Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB0751

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06-2689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 lid 3 Rijkswet op het Nederlanderschap / optieprocedure / openbare orde / redelijke termijn strafzaken / onzorgvuldige voorbereiding

Eiser komt niet in aanmerking voor het Nederlanderschap omdat in de rehabilitatietermijn een drietal sancties is opgelegd dan wel ten uitvoer gebracht. Volgens eiser is het in alledrie de gevallen niet aan hem te wijten dat de procedures zeer langdurig waren. Ten aanzien van de eerste veroordeling valt op voorhand niet uit te sluiten dat de gratie voor aanvang van de rehabilitatietermijn had kunnen zijn verleend, indien het hoger beroep binnen een jaar was behandeld en het arrest direct aan eiser was betekend. Om te kunnen bepalen of de termijn van één jaar een redelijke is, had verweerder moeten onderzoeken waarom de procedure zo lang heeft geduurd en of, en zo ja in hoeverre, dit aan eiser is te wijten. Ten aanzien van de tweede veroordeling valt evenmin in te zien waarom eiser deze niet voor aanvang van de rehabilitatietermijn had kunnen voltooien, indien het vonnis hem spoedig zou zijn betekend en het OM de stukken voortvarend had doorgezonden naar het CJIB. Dat eiser het uitvoeren van de taakstraf had kunnen bespoedigen volgt de rechtbank niet nu namens het OM is verklaard dat de veroordeelde hierop geen invloed kan uitoefenen. Verweerder heeft niet kunnen stellen dat de lengte van deze procedure voor rekening van eiser komt. Ten aanzien van de derde veroordeling is niet relevant dat de tijdsoverschrijding zich grotendeels heeft voorgedaan na aanvang van de rehabilitatietermijn, aangezien, uitgaande van één jaar per instantie in ieder geval in december 2000 of januari 2001 uitspraak in hoger beroep had moeten zijn gedaan, waarna eiser vóór aanvang van de rehabilitatietermijn de taakstraf had kunnen uitvoeren. Verweerder heeft niet zonder nadere motivering kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat deze zaak volledig had kunnen zijn afgerond voor aanvang van de rehabilitatietermijn. Besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg. nr.: AWB 06/2689

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, wonende te Amstelveen, eiser,

gemachtigde: mr. D.M. de Boer, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister van Justitie, namens deze de gemeente Amstelveen, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Kok, ambtenaar bij de gemeente Amstelveen.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 12 september 2005 heeft eiser een verklaring ter verkrijging van zijn Nederlanderschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) afgelegd bij verweerder. Bij besluit van 5 januari 2006 heeft verweerder geweigerd deze verklaring te bevestigen. Bij bezwaarschrift van 7 februari 2006 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 22 maart 2006 is eiser gehoord door de commissie voor bezwaarschriften. Het bezwaar is bij besluit van 10 april 2006, verzonden op 13 april 2006, ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 19 mei 2006 heeft eiser tegen dit besluit gemotiveerd beroep ingesteld bij de rechtbank. In het verweerschrift van 12 juli 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verschaffen. Bij brief van 7 mei 2007 heeft eiser de informatie aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 21 mei 2007 heeft verweerder hierop gereageerd. Partijen hebben de rechtbank vervolgens toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

II. FEITEN

1. Verweerder heeft aan eiser drie strafrechtelijke veroordelingen tegengeworpen. Ten aanzien van deze veroordelingen gaat de rechtbank, op grond van de gedingstukken en hetgeen door partijen is aangevoerd en niet is weersproken, uit van het volgende.

1.1 Op 28 februari 1998 en op 10 maart 1998 heeft eiser in totaal vier strafbare feiten gepleegd. Bij vonnis van 26 oktober 1998 is eiser hiervoor veroordeeld (hierna te noemen: de eerste strafrechtelijke veroordeling). Tegen dit vonnis heeft eiser hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is behandeld op 21 december 2000. Bij arrest van 4 januari 2001 is eiser door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Dit arrest is op 4 januari 2002 onherroepelijk geworden. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van eiser is bij Koninklijk Besluit van 4 juni 2003 besloten tot kwijtschelding van de opgelegde straf.

1.2 Op 18 juli 2000 heeft eiser een diefstal gepleegd. Bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 28 mei 2001 is eiser veroordeeld tot 40 uren werkstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis (hierna te noemen: de tweede strafrechtelijke veroordeling). Dit vonnis is op 4 januari 2002 onherroepelijk geworden. Op 21 december 2002 heeft eiser de werkstraf volbracht.

