Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB0139

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
AWB 06-4018 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is subsidie verleend op basis van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies subsidie. In geding is het afmeten van de kwaliteit van het door eiser uitgevoerde project aan de mate waarin de inrichtingswerkzaamheden, zoals beschreven in het projectplan, zijn gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/4018 BELEI

tussen:

het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht, gevestigd te

Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. A.L.C. Biebericher,

en:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. Nagel.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 4 augustus 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 28 juni 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 mei 2007.

2. OVERWEGINGEN

Op 30 september 2003 heeft eiser aan verweerder op basis van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies subsidie aangevraagd voor het project “Natuurlijke ontwikkeling Kromme Mijdrecht”. Het project waarvoor subsidie is gevraagd heeft als doelstelling het verhogen van de kwaliteit van natuur en landschap van de rivier de Kromme Mijdrecht en aanliggende vaarten middels het creëren van een ecologische verbindingszone daartussen. Teneinde deze doelstelling te bereiken is in de projectomschrijving een aantal inrichtingsmaatregelen geformuleerd. In het rapport “Oever en oeverlanden”, dat deel uitmaakt van de subsidieaanvraag, wordt een gedetailleerde uitwerking gegeven van de uit te voeren werkzaamheden. Deze werkzaamheden hebben voor een groot deel betrekking op het herstel van zogenoemde oeverlandjes.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft de Dienst Landelijk Gebied namens verweerder aan eiser subsidie verleend ten bedrage van € 473.612,71. Daarbij is als zogenoemde “outputindicator” een te realiseren verbindingszone van 2,9 kilometer vastgesteld.

Na een eindcontrole van de werkzaamheden en een ingebrekestelling op 6 september 2005, heeft verweerder de subsidie bij besluit van 23 december 2005 ingetrokken en ambtshalve vastgesteld op € 0,-. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het project niet is uitgevoerd overeenkomstig het plan zoals dat is ingediend bij de subsidieaanvraag en op grond waarvan de subsidie is verleend. Er zijn te veel gebreken, aldus verweerder. Slechts 68,2% van de werkzaamheden zoals in het plan beschreven is gerealiseerd, terwijl dit minimaal 80% moet zijn.

Eiser stelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Zo is niet duidelijk op welke tekortkomingen, anders dan waarvoor op 6 juni 2005 in gebreke is gesteld, wordt gedoeld. Eiser erkent dat niet alle werkzaamheden conform het plan zijn uitgevoerd, maar betwist dat slechts 68,2% van de inrichtingsmaatregelen is gerealiseerd. Eiser stelt dat de in de subsidieaanvraag genoemde output-indicator van 2,9 kilometer verbindingszone wel is gehaald. Het doel van de subsidieverlening is dan ook bereikt. Nu het overgrote deel van het project wel degelijk is gerealiseerd, acht eiser het volledig intrekken van de subsidie disproportioneel.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en overweegt daartoe als volgt.

Ter uitvoering van de Europese verordeningen 1257/1999, 445/2002 en 4045/89 en het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor Nederland (beschikking C2751/2000 van de Europese Commissie) heeft de toenmalige Minister van Landbouw,

Natuurbeheer en Visserij, vastgesteld de Regeling subsidie plattelandsontwikkelings- programma provincies (hierna: de Regeling). Van toepassing zijn de Beleidsregels van de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat inzake het verlagen van subsidies in het kader van het plattelandsontwikke- lingsprogramma (hierna: de Beleidsregels). Integraal deel van het besluit van 27 mei 2004 tot subsidieverlening zijn tevens de Algemene Subsidievoorwaarden (hierna: Algemene Voorwaarden).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Voorwaarden wordt het project uitgevoerd conform de bij de aanvraag ingediende projectomschrijving.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Algemene Voorwaarden dient eiser eventuele wijzigingen in het plan voorafgaand ter goedkeuring aan verweerder voor te leggen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene Voorwaarden kan verweerder de subsidieverlening intrekken indien de eindbegunstigde zijn verplichtingen niet, niet tijdig dan wel niet behoorlijk, nakomt of is nagekomen en de tekortkomingen na schriftelijke ingebrekestelling niet herstelt binnen de daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Beleidsregels wordt de subsidieverlening ingetrokken indien de gesubsidieerde activiteit voor meer dan 20% niet is gerealiseerd.

