Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA9174

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
13.497.317-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toegestaan wordt de overlevering van de opgeeiste persoon aan een rechter bij de Districtsrechtbank in Bydgoszcz, Polen, te behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechterlijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.317-2006

RK nummer: 07/1969

Datum uitspraak: 10 juli 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 maart 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 12 oktober 2005 door de justitiële autoriteit, een rechter bij de Districtsrechtbank in Bydgoszcz, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeeiste persoon],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 mei 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, gehoord. Bij interlocutoire uitspraak van 8 juni 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te doen stellen.

Op 26 juni 2007 is de behandeling van de vordering voortgezet. Daarbij zijn opnieuw de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, gehoord.

De rechtbank heeft op de zitting van 26 juni 2007 de termijn als bedoeld in artikel 22, lid 1 van de OLW op grond van artikel 22, lid 4 van de OLW voor onbepaalde tijd verlengd in verband met de bijzondere omstandigheden dat door het stellen van aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en de druk bezette agenda van de Internationale Rechtshulpkamer een eerdere behandeling van het EAB niet mogelijk was.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Bydgoszcz, Polen, d.d. 19 mei 2005, met nummer XI Kp1385/05, tot het toepassen van voorlopige arrestatie voor een periode van 14 dagen na de aanhoudingsdatum, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

5.1 De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. De raadsman en de opgeëiste persoon hebben gesteld dat de opgeëiste persoon onmogelijk hetgeen hem wordt verweten kan hebben begaan.

5.2 Bij de beoordeling van het onschuldverweer neemt de rechtbank de feiten zoals die uit het EAB en de aanvullende stukken blijken als uitgangspunt.

De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht in verband met zijn vermeende betrokkenheid bij een cannabisplantage in Polen in de periode van september 1999 tot 14 april 2000. In het Poolse strafrechtelijke onderzoek naar deze plantage is een huurcontract van de loods waar de cannabisplantage is aangetroffen, inbeslaggenomen. Uit dit contract van 17 juli 1999 blijkt volgens de Poolse justitie dat het gesloten is tussen de verhuurder van de loods, [betrokkene1], en Albo B.V. - vertegenwoordigd door [opgeeiste persoon] - met als gevolmachtigde [betr[betrokkene2]. Na het tekenen van het huurcontract werd de gehuurde loods verbouwd en gereed gemaakt voor het telen van de cannabis. Daarbij werden door [betrokkene2] Polen en twee Nederlandse mannen - [betrokkene3] en een man genaamd [betrokkene4] - ingeschakeld. Uit getuigenverklaringen blijkt volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit dat, nadat de cannabisproductie was gestart, de opgeëiste persoon diverse malen in het betrokken perceel aanwezig is geweest. Ook zou de opgeëiste persoon samen met [betrokkene2] geholpen hebben zakken met turf te dragen. Hij was in de ruimtes waar de cannabis werd geteeld aanwezig. De getuigen [betrokkene5] en [betrokkene3] hebben zowel [betrokkene2] als de opgeëiste persoon als initiatiefnemers van de cannabisproductie genoemd.

Voorts zou uit het onderzoek naar voren zijn gekomen dat de rol van de opgeëiste persoon er uit heeft bestaan dat hij in Nederland gesprekken met [betrokkene3] heeft gevoerd over de benodigde materialen voor de plantage en dat hij hem heeft overgehaald om installaties hiervoor te maken in Polen op een door [betrokkene2] aangewezen plaats.

De getuige [betrokkene6] heeft verklaard dat de contacten tussen de opgeëiste persoon en [betrokkene2] tenminste tot begin 2000 hebben geduurd.

De op 4 april 2007 door Duitsland aan Polen overgeleverde [betrokkene2] heeft bekend betrokken te zijn geweest bij de weedplantage maar wijst de opgeëiste persoon als initiatiefnemer aan. Hij heeft verklaard dat de opgeëiste persoon voor de benodigde apparatuur heeft gezorgd en twee Nederlanders naar Polen heeft gebracht om de installatie van de apparatuur te controleren. De opgeëiste persoon zou financiële problemen hebben gehad. De naam Albo B.V. is door de opgeëiste persoon aangedragen. De uitvaardigende justitiële autoriteit merkt op dat de naam Albo B.V. slechts een fictieve partij was bij de huurovereenkomst.

5.3.1 De opgeëiste persoon heeft ter zitting de beschuldiging ten stelligste ontkend. Hij heeft daartoe de nodige argumenten aangedragen, ondersteund door diverse documenten.

