Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
13.497275-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen-uitspraak inzake overlevering België. Betreft verstekvonnis met garanties art 12 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497275-2007

RK nummer: 07/2961

Datum uitspraak: 6 juli 2007

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 10 mei 2007 door de justitiële autoriteit, de substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëist persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting “Nieuwegein” te Nieuwegein,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 juni 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam gehoord. De behandeling is op die zitting aangehouden en voortgezet op de openbare zitting van 22 juni 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman,

mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde, derde kamer, d.d. 19 mei 2006 (ref: OU.21.99.239/00 EAU 2/07) ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Belgische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat de feiten waarvoor de Belgische justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

1. het strafrechtelijk onderzoek werd in België opgestart en is nagenoeg volledig in België gevoerd;

2. de medeverdachten van de opgeëiste persoon, te weten [medeverdachte1], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] zijn reeds in België veroordeeld voor de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd;

3. de vervolging van de opgeëiste persoon in België heeft reeds bij verstek plaatsgevonden;

4. de opgeëiste persoon zou, na meerdere veroordelingen in België voor drugs gerelateerde feiten, uit België zijn gevlucht en de Belgische autoriteiten hebben er derhalve groot belang bij om aan zijn onttrekking aan berechting in België een einde te brengen;

5. de bewijsmiddelen – waaronder onder meer verklaringen van medeverdachte [medeverdachte1] - zijn in België voorhanden;

6. de rechtsorde in België is het meest aangetast nu België meermalen is gebruikt als doorvoerland voor drugshandel tussen Nederland en Engeland en twee Belgische firma’s zijn valselijk aangewend om de verdovende middelen te vervoeren.

De raadsman heeft gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden nu de opgeëiste persoon slechts betrokkenheid zou hebben gehad bij transporten van verdovende middelen van Nederland naar Engeland. Naar het de raadsman voorkomt heeft België in het geheel geen rechtsmacht en geen bevoegdheid tot vervolging. De raadsman doet om die reden een beroep op artikel 13, eerste lid, van de OLW.

De officier van justitie is van oordeel dat slechts een klein gedeelte van de feiten in Nederland is gepleegd, nu de feiten niet enkel het handelen van de opgeëiste persoon betreffen.

Ten aanzien van de opmerking van de raadsman dat België slechts doorvoerland zou zijn en daarom geen rechtsmacht zou hebben, ziet de officier van justitie geen aanleiding nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten nu de Belgische justitiële autoriteiten rechtsmacht stellen te hebben en daarvan, gelet op het vertrouwensbeginsel, uit moet worden gegaan.

De rechtbank gaat er op grond van het vertrouwensbeginsel vanuit dat België rechtsmacht heeft ten aanzien van de feiten. Zij heeft, gelet op de onderliggende stukken, geen reden daaraan te twijfelen.

De rechtbank is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

7. Artikel 12 van de Overleveringswet.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige EAB – vooralsnog - strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis en dat de rechtbank derhalve dient te onderzoeken of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon gewaarborgd zijn, zoals bedoeld in artikel 12 OLW, alvorens de overlevering kan worden toegestaan.

Op grond van de OLW dient de rechtbank het bestaan van deze waarborg met de grootste mate van zekerheid vast te stellen, om er zeker van te zijn dat de opgeëiste persoon niet, om welke reden dan ook, reeds bij aankomst in België niet-ontvankelijk blijkt te zijn in zijn verzet.

In het EAB is in onderdeel d) het volgende vermeld:

Het exploot van dagvaarding is betekend aan de Procureur des Konings te Oudenaarde, bij gebreke aan bekende woon- of verblijfplaats; de dagvaarding werd niet aan de gedaagde ter hand gesteld.

en is de volgende garantie opgenomen:

Het vonnis waarvan de uitvoering wordt benaarstigd, is nog niet aan [opgeëiste persoon] in persoon betekend. Deze betekening zal gebeuren wanneer hij het Belgisch grondgebied zal betreden. Volgens het bepaalde in artikel 187 van het Belgisch Wetboek van Strafvordering zal hem vanaf datum van betekening een termijn openstaan van vijftien dagen om verzet aan te tekenen tegen het vonnis a quo, rechtsmiddel waardoor, bij geldig verzet, de strafprocedure ten gronde zal worden overgedaan.

