Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
333556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervoersrecht, onrechtmatige daad, onbeperkte aansprakelijkheid stuwadoor?, derdenwerking exoneratiebeding?, bewaarneming, Himalaya clausule, opzet of bewuste roekeloosheid?

7:608 BW

Bij het aan boord van een schip rijden van een tractor met boorinstallatie botst deze tegen het bovenliggende scheepsdek aan een raakt onherstelbaar beschadigd. Ladingbelanghebbende spreekt rechtsreeks de door de vervoerder ingeschakelde stuwadoor aan uit onrechtmatige daad.

De stuwadoor doet een beroep op derdenwerking van zijn met de vervoerder overeengekomen exoneratiebeding. Nu de schade is ontstaan tijdens het beladen van het schip en niet tijdens de uitoefening van de bewaarneming, mist artikel 7:608 BW naar het oordeel van de rechtbank toepassing. De rechtbank neemt hier ook anderszins geen derdenwerking aan van het in de algemene voorwaarden van de stuwadoor voorkomende exoneratiebeding.

Het beroep op de van de op de vervoersovereenkomst toepasselijke cognossementsvoorwaarden onderdeel uitmakende Himalaya clausule slaagt wel, zodat de stuwadoor zich op alle ten gunste van de vervoerder opgenomen bepalingen in de cognossementsvoorwaarden kan beroepen en tevens op alle rechten, aansprakelijkheidsuitsluitingen en beperkingen, verweren en immuniteiten die tussen ladingbelanghebbende en de vervoerder van toepassing zijn.

De stuwadoor wordt beperkt aansprakelijk geacht voor de ontstane schade. Opzet of bewuste roekeloosheid wordt niet aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 333556 / HA ZA 06-154

Vonnis van 11 juli 2007

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. L.G.R.M. van der Meulen,

tegen

1. de vennootschap onder firma

UNITED STEVEDORES AMSTERDAM V.O.F.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSIT TERMINAL AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B STUWADOORS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

procureur mr. G.J.H. de Vos.

Partijen zullen hierna A en USA c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 19 juli 2006 en de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van antwoord met bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 27 september 2006 waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van de op 14 december 2006 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van repliek,

- de akte van A van 14 februari 2007,

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A heeft begin 2005 in Nederland een tractor met boorinstallatie van het merk Antari gekocht met de bedoeling deze tractor van Amsterdam naar Ghana te verschepen. Met de tractor zou in Ghana worden geboord naar waterbronnen.

2.2. A heeft via C Shipping Ltd. (hierna: C) aan rederij D Lines (hierna: D) de opdracht verstrekt voor het verladen en verschepen van de tractor aan boord van het schip ms Grande Nigeria (hierna: het schip).

2.3. D verricht vervoerswerkzaamheden doorgaans onder cognossement. De op de achterzijde van haar cognossementen gedrukte cognossementsvoorwaarden luiden, voor zover hier relevant:

“6) Subcontracting

1) The Carrier shall be entitled to subcontract on any terms the whole of or any part of the carriage, loading, unloading, storing, warehousing, handling and any or all duties whatsoever undertaken by the carrier in relation to the goods.

2) The Merchant undertakes that no claim or allegation shall be made against any servant, agent or subcontractor of the Carrier which imposes or attempts to impose upon any of them or any vessel owned by any of them any liability whatsoever in connection with the goods and if any such claim or allegation should nevertheless be made, to indemnify the Carrier against all consequences thereof. Without prejudice to the foregoing, every such servant, agent or subcontractor shall have the benefit of all provisions herein benefiting the Carrier as if such provisions where expressly for their benefit: and, in entering into this contract the Carrier to the extent of those provisions does so not only on its own behalf but also as agent and trustee for such servant, agents or subcontractor.”

(Hierna: de Himalaya-clausule)

Artikel 20 sub a luidt:

“20) The amount of compensation

a) In case of damage to or loss of the goods, for which the Carrier is liable, such liability shall be calculated on the basis of the actual invoiced value of the goods, provided always that the Carrier’s liability does not exceed € 104,- per package or unit (in case the Italian Code of Navigation applies) or maximum of SDR 666,67 per package or unit or SDR 2 per kilo or a maximum of US $ 2.00 per kilo in all other cases.”