1.3 Op 11 oktober 1999 heeft eiser een tweetal delicten gepleegd. Bij vonnis van 2 december 1999 is hij hiervoor veroordeeld (hierna te noemen: de derde strafrechtelijke veroordeling). Tegen dit vonnis heeft eiser hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 21 januari 2004 is eiser door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot 80 uren werkstraf, subsidiair 6 weken gevangenisstraf. Dit arrest is op 5 februari 2004 onherroepelijk geworden. Op 21 februari 2005 heeft eiser de werkstraf volbracht.

III. OVERWEGINGEN

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verkrijging van het Nederlanderschap nu ten aanzien van eiser in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop een drietal sancties is opgelegd of ten uitvoer is gebracht, als gevolg waarvan er een ernstig vermoeden bestaat dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 6, derde lid van de RWN. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het beleid dient te worden afgeweken. Hoewel eiser heeft aangevoerd dat in alle drie de gevallen niet aan hem is te wijten dat de procedures zeer langdurig waren, is niet aannemelijk geworden dat bij een spoediger behandeling van de strafzaken de betreffende veroordelingen niet zouden kunnen worden tegengeworpen. Door gratie te verzoeken en de late afwikkeling van zijn taakstraffen heeft eiser zelf voor een zodanige vertraging gezorgd, dat de afwikkeling van de veroordelingen ook bij een spoedige behandeling van de strafzaken binnen de rehabilitatietermijn zou zijn gebleven.

2. Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.1 Ingevolge artikel 6, derde lid, van de RWN wordt bevestiging geweigerd, indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde.

3.2 Bij toepassing van voornoemd artikel hanteert verweerder richtlijnen die zijn neergelegd in de “Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003” (hierna: de Handleiding). Deze richtlijnen houden in, voor zover hier van belang, dat moet worden bezien of er in de afgelopen vier jaar voorafgaand aan de verklaring of de beslissing daarop, terzake van een misdrijf een sanctie is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Met sanctie wordt in dit kader onder meer bedoeld een taakstraf. In de Handleiding is ter verduidelijking voorts opgenomen dat iedere taakstraf, ongeacht de duur ervan, ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een ander straf dan wel in het kader van een transactie voorstel, leidt tot afwijzing van het verzoek. Uit de Handleiding volgt dat dat de termijn aanvangt op het moment dat het vonnis onherroepelijk is geworden en de taakstraffen zijn voltooid. Indien gratie is verleend vangt de termijn aan op de dag dat gratie is verleend. De vierjarentermijn kan in het kader van het openbare orde beleid worden aangemerkt als rehabilitatietermijn, een periode waarin eiser aanraking met politie en justitie dient te vermijden.

3.3 In de Handleiding is voorts opgenomen dat verweerder slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan afwijken van het gevoerde beleid. Een bijzondere omstandigheid kan volgens het beleid in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Van een dergelijke omstandigheid kan bijvoorbeeld worden gesproken indien de periode die is gelegen tussen het laatstelijk gepleegde strafbare feit en de onherroepelijke veroordeling als bijzonder lang moet worden aangemerkt. Hierbij ligt in de rede aansluiting te zoeken bij de jurisprudentie van het Europees Hof tot bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad met betrekking tot de ‘redelijke termijn’ in de zin van artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: AbRS, 16 oktober 1998, JV 1998, 203).

4. Niet is in geschil dat de rehabilitatietermijn is aangevangen op 13 april 2002. Evenmin is in geschil dat sprake is van strafrechtelijke veroordelingen als bedoeld in de Handleiding. In beginsel heeft verweerder derhalve mogen aannemen dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde in de zin van artikel 6, derde lid, van de RWNL. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden, gelegen in de lengte van de strafrechtelijke procedures, die nopen tot afwijking van het in de Handleiding geformuleerde beleid.

5.1 Ten aanzien van de eerste strafrechtelijke veroordeling heeft verweerder gesteld dat de rehabilitatietermijn op 4 januari 2002, de datum van het onherroepelijk worden van de uitspraak in hoger beroep, had kunnen beginnen te lopen, maar dat eiser dit zelf heeft verhinderd door een verzoek om gratieverlening in te dienen. Eiser had kunnen weten dat de rehabilitatietermijn hierdoor zou verschuiven en dat het onwaarschijnlijk was dat het gratieverzoek zou zijn behandeld voor 13 april 2002. Dat de opgelegde straf op 4 juni 2003, en derhalve na aanvang van de rehabilitatietermijn, is kwijtgescholden, is een risico dat eiser heeft genomen en vormt derhalve geen aanleiding om van toepassing van de in de Handleiding neergelegde richtlijnen af te zien.