Bij brief van 21 juni 2007 van voornoemde Procureur des Konings is een aanvullende garantie gegeven, inhoudende:

“Zo [opgeëiste persoon] aan België zal worden overgedragen, zal hem het geciteerde vonnis van 19 mei 2006 opnieuw worden betekend, waarna hem, luidens artikel 187 van het Belgisch Wetboek van Strafvordering een termijn van 15 dagen zal openstaan om verzet tegen het bestaande vonnis aan te tekenen.”

Het is de rechtbank bekend dat naar Belgisch recht de bijzondere verzettermijn (vijftien dagen) gaat lopen vanaf het moment dat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis aan de Procureur des Konings.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de bevindingen en beoordeling door de Hoge Raad in de – onder de Uitleveringswet gewezen - uitspraken, gepubliceerd onder LJN AT6197 en AT6200.

Uit de genoemde arresten van de Hoge Raad valt evenwel af te leiden dat de verzetstermijn van het verstekvonnis is gaan lopen op het moment dat de veroordeelde in de uitleveringsprocedure kennis van die betekening krijgt. De rechtbank ziet geen reden waarom dat in overleveringszaken anders zou zijn. Om die reden heeft de rechtbank in soortgelijke overleveringszaken de overlevering geweigerd.

Nu de opgeëiste persoon in het onderhavige geval in het kader van de overleveringsprocedure kennis heeft gekregen van voornoemd vonnis van 19 mei 2006 en van de betekening aan de Procureur des Konings op 2 juni 2006, kan de rechtbank niet uitsluiten dat, ondanks alle gegeven uitgebreide garanties, de verzettermijn reeds is gaan lopen.

Uit die garanties kan immers niet zonder meer volgen dat de rechtbank van Eerste aanleg ook het door haar Procureur des Konings vertolkte standpunt pleegt te huldigen. Bovendien is het de rechtbank ambtshalve bekend dat andere Belgische uitvaardigende autoriteiten zich in vergelijkbare gevallen inderdaad op het standpunt hebben gesteld dat de termijn voor verzet ingaat op het moment waarop de opgeëiste persoon in de overleveringsprocedure kennis heeft gekregen van de betekening van het bij verstek gewezen vonnis of arrest.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank derhalve onvoldoende vast dat –effectief – verzet mogelijk is en het vonnis niet inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.

Onder de beraadslaging is gebleken dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie van de Belgische justitiële autoriteiten met betrekking tot de verzetgarantie.

De rechtbank verzoekt de Belgische justitiële autoriteiten voor de toelaatbaarheid van de overlevering een garantie te verstrekken met de volgende strekking.

“Indien de Belgische rechter de opgeëiste persoon niet zal ontvangen in zijn eventuele verzet, omdat het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde van 19 mei 2006 toch in kracht van gewijsde blijkt te zijn gegaan vanwege de kennisneming door de opgeëiste persoon van de betekening van dat arrest aan de Procureur des Konings, zal de bij dat arrest opgelegde vrijheidsstraf niet ten uitvoer worden gelegd dan nadat de Belgische autoriteiten de opgeëiste persoon in de gelegenheid hebben gesteld het grondgebied van België te verlaten en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt dan wel, nadat hij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, in dat grondgebied is teruggekeerd”.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Heropent en schorst het onderzoek ter zitting.

De rechtbank verzoekt de officier van justitie bovengeformuleerd verzoek door te geleiden aan de Belgische justitiële autoriteiten.

Beveelt dat het onderzoek op een nader te bepalen tijdstip zal worden hervat.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen dat nader te bepalen tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. J. Edgar en A.A. Spoel, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2007.