2.4. In opdracht van D hebben USA c.s. op 23 maart 2005 de tractor in bewaring genomen in afwachting van belading van de tractor aan boord van het schip. Op de tussen USA en D gesloten overeenkomst tot uitvoering van stuwadoorswerkzaamheden, waaronder tot bewaring en belading, zijn de algemene voorwaarden van USA c.s. (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

Artikel 11 lid 3 van de algemene voorwaarden luidt, voor zover hier relevant:

“De stuwadoor is niet aansprakelijk voor enige schade tenzij de wederpartij bewijst dat de schade is ontstaan door eigen opzet of bewuste roekeloosheid van de stuwadoor of diens leidinggevende personen.”

2.5. Op 24 maart 2005 heeft de “Super Cargo” van D (de scheepsofficier die de supervisie heeft bij het beladen van het schip) een medewerker van USA (hierna: de chauffeur) toestemming gegeven om de tractor aan boord van het schip te rijden naar het daartoe aangewezen dek. Bij het aan boord gaan is de tractor met de top van de boorinstallatie tegen een bovenliggend scheepsdek aangereden, met als gevolg schade aan de boorinstallatie en aan de tractor zelf.

2.6. Bij brief van 4 april 2005 heeft A USA c.s. aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. USA c.s. weigeren tot vergoeding van de schade over te gaan.

2.7. E Nederland B.V. (hierna: E) heeft in opdracht van C een rapport opgesteld naar aanleiding van de beschadiging van de tractor, gedateerd 28 juni 2005. Dit rapport luidt, voor zover hier relevant:

“[...] The stevedores company USA Terminal Amsterdam took delivery of and loaded the tractor on behalf of D Lines. […]

Cause of the damage: […]

Because of the late delivery date at the terminal compared with the sailing date of the vessel, the tractor was not scheduled in the stowing plan of the vessel, however because there was space on the vessel it was possible to ship the tractor to Ghana on board the m.v. GRANDE NIGERIA and USA as usual issued a loading sticker and placed it on the tractor.

On 24 March 2005 the tractor was driven on board the RO/RO vessel by an employee of USA. The super cargo of D Lines scanned the sticker on the tractor and gave permission to drive the tractor on board the vessel.

While driving on board to the assigned deck the driver as well as the super cargo of D Lines paid no caution to the height of the drilling unit at the back of the tractor and driving up a ramp the top of the drilling unit smashed in the floor of one of the tween decks. As a result of the impact the drilling unit broke loose from the tractor chassis and was severely damaged.

Conditions / recovery:

The stevedore United Stevedores Amsterdam carries out their activities according to the Stevedores conditions and was instructed by the carrier D Lines.

The carrier D Lines carries out their activities according to the terms of the Bill of Lading (a copy of the Bill of Lading applicable for this transport is in your possession).”

2.8. Op 30 november 2005 heeft PWP Schade Experts (hierna: PWP) in opdracht van USA c.s. een rapport opgesteld naar aanleiding van het schade-incident.

Dit rapport luidt, voor zover hier relevant:

“[...]

OORZAAK:

Bij de ontvangst van goederen, machines en materieel worden de gegevens door verzekerde opgenomen en worden gewicht en afmetingen vastgelegd. Met behulp van deze gegevens wordt een laadplan opgesteld. De gegevens worden in een computer ingevoerd. De te beladen goederen worden voorts voorzien van een barcode. De buitendienst kan zodoende bij het laden alle benodigde gegevens uitlezen en de locatie op het schip bepalen.

In dit geval, zo verklaarde verzekerde ons, was sprake van een bijboeking. Als gevolg van tijdgebrek waren de gegevens van de boorinstallatie nog niet in het systeem verwerkt. Bij het uitlezen van de barcode werd derhalve nog niet de maatvoering van de installatie aangegeven.

Voor het beladen van de boorinstallatie is gebruik gemaakt van de eigen aandrijving van de tractor. Omdat geen verdere gegevens bekend waren heeft de chauffeur een, naar later bleek, verkeerde inschatting gemaakt van de hoogte en de machine naar dek 2 gereden.

