Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9358

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
AWB 07-2520 HORECA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ruime overschrijding van de wettelijke beslistermijn op een aanvraag van een exploitatievergunning voor een prostitutiebedrijf vanwege vertraging - onder meer - bij het Landelijk Bureau Bibob. De gevraagde voorziening wordt getroffen, in die zin dat de burgemeester dient te beslissen binnen 16 dagen na de uitspraak. Het belang van de burgemeester bij handhaving van de openbare orde strekt niet zo ver dat de aanvrager zich op voorhand moet neerleggen bij de overschrijding van wettelijke beslistermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2520 HORECA

tussen

[verzoekster], gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. R. Ridder,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. Boermans.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 22 juni 2007 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster van 30 mei 2007, gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de aanvraag van verzoekster van 25 november 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 5 juli 2007.

2. OVERWEGINGEN

2.1 De feiten.

Op 25 november 2006 heeft [betrokkene1] namens verzoekster een aanvraag ingediend voor een vergunning ten behoeve van het exploiteren van een prostitutiebedrijf aan het Oudekerksplein 28 te Amsterdam. Bij brief van 11 december 2006 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om nog een aantal ontbrekende gegevens te verstrekken. Verzoekster heeft op 13 januari 2007 de ontbrekende gegevens aan verweerder doen toekomen.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft verweerder verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat advies zal worden aangevraagd bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: Bureau Bibob). Ingevolge artikel 31 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) wordt de wettelijke beslistermijn van acht weken opgeschort met vier weken en kan ingevolge artikel 15 van de Wet Bibob nog eens met vier weken worden verlengd, aldus verweerder. Op 23 februari 2007 heeft verweerder de adviesaanvraag aan Bureau Bibob gestuurd.

Bij brief van 2 april 2007 heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat het Bureau Bibob naar verwachting begin mei 2007 advies zal uitbrengen. Verzoekster zal daarna zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld van het verdere verloop van haar aanvraag.

Bij brief van 30 mei 2007 heeft verzoekster tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 28 november 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te gelasten binnen 14 dagen na de datum van de uitspraak een beslissing op de aanvraag van verzoekster te nemen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat verweerder in gebreke blijft. Verzoekster stelt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening nu zij financieel nadeel lijdt wegens het uitblijven van de beslissing op de aanvraag en dientengevolge het leegstaan van het pand. Nu verzoekster niet in het bezit is van de gevraagde vergunning loopt zij voor de ramen een huuropbrengst mis van € 405,00 per dag en voor de woningen € 1000,00 per maand. Voorts kan verzoekster haar toezeggingen voor wat betreft het verhuren van de ramen aan de prostituees niet nakomen zodat steeds meer van deze dames afhaken. Gelet op het voorgaande acht verzoekster een dwangsom van € 500,00 per dag redelijk.

2.2 Juridisch kader

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag om een beschikking binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. Van dit besluit wordt de aanvrager in kennis gesteld.

Ingevolge artikel 4:15 van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In artikel 15, eerste lid, van de Wet Bibob is bepaald dat het advies zo spoedig mogelijk wordt gegeven, maar in ieder geval binnen een termijn van vier weken nadat het bestuursorgaan of de aanbestedende dienst een advies heeft aangevraagd. Ingevolge het derde lid kan deze termijn met vier weken worden verlengd.

In artikel 31 van de Wet Bibob is bepaald dat indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, wordt opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de in artikel 15, eerste en tweede lid, bedoelde termijn, vermeerderd met de duur van de eenmalige verlenging, bedoeld in artikel 15, derde lid.

In artikel 3:6, tweede lid, van de Awb is bepaald dat indien een advies niet tijdig wordt uitgebracht het enkele ontbreken ervan niet in de weg staat aan het nemen van het besluit.

2.3 Overwegingen

De rechter stelt vast dat in de Wet Bibob is voorzien in de opschorting van de wettelijke beslistermijn, in dit geval de termijn zoals gesteld in artikel 1.5 van de APV. Daarnaast stelt de rechter vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de beslistermijn met maximaal acht weken te verlengen zoals neergelegd in artikel 1.5, tweede lid, van de APV.

Verweerder diende dan ook binnen een termijn van 16 weken te beslissen op de aanvraag van verzoekster. Gelet op de aanvraagdatum en buiten beschouwing gelaten de periode van 11 december 2006 tot 13 januari 2007 waarbinnen verzoekster nadere gegevens diende over te leggen, had verweerder tot 19 april 2007 de tijd om op de aanvraag van verzoekster te beslissen.