5.2 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het EHRM als redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, de vuistregel hanteert van één jaar per instantie. Gelet hierop heeft de behandeling van het hoger beroep onredelijk lang geduurd. Het heeft voorts nog een jaar geduurd voordat het vonnis in hoger beroep onherroepelijk is geworden, zonder dat dit aan eiser kan worden verweten. Indien binnen een jaar op het hoger beroep zou zijn beslist en het vonnis onmiddellijk aan eiser zou zijn betekend, dan was eiser veel eerder in de gelegenheid geweest om een verzoek om gratieverlening in te dienen. Wanneer binnen een redelijke termijn op dat verzoek zou zijn beslist, dan had deze strafrechtelijke veroordeling kunnen zijn afgewikkeld voor 13 april 2002.

5.3 De rechtbank stelt vast dat de strafbare feiten, die hebben geleid tot de eerste strafrechtelijke veroordeling, zijn gepleegd op 28 februari 1998 en op 10 maart 1998 en dat eiser bij vonnis van 26 oktober 1998 daarvoor is veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft eiser hoger beroep heeft ingesteld. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft uiteindelijk vonnis gedaan op 4 januari 2001. Dit is zodanig laat betekend dat het arrest eerst onherroepelijk is geworden op 4 januari 2002. De rechtbank constateert dat de gehele strafrechtelijke procedure bijna vier jaar heeft geduurd, waarvan drie jaar voor het hoger beroep. Eiser heeft, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot de redelijke termijn, betoogd dat de strafrechtelijke procedure eerder had moeten eindigen. Verweerder is niet op deze stelling ingegaan, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand valt uit te sluiten dat de gratie vóór 13 april 2002 had kunnen zijn verleend, indien het hoger beroep binnen een jaar was behandeld en het arrest direct aan eiser was betekend. Immers, tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de gratieverlening zit één jaar en vijf maanden, terwijl de termijn voor de behandeling van het hoger beroep van één jaar met twee jaar is overschreden. Teneinde te kunnen bepalen of de termijn van één jaar een redelijke is, had verweerder dan ook dienen te onderzoeken waarom de strafrechtelijke procedure zo lang heeft geduurd en of, en zo ja in hoeverre, dit aan eiser is te wijten (AbRS 16 oktober 1998, JV 1998, 203 en AbRS 1 maart 2004, JV 2004, 175). Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

6.1 Ten aanzien van de tweede strafrechtelijke veroordeling heeft verweerder gesteld dat de opgelegde taakstraf op 21 december 2002 is voltooid, derhalve na aanvang van de rehabilitatietermijn, terwijl niet is gebleken dat eiser pogingen heeft gedaan om de taakstraf zo spoedig mogelijk te voltooien nadat het vonnis onherroepelijk was geworden. Ook ten aanzien van deze strafrechtelijke veroordeling wordt derhalve geen aanleiding gezien om van toepassing van de in de Handleiding neergelegde richtlijnen af te zien.

6.2 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het vonnis van de politierechter van 28 mei 2001 eerst op 4 januari 2002 onherroepelijk is geworden. De betekening van ook dit vonnis heeft onredelijk lang geduurd. Voorts heeft eiser de opgelegde taakstraf onmiddellijk vervuld zodra hij daartoe door Bureau Taakstraffen in de gelegenheid is gesteld. Indien het vonnis van de politierechter onmiddellijk zou zijn betekend, had eiser eerder kunnen worden aangemeld voor het verrichten van de taakstraf. Deze had hij dan eerder, te weten vóór 13 april 2002, kunnen volbrengen.

6.3 Uit de na schorsing van het onderzoek door eiser overgelegde informatie is het volgende gebleken. Het vonnis van de politierechter van 28 mei 2001 is op 13 november 2002 door het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) gemeld. Vervolgens heeft het CJIB dit op 15 november 2002 aan Bureau Taakstraffen gemeld. Op 25 november 2002 heeft een intake gesprek plaatsgevonden met eiser. Eiser heeft op 20 december 2002 de taakstraf volbracht. Dit is op 2 januari 2003 aan het OM gemeld.

