Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9631

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
AWB 05-2377 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft beslist dat eiser niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw omdat hij zich niet binnen één jaar na de datum van beëindiging van de verplichte verzekering, 1 januari 1998, heeft aangemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/2377 ANW

van:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M. Huisman,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C.A.J. Mastenbroek.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 9 mei 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 31 maart 2005.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 18 april 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser heeft op 28 september 2004 verweerder gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een vrijwillige verzekering ingevolge Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Eiser heeft bij zijn aanvraag verklaard dat hij op 1 januari 1998 naar Frankrijk is verhuisd. Tevens heeft eiser verwezen naar een overzicht en belastingaanslagen 2000 tot en met 2004.

Bij besluit van 24 januari 2005 heeft verweerder beslist dat eiser niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw omdat hij zich niet binnen één jaar na de datum van beëindiging van de verplichte verzekering, 1 januari 1998, heeft aangemeld.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 maart 2005 bezwaar gemaakt. Eiser heeft aangevoerd dat de oorzaak van de te late melding hem niet te verwijten valt aangezien door een fout van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) er sinds 1 januari 1998 geen AOW-premie meer op zijn uitkering is ingehouden. Daarbij heeft eiser gewezen op een brief van het UWV van 18 oktober 2004. Er is, aldus eiser, sprake van een zeer bijzondere omstandigheid ten gevolge waarvan aanleiding bestaat om hem toch nog per 1 januari 1998 toe te laten tot de vrijwillige verzekering.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder het volgende overwogen. De verplichte verzekering is met ingang van 1 januari 1998 geëindigd. Met ingang van deze datum is eiser namelijk werkzaamheden als zelfstandige in Frankrijk gaan verrichten. Gelet op artikel 13, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening) is met ingang van 1 januari 1998 de Franse sociale verzekeringswetgeving op eiser van toepassing. Het UWV heeft geheel terecht na 1 januari 1998 geen premies volksverzekeringen ingehouden op eisers uitkering. Voor deelname aan de vrijwillige verzekering had eiser zich voor 1 januari 1999 dienen aan te melden. Eiser heeft zich op 8 oktober 2004 aangemeld, derhalve buiten de termijn. Tevens is overwogen dat de bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid tot deelname aan de verplichte verzekering dwingendrechtelijk van aard zijn en dat dit betekent dat verweerder geen mogelijkheden heeft om van deze bepalingen af te wijken.

In het verweerschrift van 21 juni 2005 heeft verweerder overwogen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de te late aanmelding zou kunnen pardonneren en eiser met ingang van 1 januari 1998 alsnog zou kunnen toelaten tot de vrijwillige verzekering. Overwogen is dat ingrijpende wijzigingen in de privé-omstandigheden, zoals de verhuizing naar een ander land en het aldaar gaan verrichten van werkzaamheden, voldoende aanleiding dienen te zijn voor degene die het betreft om bijtijds - liefst vooraf - informatie in te winnen over de nieuwe situatie. Niet is gebleken dat eiser tijdig navraag heeft gedaan over zijn verzekeringspositie vanaf 1 januari 1998. Nu eiser dit heeft nagelaten dienen de gevolgen daarvan voor zijn rekening te komen.

In beroep heeft eiser gewezen op een brief van het UWV van 26 mei 2005 waarin staat dat in de eerdere brief van 18 oktober 2004 ten onrechte is opgenomen dat per 1 januari 1998 geen AOW-premie is afgedragen. Dit betekent, aldus eiser, dat hij in aanmerking komt voor de overgangsregeling die is getroffen voor uitkeringsgerechtigden die woonachtig zijn in het buitenland, binnen de Europese Unie. Het gaat om de overgangsregeling die is getroffen naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, nummer C-227/03, van 7 juli 2005, het zogenoemde Van Pommeren-arrest.

Overwogen wordt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de AOW kan de gewezen verzekerde van 15 jaar of ouder zich, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de AOW is de gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, gebruik wil maken, verplicht uiterlijk een jaar na de dag, waarop de verplichte verzekering is geëindigd, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.

