen werkzaam bij Atradius, getuigenverklaringen hebben afgelegd.

2.9. Op 24 februari 2005 is vonnis gewezen in het tweede kort geding dat tussen partijen heeft gediend (hierna: het tweede kort geding vonnis). Daarbij heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam onder meer overwogen:

“[...] - het bevel om voort te gaan “op de oude voet” betekent niet dat Atradius geen enkele wijziging in haar beleid – met name uit efficiëntieoverwegingen – zou mogen doorvoeren. Zo kan I.A.(Hechan, Rb) Atradius niet beletten een extra controle voor moeilijke gevallen door de afdeling SRM in te zetten. Het is immers gebruikelijk in het financiële handelsverkeer dergelijke extra controles in te zetten.

- anders dan I.A. meent is in het vonnis van 8 april 2004 niet bepaald dat Atradius niet zelf via een afdeling als SRM zou mogen bemiddelen omdat dan alleen moeilijker, minder lucratieve gevallen voor I.A. zouden overblijven. [...]”

2.10. Op 29 juni 2005 hebben partijen een bespreking gevoerd, waarvan een gespreknotitie is opgesteld. Hierin is voor zover hier relevant opgenomen:

“H (directeur-grootaandeelhouder van Hechan, Rb) heeft aangegeven dat naar zijn mening het volgende onder de “oude voet” valt:

1. alle incassodossiers, die ontvangen worden op de Keizersgracht (het oude NCM-hoofdkantoor) op de landen Italië en Israël en tot 2001 België.

2. alle incassodossiers, die ontvangen worden door het oude NCM in Milaan op de landen Italië en Israël.

3. alle incassodossiers, die ontvangen worden door NCM-Antwerpen op Italië. [...]

De heer F (werkzaam als directeur risk-services bij Atradius, Rb) bevestigde dat hij akkoord gaat met de beschrijving in de punten 1., 2. en 3. [...]”

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1. Atradius vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(a) voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen Atradius en Hechan per 13 april 2005 rechtsgeldig is beëindigd;

(b) voor het geval de rechtbank met Hechan oordeelt dat de overeenkomst onopzegbaar is: de overeenkomst tussen Hechan en Atradius met terugwerkende kracht op grond van artikel 6:258 BW per 13 april 2005 te ontbinden;

(c) Hechan verbiedt voor wat betreft de periode na 13 april 2005 op grond van het kort geding vonnis van 8 april 2004 ten laste van Atradius dwangsommen te executeren; op straffe van een dwangsom van EUR 175.000,- per overtreding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

(d) voor recht verklaart dat Atradius over de periode van 8 april 2004 tot en met 13 april 2005 geen dwangsommen is verschuldigd;

(e) primair:

(I) ten aanzien van nog niet uitbestede zaken Hechan beveelt na betekening van het vonnis alle lopende van Atradius ontvangen (incasso)zaken onverwijld aan Atradius of aan een door Atradius aan te wijzen derde te retourneren; op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Hechan in strijd hiermee handelt;

(II) ten aanzien van reeds uitbestede zaken Hechan beveelt na betekening van het vonnis de betreffende opdrachtnemer(s) onverwijld schriftelijk, met kopie aan Atradius, en met vermelding van alle betrokken zaken, te berichten dat Atradius voortaan voor die zaken als opdrachtgever heeft te gelden en dat de betreffende opdrachtnemer(s) voortaan aan Atradius moet(en) rapporteren en rekening en verantwoording moet(en) afleggen; op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Hechan in strijd hiermee handelt;

subsidiair:

(III) Hechan beveelt Atradius wat betreft de voor 13 april 2005 ontvangen zaken op de oude voet te informeren en op de oude voet rekening en verantwoording af te leggen; op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,- per overtreding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

(f) Hechan veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. Hechan voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering en het verweer in reconventie

4.1. Hechan vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(I) voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen partijen, aangeduid in het lichaam van deze conclusie, op exclusieve basis is gesloten, inhoudende dat Hechan de enige was, die van Atradius incasso-opdrachten kreeg op in ieder geval Italië en Israël gevestigde debiteuren;

