Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB0285

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
13.497.696-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 12 van de Overleveringswet.

Overlevering aan België.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.696-2006

RK nummer: 07/30

Datum uitspraak: 23 februari 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 december 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 23 februari 2006 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 februari 2007. Daarbij zijn de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam gehoord.

De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht ter zitting aanwezig te zijn.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd.

De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsmandaat bij verstek van 9 februari 2006 van de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de stukken niet duidelijk blijkt of de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd met betrekking tot een executieoverlevering dan wel een overlevering ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek.

Indien er sprake is van een overlevering ter executie dan had dat vermeld moeten staan in het EAB onder b.2 en c.2. Dat is niet het geval. Overlevering ter executie zou bovendien geweigerd moeten worden op grond van artikel 6, tweede lid, van de OLW, nu het een Nederlands onderdaan betreft.

Nu uit de meegezonden stukken blijkt dat het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak is afgerond, zodat in dit stadium niet meer gesproken kan worden van een vervolgingsoverlevering, dient de overlevering te worden geweigerd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft gesteld dat het, gelet op de aanvullende informatie uit België, enkel kan gaan om een vervolgingsoverlevering. De opgeëiste persoon is niet onherroepelijk veroordeeld en hij heeft tegen het vonnis verzet aangetekend. Blijkens de brief van de procureur des Konings van 7 februari 2007 zal het verzet van de opgeëiste persoon ontvankelijk zijn. De raadsman heeft ook niet aangevoerd dat het verzet niet ontvankelijk zou zijn.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft voorts het begrip ‘strafrechtelijk onderzoek’ te beperkt uitgelegd, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de nagekomen stukken is het volgende komen vast te staan.

De opgeëiste persoon is op 12 september 2006 door de Veertiende Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout bij verstek veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor de 8 feiten zoals genoemd in het onderhavige EAB en in het eerste EAB waarvan de behandeling gelijktijdig dient.

De Procureur des Konings heeft bij schrijven van 7 februari 2007 de volgende informatie verstrekt:

“ Het verstekvonnis werd betekend aan de heer [opgeëiste persoon] in persoon op 28 september 2006. Op 11 oktober 2006 werd bij gerechtsdeurwaardersexploot het verzet van de heer [opgeëiste persoon] aan ons betekend. Dit is binnen de door de wet gestelde termijn. Het verzet is dus tijdig. (..)

Er kan dus, gelet op het bovenstaande, vanuit gegaan worden dat de rechtbank het verzet van de heer [opgeëiste persoon] ontvankelijk zal verklaren.”

Nu de opgeëiste persoon verzet heeft aangetekend en uit de mededelingen van de Procureur des Konings ondubbelzinnig valt af te leiden dat dit verzet door de rechtbank ontvankelijk zal worden verklaard en dit bovendien, gelet op de genoemde data, aannemelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een nieuw proces krijgt en aanwezig kan zijn op de terechtzitting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderzoeksrechter die het EAB heeft uitgevaardigd ook de overlevering van de opgeëiste persoon heeft gevraagd ter vervolging en niet ter executie van het eerder gewezen verstekvonnis.

Artikel 2, tweede lid onder e, van de OLW

Voorts heeft de raadsman verzocht de overlevering voor het tweede feit niet toe te staan, nu dat feit onvoldoende feitelijk is omschreven. Het betreft een diefstal van (nog) niet nader te bepalen zaken. Dit biedt onvoldoende basis om een overleveringsverzoek te kunnen toetsen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit voldoende concreet is omschreven en voldoet aan de eisen als gesteld in artikel 2, tweede lid onder e, van de OLW.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van de feiten in het EAB onder e) voldoende duidelijk is en voldoet aan de eisen van artikel 2, tweede lid onder e, van de OLW.

Daaruit blijkt immers voor welke strafbare feiten de Belgische justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon wensen te vervolgen en de bescherming van de zogenoemde specialiteit is aldus voldoende gewaarborgd. Gezien de aard van het misdrijf is niet van belang dat –voorshands- onduidelijk is gebleven wat er is gestolen, nu het ook bij een poging kan zijn gebleven.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft bij gelegenheid van een eerder verhoor verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie dient te worden geweigerd nu criminele organisatie weliswaar staat aangekruist op de lijst, maar niet wordt genoemd bij de strafbare feiten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het lijstfeit ‘deelneming aan een criminele organisatie’ dient te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient te beoordelen of de omschrijving, waaruit de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit zou moeten blijken, naar het oordeel van de rechtbank van dien aard is dat de uitvaardigende autoriteit in redelijkheid tot het met [x] aanduiden van het feit had kunnen komen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ten aanzien van “deelneming aan een criminele organisatie” ontkennend. Met betrekking tot deze specifieke verdenking ontbreekt een omschrijving van feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de opgeëiste persoon niet alleen heeft deelgenomen aan enkele diefstallen, maar ook heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Gelet hierop zal de rechtbank de overlevering voor zover zij betreft “deelneming aan een criminele organisatie” weigeren.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de feiten vallen onder nummer 18 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft, nu hij heeft afgezien van zijn recht ter zitting te verschijnen, geen verklaring afgelegd over de feiten.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Procureur des Konings te Turnhout heeft op 9 februari 2006 de volgende garantie gegeven:

Bij deze geeft mijn ambt de Nederlandse Staat de officiële waarborg dat [opgeëiste persoon] indien hij dat wenst na zijn veroordeling in België daadwerkelijk aan de buitenlandse staat wordt overgeleverd teneinde er zijn straf te ondergaan.

Uiteraard is de omzettingsprocedure voorzien in artikel 11 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 21 maart 1983 tussen beide landen van toepassing, daar zij partij zijn bij dit Verdrag.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten zijn.

De onder 4. bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, meermalen gepleegd

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de OLW

Uit de meegezonden stukken blijkt dat er bij een aantal feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd gebruik is gemaakt van een voertuig met een Nederlands nummerbord.

De officier van justitie heeft zich in dit verband primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a van de OLW, gelet op de genoemde pleegplaatsen, niet van toepassing is.

Subsidiair heeft de officier van justitie om redenen van goede rechtsbedeling gevorderd om af te zien van bovengenoemde weigeringsgrond.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 13 OLW toepassing mist nu de Belgische autoriteiten stellen dat de feiten zijn gepleegd in België, te weten te Ravels. Dat de buit mogelijk in Nederland terecht is gekomen is daarbij geen relevante omstandigheid. Evenmin staat het gebruik van een, in Nederland gehuurde, auto in een zodanig nauw omschreven verband met het gepleegde feit dat dit zou moeten gelden als een omstandigheid waaruit af te leiden valt dat het feit gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zou zijn gepleegd.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 12 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht met betrekking tot het onder nummer 18 op bijlage 1 bij de OLW, vermelde feit te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht met betrekking tot het onder nummer 1 op bijlage 1 bij de OLW, vermelde feit te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie.

Aldus gedaan door

mr. J.C. Boeree, voorzit-ter,

mrs. E.D. Bonga-Sigmond en A.R.P.J. Davids, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.