Dit dek heeft een hoogte van 3.2 meter. De boorinstallatie heeft echter een hoogte van 3.4 meter. De machine is met het frame van de boorinstallatie tegen het bovengelegen dek aangekomen en abrupt tot stilstand gekomen.

De chauffeur is daarbij tegen de voorruit aangekomen waardoor de ruit bezweek. De chauffeur heeft verder geen letsel opgelopen, zo werden wij geïnformeerd. De installatie raakte door de op het frame uitgeoefende krachten echter zwaar beschadigd.”

3. Het geschil

3.1. A vordert als vermeld onder 2.1 van het incidenteel vonnis van 19 juli 2006. Zij baseert haar vordering primair op wanprestatie, en subsidiair op onrechtmatige daad in combinatie met artikel 6:170 BW.

3.2. USA c.s. voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Kort samengevat betwisten zij iedere aansprakelijkheid en betwisten zij het bestaan van een rechtstreekse contractuele relatie met A. Ter afwering van de subsidiaire grondslag van aansprakelijkheid beroepen USA c.s. zich op derdenwerking van het tussen hen en D toepasselijke exoneratiebeding, alsmede op de zogenaamde Himalaya-clausule welke onderdeel vormt van de tussen A en D toepasselijke cognossementsvoorwaarden. Verder betwisten USA c.s. dat sprake was van opzettelijk of roekeloos handelen van USA en/of van haar leidinggevenden en/of van haar chauffeur. Ten slotte wordt ook de (omvang van de) gevorderde schadevergoeding betwist.

4. De beoordeling

De bevoegdheid en het toepasselijk recht

4.1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is deze rechtbank bevoegd van dit geschil kennis te nemen, nu gedaagden binnen het arrondissement van deze rechtbank zijn gevestigd.

Op de rechtsverhouding tussen partijen is het Nederlandse recht van toepassing, nu beide partijen hun vorderingen en stellingen baseren op Nederlands recht en de rechtbank geen aanleiding ziet hiervan af te wijken.

Het inhoudelijke geschil

4.2. Door A is allereerst onvoldoende toegelicht op grond waarvan USA c.s. aansprakelijkheid zou hebben erkend. De enkele melding van het incident aan hun verzekeraar en de mededeling dat het incident aldaar in behandeling is genomen is hiertoe in ieder geval onvoldoende.

4.3. A heeft verder ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen erkend dat zij USA c.s. niet rechtstreeks, dan wel via C, heeft ingeschakeld, maar dat USA c.s. is ingeschakeld door D. Dit impliceert dat van een (rechtstreekse) contractuele relatie tussen partijen geen sprake is en dat het beroep van A op een door USA c.s. gepleegde wanprestatie derhalve faalt.

4.4. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de subsidiaire grondslag van de vordering, te weten het door A gestelde onrechtmatige handelen in combinatie met haar beroep op artikel 6:170 BW.

Het beroep van USA c.s. op de algemene voorwaarden

4.5. In dit verband is van belang of USA c.s., op grond van artikel 7:608 BW, jegens A een beroep kunnen doen op het in artikel 11. 3 van de algemene voorwaarden opgenomen exoneratiebeding, zoals hiervoor geciteerd onder 2.4.

A heeft niet betwist dat tussen USA c.s. en D een gecombineerde overeenkomst terzake van bewaarneming en belading van de tractor tot stand is gekomen, en dat tussen hen het voornoemde door USA c.s. gehanteerde exoneratiebeding van toepassing is. Wel betwist A, zo begrijpt de rechtbank, dat USA c.s. jegens hem een beroep kunnen doen op voornoemd exoneratiebeding.

Artikel 7:608 BW bepaalt dat de bewaarnemer die buiten overeenkomst wordt aangesproken niet verder aansprakelijk is dan hij zou zijn wanneer hij, de bewaarnemer, door zijn contractuele wederpartij zou worden aangesproken. Nu de schade echter is ontstaan tijdens de belading van het schip en niet tijdens de uitoefening van de bewaarneming, mist artikel 7:608 BW hier naar het oordeel van de rechtbank toepassing.

