Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB0137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
AWB 06-3480 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is met zijn besluit om de bezwaren van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling ongegrond te verklaren in strijd gekomen met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, te weten het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/3480 BELEI

tussen:

Rederij Lovers BV, gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. S. Levelt,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Jacobs.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 7 juli 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 30 juni 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 mei 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres exploiteert een bedrijf dat rondvaarten, excursies en andere arrangementen verzorgt op de Amsterdamse waterwegen en omgeving. Zij heeft op 26 januari 2006 aan verweerder exploitatievergunningen gevraagd voor vier bemande, en twintig onbemande passagiersvaartuigen. Deze aanvragen zijn door verweerder bij besluiten van 20 februari 2006 met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat aan eiseres, na ontvangst van haar incomplete vergunningaanvragen, bij brief van 2 februari 2006 is meegedeeld welke gegevens nog ontbraken om deze in behandeling te kunnen nemen. Nu eiseres de ontbrekende gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd, is haar aanvraag buiten behandeling gesteld. De nadien alsnog door eiseres verstrekte gegevens hoefden niet bij de heroverweging betrokken te worden, aldus verweerder.

Eiseres stelt dat door de gang van zaken tijdens de bezwaarschriftenprocedure bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat haar aanvragen in behandeling zouden worden genomen. Voorts stelt zij dat zij alle in het aanvraagformulier gevraagde informatie heeft verstrekt en verweerder op grond daarvan haar aanvraag had kunnen en moeten beoordelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

Artikel 4:5 van de Awb strekt ertoe het bestuursorgaan de mogelijkheid te bieden tot vereenvoudigde afdoening van een aanvraag die niet voldoet aan de wettelijke vereisten of waarbij onvoldoende gegevens of bescheiden zijn gevoegd om een verantwoorde behandeling en beoordeling mogelijk te maken. Het betreft een discretionaire bevoegdheid waarvan de rechtbank dient te beoordelen of verweerder daarvan in redelijkheid gebruik heeft gemaakt.

Vaststaat dat eiseres op 27 januari 2006 middels de door verweerder daartoe bestemde formulieren onderhavige aanvragen heeft ingediend.

Vervolgens heeft verweerder bij brieven van 2 februari 2006 aan eiseres gevraagd schriftelijke informatie te verstrekken. Bij schrijven van 16 februari 2006 heeft eiseres aan verweerder een deel van de gevraagde informatie gezonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in beginsel gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen, aangezien eiseres heeft nagelaten alle gegevens te verstrekken die nodig waren om een verantwoorde behandeling mogelijk te maken. Eiseres heeft immers verzuimd verweerder informatie te verstrekken met betrekking tot de punten die in de toelichting op de aanvraag zijn aangegeven. Verweerder is evenwel met zijn besluit om de bezwaren van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling ongegrond te verklaren in strijd gekomen met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, te weten het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Uit het verslag van de hoorzitting op 18 april 2006 blijkt dat de Dienst Binnenwaterbeheer (BBA) namens burgemeester en wethouders heeft aangegeven dat eiseres inzake de aanvraag voor twintig onbemande passagiersvaartuigen nadere gegevens heeft overgelegd en dat de BBA hiermee akkoord gaat. Tevens heeft de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie aangegeven dat eiseres nog een termijn van twee weken krijgt om nadere stukken te overleggen met betrekking tot de waterstofboten (de vier bemande passagiersvaartuigen). Deze informatie zou vervolgens door de commissie worden bekeken, aldus de voorzitter.

Daarop heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 2 mei 2006 de door verweerder op de hoorzitting gevraagde informatie met betrekking tot de bemande passagiersvaartuigen overgelegd. Voorts heeft de gemachtigde in deze brief aangegeven dat namens verweerder op de hoorzitting is meegedeeld dat de aanvraag voor de twintig onbemande passagiersvaartuigen inmiddels aan alle vereisten voor vergunningverlening voldoet.

Naar het oordeel van de rechtbank is door deze gang van zaken van de zijde van verweerder bij eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat verweerder niet langer gebruik zou maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Immers, verweerder heeft tijdens de hoorzitting bij eiseres de verwachting gewekt dat haar aanvragen, ten aanzien van de onbemande vaartuigen direct en ten aanzien van de bemande vaartuigen na het aanleveren van de gevraagde gegevens, (alsnog) in behandeling zouden worden genomen. Bovendien heeft verweerder de brief van 2 mei 2006 van de gemachtigde van eiseres onweersproken gelaten.

Voor zover verweerder in dit verband heeft betoogd dat honorering van het gewekte vertrouwen een ongerechtvaardigde benadeling van andere aanvragers met zich brengt, overweegt de rechtbank als volgt.

Ter zitting is door verweerder onder meer aangegeven dat indien eiseres de onderhavige procedure succesvol afsluit, eiser in aanmerking zal worden gebracht voor vergunningen die ten koste gaan van de volgende verdeling van exploitatievergunningen. De rechtbank ziet in dit licht niet in hoe door deze gang van zaken andere aanvragers uit de groep van aanvragers voor de jaren 2006-2007 worden benadeeld, zodat deze stelling verweerders besluit niet kan rechtvaardigen.

Bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is, zodat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd en verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw een beslissing op het bezwaarschrift van eiseres dient te nemen.

Nu de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, houdt deze uitspraak op grond van het bepaalde in artikel 8:74, lid 1, van de Awb tevens in dat het door eiseres betaalde griffierecht van € 281,- wordt vergoed door de gemeente Amsterdam.

Ten slotte ziet de rechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiseres het door haar betaalde griffierecht

ad € 281,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de hiervoor omschreven proceskosten, begroot op € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2007 door mr. J.J. Bade, voorzitter en mrs. B.E. Mildner en C.G. Meeder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B