(II) voor recht verklaart dat de overeenkomst bedoeld onder (I) ook tot in 2001 zag op in België gevestigde debiteuren;

(III) voor recht verklaart dat de overeenkomst bedoeld onder (I) ook zag op incasso-opdrachten op de Italiaanse en Israëlische debiteuren afkomstig van de kantoren van Atradius in België en Italië;

(IV) voor recht verklaart dat de overeenkomst bedoeld onder (I) door partijen is gemaakt tot een onopzegbare, althans deze overeenkomst niet opgezegd kan worden met een termijn korter dan 20 jaar, althans en in ieder geval een termijn door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

(V) beveelt de overeenkomst onder (I) voort te zetten overeenkomstig de termijn, die voortvloeit uit petitumonderdeel (IV), zulks op straffe van een dwangsom van Eur 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Atradius in strijd met het te geven bevel handelt;

(VI) Atradius veroordeelt aan Hechan te vergoeden alle geleden en/of te lijden schade, die het gevolg is van in het lichaam van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie aangeduide toerekenbare tekortkomingen, al dan niet betreffende de (partiële) opzegging van de overeenkomst (waaronder schade tijdens de loop van de opzeggingstermijn en na ommekomst van de te korte opzeggingstermijn), welke schade opgemaakt zal worden bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere schadepost vanaf het moment dat de desbetreffende schade is geleden en/of vast te stellen de vergoeding naar redelijkheid die aan Hechan voldaan dient te worden, nu opzegging(en) hebben/heeft plaats gevonden in strijd met de overeenkomst/wet/redelijkheid en billijkheid;

(VII) voor recht verklaart dat Atradius in strijd heeft gehandeld met het dictum in het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 8 april 2004, door onder meer na betekening van dat vonnis (1) niet of nauwelijks, althans niet alle, incasso’s op Israëlische debiteuren in handen van Hechan te stellen en/of (2) niet alle incasso’s op Italiaanse debiteuren in handen van Hechan te stellen en/of (3) niet op de oude voet de overeenkomst voort te zetten, doordat incasso’s die volgens de overeenkomst tussen partijen in handen van Hechan gesteld moesten worden, werden gezonden naar een andere (rechts)persoon en/of (4) de wijze van afwikkeling op het Amsterdamse kantoor van Atradius te wijzigen (handmatig werd computermatig), zonder tegelijkertijd de computerprogrammatuur aan te passen aan het dictum van het vonnis van 8 april 2004 en ook anderszins geen duidelijke instructies aan de betrokkenen te geven;

(VIII) Atradius veroordeelt in de kosten van het geding, die van eventuele beslaglegging daaronder begrepen.

4.2. Atradius voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

Kort geding bevel nageleefd?

5.1. Tussen partijen is in geschil of Atradius heeft voldaan aan het eerste kort geding vonnis of dat er dwangsommen zijn verbeurd. Daarbij is relevant wat moet worden verstaan onder “het voortzetten van de overeenkomst op de oude voet”. In dit kader twisten partijen over de vraag of sprake is van exclusiviteit van de overeenkomst. Vaststaat immers dat na 8 april 2004 niet alle zaken naar Hechan zijn gegaan en dat Hechan slechts 1 zaak voor Israël heeft ontvangen. Atradius heeft ook erkend dat er wat betreft de zaken voor Israël fouten zijn gemaakt.