Thans is dan ook sprake van een ruime overschrijding van deze beslistermijn met meer dan 11 weken.

Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat Bureau Bibob heeft medegedeeld op 13 juli 2007 met het advies te komen. In het geval het advies negatief luidt, zal verweerder niet eerder dan oktober 2007 kunnen beslissen op de aanvraag, gelet op de termijn voor de zienswijze van verzoekster en het nadere advies van het Bureau Bibob naar aanleiding daarvan.

Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om eerder op de aanvraag te beslissen, aangezien in verband met het belang van de openbare orde het noodzakelijk is het advies, de zienswijze en het nadere advies af te wachten. Een eventueel op te leggen dwangsom zal aan die situatie niets veranderen. Bovendien hecht verweerder er aan om een goed gemotiveerd besluit op de aanvraag van verzoekster te nemen.

Met verzoekster is de rechter evenwel van oordeel dat verweerders stelling dat hij niet kán beslissen op de aanvraag omdat hij in afwachting is van het advies van het Bureau Bibob, niet juist is. In

artikel 3:6, tweede lid, van de Awb is immers - uitdrukkelijk - bepaald dat indien het advies niet binnen de wettelijke termijn wordt uitgebracht het enkele ontbreken daarvan niet in de weg staat aan het nemen van het besluit.

De rechter ziet aanleiding om in het onderhavige geval de gevraagde voorziening te treffen, in die zin dat verweerder zal worden opgedragen te beslissen vóór 28 juli 2007. De rechter heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

In het gerechtvaardigde belang van verzoekster bij een vooraf vast te stellen beslistermijn op haar aanvraag is zowel in de APV als in de Wet Bibob voorzien door een wettelijke beslistermijn vast te stellen, die - zoals hiervoor al is overwogen - in het onderhavige geval zestien weken bedraagt.

Tevens is met de Wet Bibob en de daarin opgenomen verlenging van de beslistermijn op grond van de APV, voorzien in het gerechtvaardige belang van verweerder bij de mogelijkheid van onderzoek betreffende de aanvrager van een exploitatievergunning in verband met de handhaving van de openbare orde.

Verweerders belang bij handhaving van de openbare orde kan naar het voorlopig oordeel van de rechter evenwel er niet toe leiden dat verzoekster, als aanvrager van een exploitatievergunning, zich op voorhand moet neerleggen bij een ruime overschrijding van de geldende beslistermijn, waarvan de oorzaak overigens niet alleen is gelegen bij het adviserende Bureau Bibob maar ook bij verweerder zelf door pas zes weken na ontvangst op 13 januari 2007 van de ontbrekende gegevens, om advies te vragen. Dat verweerder er aan hecht om goed gemotiveerd te kunnen beslissen, kan bij een termijnoverschrijding als in het onderhavige geval evenmin opwegen tegen het belang van verzoekster bij besluit op haar aanvraag binnen afzienbare termijn.

De rechter ziet, gelet op de korte termijn die nog rest tot verweerder het advies zal ontvangen, en gelet op het belang van beide partijen om - zo mogelijk - van dit advies kennis te kunnen nemen, aanleiding om te bepalen dat verweerder uiterlijk twee weken na 13 juli 2007 (zijnde de datum waarop verweerder het advies verwacht) dient te beslissen op de aanvraag van verzoekster. Voor de volledigheid merkt de rechter daarbij op dat verweerder ook vóór 28 juli 2007 dient te beslissen in het geval Bureau Bibob het advies op een latere datum aan verweerder doet toekomen.

Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechter thans geen aanleiding. Geenszins is aannemelijk geworden dat verweerder de afhandeling van de aanvraag met opzet probeert te vertragen. Daarnaast bestaan er geen aanwijzingen dat verweerder geen uitvoering zal geven aan de voorziening die met deze uitspraak wordt getroffen.

De rechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze worden begroot op € 161,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 0,25 x € 322,-). Tevens dient verweerder het griffierecht dat door verzoekster is betaald te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op om uiterlijk 27 juli 2007 te beslissen op de aanvraag van verzoekster;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster begroot op

€ 161,- (zegge: honderdéénenzestig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door verzoekster betaalde griffierecht van € 285,- (zegge: tweehonderd vijfentachtig euro) aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2007 door mr. B.E. Mildner, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Koning - van As, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.