In de “Projectomschrijving natuurlijke ontwikkeling Kromme Mijdrecht en aansluitende vaarten” van 23 september 2003 (hierna: het plan) is een gedetailleerde uitwerking neergelegd van de gewenste inrichtingsmaatregelen waarvoor de subsidie wordt verleend. Het doelbiotoop voor de Kromme Mijdrecht is “veenmoerassen met schraallanden en wateren”. Voorts is onder hoofdstuk 9 opgenomen dat verweerder uiterlijk binnen twee weken op de hoogte dient te worden gesteld indien het project niet verloopt volgens de gestelde voorwaarden.

Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verzoek van 27 juli 2005 om de subsidie definitief vast te stellen, op 16 augustus 2005 steekproefsgewijs een eindinspectie uitgevoerd. De resultaten van deze controle zijn neergelegd in het verslag technische inspectie van

24 augustus 2005. In dit verslag wordt aangegeven dat een aantal inrichtingsmaatregelen niet is uitgevoerd, op grond waarvan wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van het project onvoldoende is.

Bij brief van 6 september 2005 zijn aan eiser van de resultaten van deze inspectie bekend gemaakt. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken binnen vier weken te herstellen.

In de reactie van 22 september 2005 heeft eiser verschillende omstandigheden, onder meer het ontbreken van de noodzakelijke medewerking van perceeleigenaren, genoemd waardoor is afgeweken van het oorspronkelijke plan. Tevens heeft eiser aangegeven dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform het van het projectplan afwijkende bestek dat als bijlage is bijgevoegd. Verweerder is daarop overgegaan tot intrekking van de subsidie omdat bij de uitvoering van het project sterk is afgeweken van de projectomschrijving en eiser heeft verzuimd om verweerder daarvan tijdig in kennis te stellen.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kwaliteit van het door eiser uitgevoerde project mag afmeten aan de mate waarin de inrichtingswerkzaamheden, zoals beschreven in het projectplan, zijn gerealiseerd. Of de verbindingszone die verweerder voor ogen stond is gerealiseerd, hangt immers af van de manier waarop de oeverlandjes zijn ingericht.

Blijkens de bestreden beslissing is geconstateerd dat in totaal slechts 68,2% van de in het plan genoemde inrichtingsmaatregelen is gerealiseerd. De ter zitting door verweerder nader cijfermatig toegelichte berekening van dit percentage komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Gebleken is immers dat verweerder het door eiser op 22 september 2005 overgelegde bestek heeft vergeleken met het oorspronkelijke projectplan, op basis waarvan verweerder tot de slotsom is gekomen dat 68,2% van de oeverlandjes geheel of gedeeltelijk volgens de oorspronkelijke projectomschrijving zijn ingericht. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat deze vaststelling door verweerder onjuist is.

Daargelaten de exacte berekening van dit percentage is genoegzaam duidelijk dat eiser niet minstens 80% van de in het plan genoemde maatregelen heeft gerealiseerd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich bovendien op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich niet aan de voorwaarde heeft gehouden om van wijzigingen binnen twee weken melding te maken.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet heeft voldaan aan artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene Voorwaarden, zodat verweerder bevoegd was ingevolge artikel 2 van de Algemene Voorwaarden de subsidie in te trekken.

Nu bovendien eiser heeft verzuimd om minimaal 80% van de voorgenomen werkzaamheden te realiseren, was verweerder op grond van de Beleidsregels bevoegd de subsidie in te trekken. Gelet op het belang van verweerder bij de juiste besteding van de subsidie en de meer dan marginale afwijking van de voorgenomen werkzaamheden, heeft verweerder na afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de subsidie in te trekken. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het vereiste van proportionaliteit.

Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand en het beroep van eiser is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank

- Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2007 door mr. J.J. Bade, voorzitter en mrs. B.E. Mildner en C.G. Meeder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: C