5.2. Op grond van de getuigenverklaringen en de gespreknotitie van 29 juni 2005 neemt de rechtbank als vaststaand aan dat voor de opzegging van 13 april 2004 Hechan nagenoeg alle NCM-zaken voor Israël en Italië ontving vanuit Amsterdam, Milaan en Antwerpen zodat er in ieder geval sprake was van feitelijke exclusiviteit. Dit brengt echter niet mee dat er steeds dwangsommen zijn verbeurd ingeval er zaken die hieronder vallen, door fouten of beperkte beleidswijzigingen niet bij Hechan terecht zijn gekomen. Zo kan – zoals de voorzieningenrechter in het tweede kort geding vonnis reeds heeft overwogen - Hechan Atradius niet beletten een extra controle voor moeilijke gevallen door de afdeling SRM in te zetten. De inzet van deze afdeling kan ook overigens niet worden gezien als een grote beleidswijziging nu deze afdeling reeds sinds 1999 bestond onder een andere naam (Bijzonder Beheer) en locatie. Dat deze afdeling in de loop der tijd steeds belangrijker werd en meer werd ingezet, maakt dit niet anders.

5.3. Bij de beoordeling van de vraag of de overeenkomst op de oude voet is voortgezet, gaat het er in de eerste plaats om wat het doel en de strekking van het bevel was en of het bevel het beoogde effect heeft gehad. Met Atradius is de rechtbank van mening dat het bevel ertoe strekte Hechan nog een jaar respijt te gunnen om haar organisatie aan te passen. Vaststaat dat Hechan vanaf 8 april 2004 tot en met 13 april 2005, 233 incassozaken van Atradius heeft gekregen, hetgeen meer dan gemiddeld was. Weliswaar was het aantal incassozaken in 2003 hoger (277), maar de cijfers over 2000 tot 2004 laten zien dat het aantal zaken fluctueert, hetgeen ook door Hechan is erkent. Daarnaast heeft Atradius aangegeven dat zij een groot aantal verzekeringen ten aanzien van Italië (verzekerden op Italiaanse debiteuren) heeft opgezegd, vanwege zeer hoge schadelasten op deze verzekeringen, hetgeen als onvoldoende weersproken, vaststaat zodat dit een verklaring kan zijn waarom Hechan – voor zover juist – minder zaken en kleinere vorderingen dan voorheen op Italië heeft ontvangen. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom Atradius de te kostbare verzekeringsovereenkomsten niet mocht opzeggen.

5.4. Ook het incassovolume, inhoudende de optelling van alle vorderingen, van EUR 5.746.289,-, hetgeen als onbetwist vaststaat, is niet afwijkend ten opzichte van dat in de voorgaande jaren. Dat Atradius slechts vorderingen van minder grote bedragen aan Hechan heeft gegeven, zoals Hechan stelt, lijkt dan ook gezien het incassovolume en het aantal incassozaken onwaarschijnlijk. Dit blijkt ook niet uit het overzicht van vorderingen die Hechan na 8 april 2004 heeft ontvangen althans Hechan heeft onvoldoende concreet gemaakt welke vorderingen groot en welke klein zijn zodat Hechan niet aan haar stelplicht in deze heeft voldaan. Daarnaast heeft Atradius een afdoende verklaring gegeven voor een eventuele daling van het aantal en de hoogte van de vorderingen; het toenemende gebruik van de SRM afdeling en de opzegging van high risk verzekeringen op Italië.

5.5. De verkregen provisie die Hechan in 2004 heeft ontvangen, is geen goed meetinstrument omdat – zoals Hechan terecht aanvoerde – uitbetaling van provisie meestal veel later plaatsvindt dan het moment waarop Hechan de incassozaak ontvangt (namelijk nadat de vordering is geïnd, hetgeen vaak jaren later is). De door Atradius en Hechan genoemde omzetten zijn dan ook niet relevant. Niettemin is gezien het aantal incassozaken en het incassovolume de strekking en het doel van het bevel nageleefd. Dat brengt mee dat Atradius de overeenkomst op de oude voet heeft voortgezet. Er zijn derhalve geen dwangsommen verbeurd. De vorderingen onder 3.1 (c) en (d) zullen derhalve worden toegewezen, zij het dat de onder 3.1 (c) gevorderde dwangsom ambtshalve gematigd zal worden tot EUR 15.000,- per overtreding met een maximum van EUR 175.000,-.