Evenmin kan worden aangenomen dat ook los van artikel 7:608 BW aan het contract tussen USA c.s. en D derdenwerking toekomt. USA c.s. dienen als zelfstandige hulppersoon van D te worden aangemerkt en een dergelijke zelfstandige hulppersoon kan in beginsel een met haar opdrachtgever overeengekomen beding niet zomaar aan derden tegenwerpen. Het beginsel dat contractuele bepalingen alleen van kracht zijn tussen handelende partijen lijdt slechts in bijzondere gevallen uitzondering. De omstandigheid dat logistieke dienstverleners als USA c.s. hun werkzaamheden doorgaans plegen uit te voeren onder toepasselijkheid van algemene voorwaarden en dat A en/of zijn tussenpersoon hierop bedacht had dienen te zijn, is onvoldoende om een dergelijke uitzondering, en daarmee derdenwerking aan te kunnen nemen. Hieruit kan immers nog niet worden afgeleid dat A door zijn gedraging bij USA c.s. het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij tegenover A een beroep op hun exoneratiebeding zouden kunnen doen. Ook de omstandigheid dat USA c.s. slechts een lage vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen is onvoldoende om derdenwerking aan te kunnen nemen.

Uit het vorenstaande volgt dat USA c.s. redelijkerwijs geen aanspraak jegens A kunnen maken op derdenwerking van het in hun algemene voorwaarden in artikel 11.3 opgenomen exoneratiebeding.

Het beroep van USA c.s. op de Himalaya clausule

4.6. Voorop wordt gesteld dat A niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat op de met D gesloten vervoersovereenkomst de cognossementsvoorwaarden als door USA c.s. gesteld, van kracht zijn. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat deze cognossementsvoorwaarden ook reeds golden voor het inladen van het schip.

Dat A, in tegenstelling tot het hieromtrent in het rapport van E vermelde, het cognossement nooit zou hebben ontvangen omdat de lading nooit is voltooid, wat hier verder ook van zij, doet aan de toepasselijkheid van de cognossementsvoorwaarden op de met D tot stand gekomen vervoersovereenkomst, met inbegrip van de belading van het schip, niet af.

Nu de zogenaamde Himalaya clausule onderdeel vormt van de cognossementsvoorwaarden, en deze clausule een derdenbeding inhoudt, kunnen USA c.s. als ‘subcontractor’ van D met succes jegens A een beroep doen op deze clausule. Uit een redelijke uitleg van deze clausule volgt verder dat, indien A ondanks het bepaalde in de eerste alinea van deze clausule toch een vordering jegens een subcontractor van D, zoals USA c.s. instelt, USA c.s. zich vervolgens op alle ten gunste van D opgenomen bepalingen in de cognossementsvoorwaarden kunnen beroepen en tevens op alle rechten, aansprakelijkheidsuitsluitingen en beperkingen, verweren en immuniteiten die ten aanzien van D van toepassing zijn.

4.7. Ter vaststelling van (de omvang van) de aansprakelijkheid van USA c.s. zijn, op grond van artikel 8:371 BW alsmede op grond van artikel 4 van de cognossementsvoorwaarden, de bepalingen het Verdrag van 28 augustus 1924 ter vaststelling van enige eenvormige regelen betreffende het cognossement (hierna: HVR) dwingendrechtelijk van toepassing. Voorts dient rekening te worden gehouden met de in artikel 20 van de cognossementvoorwaarden opgenomen limitering van aansprakelijkheid, op welk artikel USA c.s. zich gelet op het hiervoor onder 4.6 overwogene eveneens kunnen beroepen.

Dit impliceert dat USA c.s., net als D dat jegens A zou zijn, in beginsel voor de schade aan de tractor aansprakelijk zijn, tenzij USA c.s. stellen en bewijzen dat zij alle nodige en redelijke zorg bij inlading van het schip hebben betracht als bedoeld in artikel III lid 2 HVR. Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de cognossementsvoorwaarden betreft het in beginsel een beperkte aansprakelijkheid, behoudens voor zover komt vast te staan dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van de vervoerder, in welk geval USA c.s. jegens A onbeperkt aansprakelijk kunnen worden gehouden.