De artikelen 63a en 63b van de Anw bevatten een soortgelijke bepaling ten aanzien van de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw.

Voorgaande bepalingen zijn van dwingend recht. Dit betekent dat daar in beginsel niet van kan worden afgeweken. Er zijn echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Met betrekking tot de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verplichte verzekering ingevolge de AOW en de Anw per 1 januari 1998 is geëindigd, wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst verricht, de wetgeving van die staat van toepassing. Nu eiser per 1 januari 1998 in Frankrijk werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat per genoemde datum de verplichte verzekering ingevolge de AOW en de Anw is geëindigd.

Vervolgens wordt overwogen dat nu de conclusie luidt dat de verplichte verzekering per 1 januari 1998 is geëindigd en eiser eerst in september/oktober 2004 een aanvraag om een vrijwillige verzekering heeft ingediend, verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser zich niet binnen één jaar na afloop van de verplichte verzekering heeft aangemeld voor deze verzekering.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheid die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de te late aanvraag te pardonneren, wordt het volgende overwogen. In de (tweede) brief van het UWV van 26 mei 2005 is opgenomen dat tot 1 januari 2000 AOW-premie op eisers uitkering is ingehouden en dat eind 1999 aan alle in het buitenland woonachtige uitkeringsgerechtigden, zoals eiser, bericht is gestuurd dat de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen zou komen te vervallen. Zo eiser er door de inhoudingen van premie ingevolge de volksverzekeringen er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd is gebleven ingevolge de AOW en/of Anw, wordt overwogen dat eiser zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 heeft aangemeld, zodat ook vanuit dit licht bezien eiser niet tijdig een aanvraag voor de vrijwillige verzekering heeft ingediend.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder ten onrechte geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen waardoor het te laat indienen van de aanvraag eiser niet zou moeten worden tegengeworpen.

Met betrekking tot het beroep op het arrest Van Pommeren wordt het volgende overwogen.

Het Hof van Justitie heeft voor recht verklaard dat artikel 39 van de EG eraan in de weg staat dat een lidstaat een wettelijke regeling toepast op grond waarvan iemand die iedere beroepswerkzaamheid op zijn grondgebied heeft stopgezet, voor bepaalde takken van sociale zekerheid slecht verplicht verzekerd blijft indien hij aldaar zijn woonplaats behoudt, terwijl die persoon ingevolge de wetgeving van deze lidstaat voor andere takken van sociale zekerheid verplicht verzekerd blijft, ook indien hij in een andere lidstaat woont, wanneer de voorwaarden voor vrijwillige verzekering voor de takken van sociale zekerheid waarvoor de verplichte verzekering is geëindigd, minder gunstig zijn dan die voor de verplichte verzekering.

De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 6 april 2007, LJN:BA2500, overwogen genoemd arrest moet worden gelezen in de context van het in die zaak aan de orde zijnde probleem dat een in een andere lidstaat wonende gerechtigde tot een Nederlandse uitkering slechts voor enkele takken in het Nederlandse stelsel verzekerd bleef, maar zich hierdoor wel volledig van het stelsel van het woonland zag afgesneden.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is eiser per 1 januari 1998 niet langer verplicht verzekerd ingevolge de AOW en de Anw omdat hij werkzaamheden als zelfstandige in Frankrijk is gaan verrichten, als gevolg waarvan het Franse sociale zekerheidsstelsel op hem van toepassing is. Hiermee wijkt de situatie van eiser in essentie af van de situatie waarop het Van Pommeren-arrest betrekking heeft. In die zaak hield de beëindiging van de verplichte verzekering immers verband met de omstandigheid dat de betrokkene was verhuisd naar aan andere lidstaat binnen de Europese Unie. Nu sprake is van een essentieel andere situatie, kan eiser zich naar het oordeel van de rechtbank niet met succes op het arrest Van Pommeren beroepen.

Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een vergoeding van het griffierecht aan eiser of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2007 door mr. C.G. Meeder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Nubé, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B