Vertegenwoordigingsbevoegdheid A

5.6. Daarnaast betwist Hechan dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd tegen 13 april 2005. Volgens Hechan is de overeenkomst onopzegbaar geworden ten gevolge van een toezegging van de heer A (hierna: A). Dit zou zijn gebeurd ten gevolge van de beëindiging van de overeenkomst voor België. Nadat Hechan hierover door de heer C (hierna: C) was geïnformeerd en zij niet tot een regeling kon komen met C, heeft zij zich tot A gewend. Deze heeft hierop gezegd dat als Hechan bereid was te stoppen met werken in België zonder schadevergoeding te eisen, zij tot in lengte van dagen de vorderingen mocht incasseren op Italiaanse en Israëlische debiteuren, op exclusiviteitbasis.

5.7. Atradius stelt dat A niet bevoegd was omdat bij Atradius al jaren een zogeheten “twee handtekeningen procedure” geldt, hetgeen ook uit het handelsregister blijkt. Zij beroept zich daarbij op artikel 2:6 lid 4 BW dat bepaalt: “Voor zover de wet niet anders bepaalt, kan de wederpartij van een rechtspersoon zich niet beroepen op onbekendheid met een feit dat op een door de wet aangegeven wijze is openbaar gemaakt, tenzij die openbaarmaking niet is geschied op elke wijze die de wet vereist of daarvan niet de voorgeschreven mededeling is gedaan.”.

5.8. Daarnaast voert Atradius aan dat niet A, maar C functioneel bevoegd was. Atradius heeft niet de indruk gewekt dat A bevoegd was, want C heeft Hechan van de beëindiging ten aanzien van België op de hoogte heeft gebracht, waarna Hechan vervolgens zelf A heeft benaderd. Volgens Atradius is het bovendien hoogst ongebruikelijk om de door Hechan gestelde toezegging te doen omdat het een onmogelijkheid zou betekenen ooit het beleid te wijzigen. Ook werden belangrijke beslissingen steeds schriftelijk bevestigd aldus Atradius. Nu het om een zo’n ongebruikelijke toezegging ging en deze noch door Atradius noch door Hechan schriftelijk bevestigd is, kon Hechan er niet in redelijkheid van uitgaan dat de mededeling van A de strekking had die Hechan hier thans aan geeft. Aldus steeds Atradius.

5.9. A was jarenlang de hoogste baas bij Atradius en hij besliste altijd in zijn eentje, aldus Hechan daarentegen. Atradius heeft Hechan nooit medegedeeld dat A niet meer de hoogste baas was of dat hij onbevoegd zou zijn in zijn eentje te beslissen. Hechan heeft hiertoe een aantal brieven overgelegd waaruit zou blijken dat A inderdaad belangrijke beslissingen in zijn eentje nam. Hechan beroept zich daarbij op artikel 3:61 BW (schijn van volmachtverlening). Voorts stelt Hechan dat een dergelijke toezegging geenszins ongebruikelijk is en in het licht van de omstandigheden de voor Atradius meest goedkope manier was om Hechan tevreden te stellen. Hechan heeft voorts brieven van B en C overgelegd, die ook slechts 1 handtekening bevatten.

5.10. Atradius heeft daartegenover gesteld dat A wellicht brieven alleen ondertekende ingeval het gebruikelijke briefjes in dossiers betrof, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat A ook de bevoegdheid had om Atradius ingeval van (belangrijke) rechtshandelingen te vertegenwoordigen. Atradius heeft voorts een tweetal brieven van A overgelegd waaruit een ander beeld zou blijken.

5.11. De rechtbank overweegt als volgt.

In het onderhavige geval mocht Hechan niet redelijkerwijs aannemen dat A bevoegd was. Onbetwist is dat Atradius haar twee handtekeningen-beleid in het Handelsregister heeft openbaar gemaakt. Zonder nadere omstandigheden, die niet zijn gesteld, kunnen de stellingen van Hechan niet de conclusie dragen dat sprake is van de uitzondering van artikel 3:61 lid 3 BW die inhoudt dat het een zo ongebruikelijk beperking was dat Hechan die niet behoefde te verwachten. Op grond van artikel 2:6 lid 4 BW rustte op Hechan de verplichting om het Handelsregister te raadplegen en zich ervan te vergewissen dat A bevoegdheid was Atradius te binden. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. Dat A wellicht in strijd met dit beleid heeft gehandeld, hetgeen overigens niet uit de door Hechan overgelegde brieven blijkt, en A zelf van oordeel is dat hij wel bevoegd was, maakt dit niet anders. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, kan onbesproken blijven nu het aangevoerde het bepaalde in artikel 2:6 lid 4 BW onverlet laat.