Voorts volgt uit de brief van 17 april 2007 van mevrouw T.D. Regterink, werkzaam bij het arrondissementsparket te Haarlem, dat de zaken op zittingsdatum worden afgehandeld en dat het niet gebruikelijk is om bepaalde zaken van een latere zittingsdatum met voorrang te behandelen. Er wordt dus gewerkt met een zogenoemd first in - first out systeem waarbij de veroordeelde geen invloed kan uitoefenen op de bespoediging van het uitvoeren van de werkstraf, aldus mevrouw Regterink.

6.4 In het licht van deze informatie, die door verweerder niet is weersproken, stelt de rechtbank vast dat het OM het vonnis van 28 mei 2001 eerst op 13 november 2002 aan het CJIB heeft gemeld. Er zijn geen omstandigheden gesteld noch gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat deze vertraging niet aan het OM maar aan eiser is te wijten. Voorts constateert de rechtbank dat tussen de eerste handeling van het OM, te weten de melding van het vonnis aan het CJIB, en de voltooiing van de taakstraf, minder dan twee maanden is verstreken. De stelling van verweerder dat eiser het uitvoeren van de taakstraf had kunnen bespoedigen, volgt de rechtbank niet. Namens het OM is immers verklaard dat de veroordeelde geen invloed kan uitoefenen op de bespoediging van het uitvoeren van de taakstraf. Vooralsnog valt niet in te zien waarom eiser – nu hij de taakstraf binnen twee maanden heeft verricht – deze niet voor 13 april 2002 had kunnen voltooien indien het vonnis hem spoedig na 28 mei 2001 zou zijn betekend en het OM de stukken voortvarend had doorgezonden naar het CJIB. Gelet hierop heeft verweerder zich niet op het standpunt kunnen stellen dat de lengte van deze procedure voor rekening van eiser komt.

7.1 Ten aanzien van de derde strafrechtelijke veroordeling heeft verweerder gesteld dat de taakstraf eerst is voltooid op 21 februari 2005 en dat niet kan worden geoordeeld dat de gehele procedure had moeten zijn afgewikkeld voor 13 april 2002 aangezien de tijdsoverschrijding zich grotendeels heeft voorgedaan na aanvang van de rehabilitatietermijn. Het is volgens verweerder dan ook niet aannemelijk dat deze zaak volledig had kunnen zijn afgewikkeld voor die datum.

7.2 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de behandeling van zijn hoger beroep buiten zijn schuld meer dan vijf jaar heeft geduurd. De door het EHRM gehanteerde redelijke termijn van één jaar per instantie is derhalve overschreden. Indien binnen de redelijke termijn van één jaar op het hoger beroep was beslist, dan had eiser de taakstraf vele jaren eerder, en derhalve voor het aanvangen van de rehabilitatietermijn, kunnen uitvoeren.

7.3 De rechtbank stelt vast dat de strafbare feiten, die hebben geleid tot de derde strafrechtelijke veroordeling, zijn gepleegd op 11 oktober 1999 en dat eiser bij vonnis van 2 december 1999 daarvoor is veroordeeld. Tegen dit vonnis heeft eiser hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft uiteindelijk vonnis gedaan op 21 januari 2004. Dit arrest is op 5 februari 2004 onherroepelijk geworden. Op 21 februari 2005 heeft eiser de werkstraf volbracht.

De rechtbank constateert dat de behandeling van het hoger beroep vier jaar heeft geduurd. Niet is door verweerder betwist dat één jaar per instantie, zoals door eiser betoogd, in beginsel een redelijke termijn zou zijn. Gelet hierop is het niet relevant dat, zoals verweerder heeft gesteld, de tijdsoverschrijding zich grotendeels heeft voorgedaan na aanvang van de rehabilitatietermijn. Immers, uitgaande van één jaar per instantie had in ieder geval in december 2000 dan wel januari 2001 uitspraak in hoger beroep moeten zijn gedaan, waarna eiser, uitgaande van de duur van één jaar en een halve maand voor de voltooiing van zijn taakstraf, zoals in dit geval is gebeurd, vóór aanvang van de rehabilitatietermijn de taakstraf had kunnen uitvoeren. Gelet hierop heeft verweerder zich ook ten aanzien van deze strafrechtelijke veroordeling niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat deze zaak volledig had kunnen zijn afgewikkeld voor 13 april 2002. Ook op dit punt ontbeert het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.

8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschaffen van nadere inlichtingen; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht¬bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,-- (zegge: honderdeenenveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.