Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
13.497.247.2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering Polen toegestaan. feiten niet in redelijkheid als lijstfeit aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.247.2007

RK nummer: 07/2839

Datum uitspraak: 6 juli 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 mei 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 6 februari 2007 door de provincial Court Judge of the Lublin Provincial Court, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2007. Daarbij zijn de offi-cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd.

De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een vonnis van de Lublin Provincial Court van 5 april 2004 ten grondslag (referentienummer: IV K 359/02).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. De nog uit te zitten vrijheidsstraf bedraagt 2 jaren, 2 maanden en 17 dagen.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt en heeft daartoe nummer 8 (kortgezegd: fraude) op de bijlage I bij de OLW aangekruist.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen – en gelet op de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB heeft zij in redelijkheid niet tot het oordeel kunnen komen dat deze feiten vallen onder nummer (8) op bijlage I bij de OLW.

Voor de feiten is derhalve dubbele strafbaarheid vereist.

De feiten zijn zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Opzetheling

en

Diefstal voorafgegaan en vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de provincial Court Judge of the Lublin Provincial Court ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs.A.J.R.M. Vermolen en A.A. Spoel, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.