Opzegtermijn

5.12. Na het kort geding vonnis heeft Atradius bij brief van 13 april 2004 de overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 1 jaar. Uit voornoemde brief noch uit de brief van 18 juni 2003 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de opzegging, anders dan Hechan stelt, niet op Israël ziet.

5.13. Nu is vastgesteld dat Hechan er niet op mocht vertrouwen dat zij tot in lengte van dagen de vorderingen mocht incasseren op Italiaanse en Israëlische debiteuren, staat ook vast dat aangaande het einde van de relatie niets was afgesproken. Specifieke wettelijke bepalingen zijn op het einde van deze relatie niet van toepassing. De rechtbank zal derhalve eerst de algemene uitgangspunten uiteenzetten die bij gebreke van een wettelijke en contractuele regeling gelden bij beëindiging van een duurovereenkomst, waarna onder punt 5.18 zal worden beoordeeld wat dat betekent voor de onderhavige kwestie.

5.14. Bij gebreke van een wettelijke en contractuele regeling dient de vraag of voornoemde opzegging het beoogde resultaat heeft gehad, beantwoord te worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval. Daarbij dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, en zijn ook de aard en het gewicht van de redenen voor opzegging van belang.

5.15. De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een duurovereenkomst niet kan worden opgezegd, tenzij er een dringende reden bestaat. Dit dient evenwel niet lichtvaardig te worden aangenomen. Uitgangspunt is dat iedere ondernemer zelf verantwoordelijk is voor het welslagen van zijn onderneming en voor de continuïteit ervan. Wanneer een contractuele wederpartij de relatie door opzegging beëindigt, zal dat in het algemeen tot beëindigingschade leiden, welke voor rekening van de ondernemer zelf komt, tenzij er een rechtsgrond aanwezig is om die schade of een bepaald deel ervan voor rekening van de opzeggende partij te brengen. Die rechtsgrond kan gelegen zijn in contractuele of wettelijke bepalingen die hier echter ontbreken, of in de eisen van redelijkheid en billijkheid, hetgeen hierna zal worden beoordeeld. Bij dit laatste valt te denken aan de situatie waarbij de opgezegde partij met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in een bepaalde opzegtermijn, omdat de duur daarvan mede wordt bepaald door de belangen van de opzeggende partij.

5.16. Naast beëindigingschade heeft de opgezegde partij te maken met aanpassingsschade. Zo zal hij alternatieve klanten of werkzaamheden moeten zoeken, de organisatie anders moeten in richten, beslissingen moeten nemen, plannen in gang moeten zetten etc. Hierbij geldt dat een opzegtermijn deze aanpassingsschade aanmerkelijk kan doen verminderen. Gedurende die tijd wordt de relatie immers in stand gehouden, terwijl de opgezegde partij de gelegenheid krijgt maatregelen te bedenken en te nemen om de aanpassing van zijn onderneming gereed te hebben wanneer het eind daadwerkelijk intreedt.

5.17. Niet alle aanpassingsschade komt voor rekening van de opzeggende partij. Alleen die welke door een tijdige mededeling van de beëindiging zou zijn voorkomen en van de opzeggende partij in redelijkheid te vergen is. Het gaat om de vraag naar wat een redelijke opzegtermijn dan inhoudt. In die passende lengte van de termijn ligt een evenwichtige verdeling besloten van de verantwoordelijkheden van beide partijen voor de door de opzegging in het leven geroepen aanpassingsschade. Door het bepalen van de passende lengte van de opzegtermijn is in beginsel de omvang van de schadevergoedingsplicht voor de opzeggende partij gegeven, zodat er dan dus in beginsel ook geen plaats meer is voor een schadevergoeding.