4.8. USA c.s. hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan tot het oordeel moet worden gekomen dat zij in het geheel niet aansprakelijk zijn voor de schade aan de tractor, omdat zij alle nodige en redelijke zorg bij inlading hebben betracht.

Voorop wordt gesteld dat USA c.s. niet erin geslaagd zijn de tractor in goede staat te laden aan boord van het schip. USA c.s. hebben verder erkend, althans onvoldoende betwist, dat het in beginsel tot hun taak behoort de in te laden goederen te voorzien van een sticker met een barcode waarop onder meer de voor de inlading relevante afmetingen van het betreffende goed kunnen worden afgelezen. Ook staat vast dat de tractor wel was voorzien van een sticker met barcode, maar dat daar geen afmetingen uit af te lezen waren omdat de relevante gegevens niet in het systeem waren ingevoerd. De omstandigheid dat voor het invoeren van de gegevens, waaronder de maatvoering, onvoldoende tijd was wegens de late komst van de tractor, komt naar het oordeel van rechtbank voor rekening van USA c.s. Indien nog onvoldoende tijd aanwezig was om de lading zorgvuldig en volgens het protocol te laten plaatsvinden, had USA c.s. de lading voor dit schip kunnen weigeren of had zij, in afwijking van de gewone gang van zaken, de afmetingen van de tractor zelf voor lading nog dienen te verifiëren, hetgeen zij klaarblijkelijk hebben nagelaten. Ook de omstandigheid dat de “Super Cargo” toestemming gaf de tractor aan boord van het schip te rijden op het aangewezen dek pleit USA c.s. niet vrij, nu zij in beginsel als hulppersoon van D met de lading van de tractor op het schip waren belast en nu het gelet op het vorenstaande in beginsel tot hun taak behoorde voor lading de relevante gegevens zoals de afmetingen middels de sticker met barcode, op de in te laden goederen te bevestigen. Ook de omstandigheid dat de chauffeur simpelweg een inschattingsfout heeft gemaakt en op voorhand niet evident duidelijk was dat de zich achter hem bevindende boorinstallatie van de tractor te hoog was voor het dek van het schip, brengt nog niet mee dat USA c.s. kunnen worden geacht alle nodige en redelijke zorg voor de lading te hebben betracht en de schade haar derhalve niet zou zijn toe te rekenen.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat USA c.s. in beginsel tot het in artikel 20 cognossementsvoorwaarden genoemde limiet jegens A aansprakelijk zijn, behoudens door A te stellen opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van de vervoerder, in welk geval ook USA c.s. geen beroep toekomt op enige beperking van aansprakelijkheid.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft A echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit die opzet of bewuste roekeloosheid van de zijde van de vervoerder moet worden afgeleid. Voor zover de gedragingen van USA c.s. als zelfstandig hulppersoon al aan D zijn toe te rekenen, heeft A onvoldoende toegelicht op grond waarvan sprake zou zijn van opzettelijk handelen, ofwel van bewust roekeloos handelen met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien. Wellicht dat wel tot het oordeel van opzet of bewuste roekeloosheid zou kunnen worden gekomen indien USA c.s. als uitsluitend verantwoordelijke voor de belading zouden zijn aan te merken. Hier is echter geen sprake van. Naast USA c.s. was immers ook de “Super Cargo” met de supervisie van de belading van het schip belast. Alhoewel de onderlinge taakverdeling tussen de “Super Cargo” en de chauffeur niet exact is komen vast te staan, heeft A niet of onvoldoende betwist dat de “Super Cargo”, die bekend moet worden geacht met de afmetingen van (het dek van) het schip, aan de chauffeur toestemming heeft gegeven de tractor op het aangewezen dek te rijden. Kennelijk heeft de “Super Cargo” toen ook zelf een inschattingsfout gemaakt en was ook voor hem niet op voorhand duidelijk (zichtbaar) dat de tractor met boorinstallatie niet op het scheepsdek paste. Dat de “Super Cargo” volgens A de scheepslading normaal gesproken indeelt op basis van de opgaven van de stuwadoor, doet aan het vorenstaande niet af. Niet is komen vast te staan dat USA c.s. onjuiste maten van de tractor aan de “Super Cargo” heeft doorgegeven. Onder de omstandigheid dat er mede een zekere verantwoordelijkheid voor de goede belading van het schip op de “Super Cargo” rustte, brengt de door de chauffeur gemaakte inschattingsfout, die kennelijk niet doorhad dat de tractor inclusief boor 20 cm hoger was dan het dek, nog niet mee dat van opzet of bewuste roekeloosheid in voornoemde zin uitgegaan moet worden. Dit zelfde heeft te gelden voor de omstandigheid dat als gevolg van tijdgebrek de gegevens van de tractor nog niet in het systeem waren verwerkt en daarom bij het uitlezen van de barcode de maatvoering van de tractor niet werd doorgegeven.