5.18. In het onderhavige geval zijn de volgende omstandigheden van belang voor het bepalen van een redelijke opzegtermijn.

a. De duur van de overeenkomst. De rechtbank neemt daarbij als onvoldoende onbetwist aan dat partijen sinds 1978 met elkaar samenwerkten. Dat de heer H in 1994 het bedrijf van zijn vader heeft voortgezet en er toentertijd een nieuwe overeenkomst zou zijn gesloten tussen partijen, maakt dat niet anders.

b. Dat Hechan personeel heeft ontslagen (I en J) en nog 1 medewerkster zal moeten ontslaan en haar relatie met een Italiaans en Israëlisch advocatenkantoor zal moeten beëindigen. Er is onvoldoende gemotiveerd gesteld en evenmin gebleken dat de termijn van 1 jaar onvoldoende was om het ontslag van I en J af te wikkelen of dat de hoogte van de afvloeiingskosten ten aanzien van de drie medewerkers dusdanig hoog (zullen) zijn dat dit noopt tot aanvullende schadevergoeding dan wel een langere opzegtermijn.

De betreffende medewerkster is al 29 jaar aan Hechan verbonden. Onduidelijk is waarom Hechan nog geen regeling met deze medewerkster heeft getroffen, zodat ook hiervoor geldt dat niet valt in te zien waarom de opzegtermijn van 1 jaar onvoldoende zou zijn geweest om een afvloeiingsregeling overeen te komen.

Voorts is niet gebleken dat Hechan een eigen advocatenteam in Israël heeft of dat de opzegging van de samenwerking met het door haar in de arm genomen Israëlisch advocatenkantoor langer heeft geduurd of zal duren dan 1 jaar of dat hiervoor een schadevergoeding verschuldigd is die een langere opzegtermijn of aanvullende schadevergoeding rechtvaardigt.

Hechan heeft voorts bij pleidooi aangegeven dat zij een claim van mr. Procopio, de Italiaanse advocaat met wie zij gedurende de overeenkomst met Atradius heeft samengewerkt, heeft ontvangen. Op dit moment is er dienaangaande een arbitrageprocedure aanhangig, aldus Hechan. Atradius heeft bij gebrek aan wetenschap de claim van mr. Procopio betwist.

Hechan heeft geen bewijsstukken ten aanzien van de claim van mr. Procopio overgelegd. Tevens heeft Hechan verzuimd voldoende te onderbouwen dat zij voor opzegging van de samenwerking met mr. Procopio een langere opzegtermijn dient te hanteren dan die Atradius hanteert. Hechan heeft ook niet gesteld wanneer zij de samenwerking met mr. Procopio heeft opgezegd of wat de hoogte van diens claim is, of dat aannemelijk is dat zij schadevergoeding zal moeten betalen aan mr. Procopio. Hechan heeft evenmin gesteld dat zij de samenwerking met mr. Procopio niet zou kunnen opzeggen.

In het licht van het voorgaande, valt zonder nadere omstandigheden die niet zijn gesteld, niet in te zien waarom een opzegtermijn van 1 jaar onvoldoende zou zijn of waarom er aanvullende schadevergoeding zou moeten worden betaald. Daarbij is ook niet relevant of Atradius Hechan heeft verplicht tot samenwerking met mr. Procopio, nu dit op zichzelf niet tot een ander oordeel kan leiden. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat dit laatste overigens niet blijkt uit de door Hechan overgelegde de fax van Atradius van 4 december 1997 (overgelegd als productie 9).

c. Dat Hechan een belangrijk deel van haar organisatie op de incassowerkzaamheden voor Atradius heeft ingericht en dat zij met deze werkzaamheden ongeveer 50% van haar omzet genereert. Hechan stelt voorts dat zij de nodige investeringen heeft gedaan, meer concreet dat zij in 2003 verbouwingskosten en in 2004 opleidingskosten heeft gemaakt voor I. Gezien het feit dat Hechan in 2004 reeds op de hoogte was van het voornemen van Atradius om de overeenkomst op te zeggen, kan zonder nadere omstandigheden die niet zijn gesteld, niet gezegd worden dat de opleidingskosten in redelijkheid zijn gemaakt. Hechan heeft verder onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat zij speciale investeringen heeft gedaan, die nog niet zouden zijn terugverdiend en die specifiek met het oog op de samenwerking met Atradius zouden zijn gedaan (zoals de gestelde verbouwingen), zodat de rechtbank hier verder aan voor bij gaat. Verder heeft Hechan onvoldoende onderbouwd waarom een termijn van 1 jaar onvoldoende zou zijn om haar organisatie aan te passen en andere klanten te vinden. Bovendien ziet de rechtbank – overeenkomstig hetgeen zij heeft overwogen in rechtsoverweging 5.17 – ook geen reden om deze aanpassingsschade volledig op Atradius af te wentelen. Daarnaast zal Hechan ook enige tijd na beëindiging van de overeenkomst nog inkomsten genereren uit voor de beëindiging ontvangen zaken dan wel voor de teruggave van deze zaken aan Atradius een nader tussen partijen overeen te komen vergoeding ontvangen, zodat zij ook in die zin nog respijt krijgt om haar organisatie aan te passen.

d. Dat de opzegging uitsluitend het gevolg is van een beleidswijziging van Atradius. Atradius heeft erkend dat Hechan altijd uitstekend werk heeft geleverd. De aard en het gewicht van de redenen van opzegging zijn derhalve niet zodanig dat deze een zeer korte of geen opzegtermijn zouden rechtvaardigen. Niettemin dient ook het belang van Atradius om beleidswijzigingen door te voeren, een rol te spelen. In het licht van de belangen van beide partijen valt niet in te zien waarom een opzegtermijn van 1 jaar in dit kader onvoldoende zou zijn.

Hechan heeft nog aangevoerd dat Atradius geen opzeggrond heeft voor wat betreft Israël, maar dit betoog faalt. Atradius heeft hiertoe aangegeven dat zij voor onder meer Israël een zogeheten ‘collection centre’ heeft opgezet in België die de werkzaamheden die voorheen door Hechan werden gedaan, zal overnemen.

e. Dat Hechan in ieder geval sinds 27 mei 2003 op de hoogte was van de intentie van Atradius om de samenwerking met Hechan te beëindigen, zodat zij hier vanaf dat moment rekening kon houden. Dit betekent dat Hechan voorafgaande aan de opzegging zich al kon instellen op wat zou komen, zodat op het moment dat er overeenkomstig het eerste kort geding vonnis tegen een termijn van 1 jaar werd opgezegd, van Hechan verwacht mocht worden dat zij hier adequaat en zonder verdere vertraging op zou reageren.

5.19. In het licht van voorgaande omstandigheden acht de rechtbank de door Atradius in acht genomen opzegtermijn van 1 jaar redelijk zodat de opzegging bij brief van 13 april 2004 het beoogde resultaat heeft gehad. Daarbij is geen plaats voor aanvullende schadevergoeding, aangezien de opzegtermijn van 1 jaar al voldoende tegemoet is gekomen aan de gerechtvaardigde belangen van Hechan. Hierbij gaat de rechtbank er ook vanuit dat Hechan eenmaal ontvangen zaken zal afhandelen dan wel voor de teruggave of overdracht een passende vergoeding zal ontvangen. Met Atradius is de rechtbank van mening dat de duur van de earn-out constructie waarover partijen in 2000/2001 hebben onderhandeld, geen indicatie is voor de duur van de opzegtermijn van deze overeenkomst, nu onduidelijk is welke overige rechten en plichten aan de earn-out constructie zouden zijn verbonden.

5.20. Het voorgaande brengt mee dat de vordering onder 3.1 (a) zal worden toegewezen en de vordering onder 3.1 (b) zal worden afgewezen.