A heeft voorts gesteld dat de opzet of bewuste roekeloosheid erin zou zijn gelegen dat de chauffeur de tractor met te hoge snelheid aan boord van het schip heeft gereden. USA c.s. hebben dit echter gemotiveerd betwist, terwijl hiervan ook geen melding wordt gemaakt in de rapporten van E en PWP. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vormt daarnaast ook de omvang en aard van de schade nog geen aanwijzing voor het rijden met een te hoge snelheid. Daar komt nog bij dat, ook indien zou komen vast te staan dat de chauffeur met een bepaalde, te harde snelheid zou hebben gereden, onvoldoende door A is gesteld waaruit volgt dat de chauffeur het met het rijden met die snelheid verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich verwezenlijkt aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren.

4.11. Gelet op het vorenstaande worden USA c.s. jegens A voor de schade aan de tractor aansprakelijk gehouden voor SDR 666,67 ofwel, ter keuze aan A, voor SDR 2 per kg beschadigd of verloren gegaan gewicht. Nu A, hoewel reeds bij conclusie van antwoord op deze mogelijkheden gewezen, zijn keuze niet kenbaar heeft gemaakt, en nu ook USA c.s. geen voorkeur hebben uitgesproken, moeten partijen geacht worden voor de eerste mogelijkheid te hebben gekozen.

4.12. Ten aanzien van de overige/nevenvorderingen wordt als volgt overwogen.

Op grond van de limitering van aansprakelijkheid komen de stallingskosten niet voor vergoeding in aanmerking. Bovendien heeft A nagelaten de (omvang van de) in Nederland gemaakte opslagkosten aan te tonen door middel van het overleggen van facturen na het op dit punt door USA c.s. gevoerde verweer.

Ook de expertisekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Na het gevoerde verweer van USA c.s. dat deze kosten uiteindelijk niet ten laste van A zelf zijn gekomen, had het op de weg van A gelegen bewijsstukken in het geding te brengen waaruit volgt dat deze aan C gefactureerde kosten uiteindelijk voor zijn rekening zijn gekomen. Dit heeft hij echter nagelaten, waarmee deze schadepost onvoldoende is toegelicht.

4.13. Met betrekking tot de gevorderde schadepost gederfde inkomsten/het aan derden moeten vergoeden van schade wegens het niet tijdig in bedrijf kunnen nemen van de tractor wordt als volgt overwogen.

Voor zover dergelijke gevolgschade al voor vergoeding kan aanmerking kan komen bovenop het in 4.11 genoemde bedrag aan schadevergoeding, heeft A, in het licht van het door USA c.s. gevoerde verweer, onvoldoende toegelicht en aannemelijk gemaakt dat hij deze schade daadwerkelijk lijdt. Zo had het op zijn weg gelegen bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk tot vergoeding van EUR 200,- per dag aan zijn klant is gehouden en dat hij deze schadevergoeding ook daadwerkelijk heeft betaald, hetgeen hij heeft nagelaten. De omstandigheid dat Ghana een ontwikkelingsland is doet hieraan niet af. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.14. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wordt als volgt overwogen. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat moet worden gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Bovendien moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schik-kingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Nu A niet heeft ge-steld dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, zal de recht-bank deze afwijzen.

4.15. Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten als hierna vermeld te compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt USA c.s. aan A te voldoen SDR 666,67 (zeshonderd zesenzestig komma zevenenzestig Special Drawing Rights), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2005 daarover tot aan de dag der voldoening;

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. compenseert de proceskosten aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.K. van der Valk Bouman en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2007.?