5.21. Atradius heeft voorts de teruggave van nog niet uitbestede van Atradius ontvangen (incasso)zaken gevorderd (vordering 3.1 (e) sub (I)). Ten aanzien van reeds uitbestede zaken vordert Atradius dat Hechan de betreffende opdrachtnemer(s) bericht dat Atradius voortaan voor die zaken als opdrachtgever heeft te gelden en dat de betreffende opdrachtnemer(s) voortaan aan Atradius moet(en) rapporteren en rekening en verantwoording moet(en) afleggen (vordering 3.1 (e) sub (II)). Deze vorderingen worden afgewezen. De betreffende zaken zijn door Atradius aan Hechan overhandigd ten tijde dat de overeenkomst nog van kracht was. Hechan kan slechts provisie verdienen ingeval zij de betreffende vorderingen int, hetgeen meestal geruime tijd na ontvangst van een zaak, gebeurt. Bij beoordeling van de opzegtermijn is er vanuit gegaan dat eenmaal ontvangen zaken door Hechan zouden worden afgehandeld. Het is dan ook onredelijk wanneer Hechan de betreffende zaken zou moeten teruggeven dan wel moeten overdragen zonder hiervoor een passende vergoeding te krijgen, temeer nu Atradius niet (voldoende) heeft gesteld dat dit bezwaarlijk is. Atradius heeft overigens ook aangeboden hiervoor een vergoeding te betalen. Nu dit een nader onderzoek vergt naar de hoeveelheid en soort zaken, partijen hierover niets naar voren hebben gebracht, en er ook geen vordering voor het vaststellen van een dergelijke vergoeding is ingesteld, is het aan partijen zelf om hierover in overleg te treden.

5.22. Atradius heeft voorts subsidiair gevorderd dat Hechan Atradius wat betreft de voor 13 april 2005 ontvangen zaken op de oude voet informeert en op de oude voet rekening en verantwoording aflegt (vordering 3.1 (e) sub (III)). Gesteld noch gebleken is dat Hechan totnogtoe slecht werk heeft afgeleverd. Atradius heeft zelfs het tegendeel aangegeven. Derhalve zal de vordering als gevolg van onvoldoende belang worden afgewezen.

5.23. Hechan zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Atradius worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,93

- vast recht 244,00

- getuigenkosten 0,00

- salaris procureur 2.712,00 (6,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 3.027,93

in reconventie

5.24. De vordering in reconventie onder 4.1 onder (IV), (V), (VII) en (VIII) zullen worden afgewezen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij dienaangaande in conventie heeft overwogen.

5.25. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat Atradius het eerste kort geding vonnis heeft nageleefd en de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd, heeft Hechan geen belang meer bij de vorderingen in reconventie onder 4.1 onder (I), (II), (III) en (VI) zodat deze eveneens zullen worden afgewezen.

5.26. Hechan zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Atradius worden begroot op:

- getuigenkosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

in conventie en in reconventie

5.27. De rechter, ten overstaan van wie de voorlopige getuigenverhoren zijn gehouden, heeft om organisatorische redenen dit vonnis niet kunnen wijzen.

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen Atradius en Hechan per 13 april 2005 rechtsgeldig is beëindigd;

6.2. verbiedt Hechan voor wat betreft de periode na 13 april 2005 op grond van het kort geding vonnis van 8 april 2004 ten laste van Atradius dwangsommen te executeren op straffe van een dwangsom van EUR 15.000,- per overtreding met een maximum van EUR 175.000,-;

6.3. verklaart voor recht dat Atradius over de periode van 8 april 2004 tot en met 13 april 2005 geen dwangsommen is verschuldigd;

6.4. veroordeelt Hechan in de proceskosten, aan de zijde van Atradius tot op heden begroot op EUR 3.027,93,

6.5. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

6.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7. wijst de vorderingen af,

6.8. veroordeelt Hechan in de proceskosten, aan de zijde van Atradius tot op heden begroot op EUR 904,00,

6.9. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007.?