5.3.2 De opgeëiste persoon ontkent iets te maken te hebben gehad met Albo B.V. en met het op naam van Albo B.V. gestelde huurcontract voor de loods. Uit een overgelegd uittrekstel van de Nederlandse Kamer van Koophandel zou blijken dat Albo B.V. reeds op 27 mei 1998 in staat van faillissement is verklaard. Voorts blijkt uit het uittreksel van geen enkele relatie tussen de opgeëiste persoon en Albo B.V. Een medewerker van de Belastingdienst te Helmond, die betrokken was bij het faillissement van Albo B.V., zegt de opgeëiste persoon niet te kennen. Voorts heeft de verdediging verzocht een getuige te horen die zou kunnen bevestigen dat de samenwerking tussen de opgeëiste persoon en [betrokkene2] eind 1999 tot een einde is gekomen.

5.3.3.Voor zover door de Poolse justitie de suggestie wordt gewekt dat de opgeëiste persoon zelf aanwezig is geweest bij de ondertekening van het huurcontract op 17 juli 1999, is door de raadsman een kassabon overgelegd waaruit blijkt dat met de creditkaart van de opgeëiste persoon op 17 juli 1999 is betaald bij benzinestation "De Lucht West" te Bruchem. De opgeëiste persoon kan derhalve onmogelijk bij de ondertekening in Polen aanwezig zijn geweest, aldus de raadsman.

5.3.4 De verdediging heeft diverse stukken overgelegd die dienen aan te tonen dat de samenwerking tussen de opgeëiste persoon en [betrokkene2] vanaf augustus / september 1999 op een laag pitje was gezet en eind december 1999 definitief beëindigd is.

5.3.5. Door de verdediging is voorts gesteld dat [betrokkene2] investeringen van de opgeëiste persoon heeft willen confisqueren en dat [betrokkene2] op 1 maart 2000 de auto van de opgeëiste persoon in brand heeft gestoken. [betrokkene2] had vrienden bij de politie waardoor het onderzoek naar de uitgebrande auto tot niets heeft geleid. Ook zou [betrokkene2] bij de overname van Intercon B.V. de boekhouding hebben laten verdwijnen, terwijl hij de personeelsleden van het bedrijf zodanig had bedreigd dat zij begin 2000 niet meer in het bedrijf aanwezig bleken te zijn. In maart 2000 werden advocaat Andrzej Bokiej en zijn familie door [betrokkene2] bedreigd, teneinde te verhinderen dat het bedrijf Intercon B.V. zou worden geliquideerd.

5.3.6 Ook de door [betrokkene2] geuite bewering dat de opgeëiste persoon in de tijd dat de cannabisplantage actief was, in financiële problemen verkeerde wordt bestreden door overlegging van een overzicht van de in 1999 door de opgeëiste persoon gemaakte omzet van de productie in Polen.

5.3.7. De opgeëiste persoon heeft tenslotte een groot aantal creditkaartafschriften overgelegd teneinde zijn stelling te onderbouwen dat hij na maart 2000 nooit meer in Polen is geweest.

5.4 De rechtbank is zich er van bewust dat de opgave voor de opgeëiste persoon om ter zitting aanstonds zijn onschuld aan te tonen een bijzonder zware is. Temeer wanneer - zoals in het onderhavige geval - sprake is van een beschuldiging die ziet op een betrokkenheid bij een strafbaar feit dat zich uitstrekt over een langere periode, terwijl deze betrokkenheid uiteenlopende gedragingen omvat. Honorering van een dergelijk verweer kan slechts plaatsvinden wanneer onomstotelijk komt vast te staan dat de opgeëiste persoon onmogelijk de hem verweten gedragingen kan hebben gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon daarin niet is geslaagd. De opgeëiste persoon heeft de verklaringen van diverse belastend verklarende getuigen betwist en hij heeft onderzoeksbevindingen van de Poolse justitie op verschillende punten in twijfel getrokken. Daartoe heeft hij onder meer de persoon van de getuige [betrokkene2] en de zakelijke contacten die hij met hem heeft gehad toegelicht. Ook heeft hij stukken overgelegd die aannemelijk dienen te maken dat het contact tussen hen vanaf augustus 1999 aflopend was. De opgeëiste persoon is van mening dat de Poolse justitie op valse gronden tot de tegen hem bestaande verdenking is gekomen.

In de onderhavige procedure kan evenwel de betrouwbaarheid van de in Polen afgelegde getuigenverklaringen niet worden getoetst. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd betreft steeds het bewijs dat de opgeëiste persoon de hem verweten gedragingen heeft begaan. De waardering van dit bewijs staat bij uitsluiting ter beoordeling van de Poolse rechter die na overlevering zal dienen te oordelen over het feit waarvoor de overlevering wordt toegestaan. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd stelt echter niet buiten elke twijfel dat de opgeëiste persoon niet schuldig kan zijn aan het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht.

5.5. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet heeft kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De Public Prosecutor bij de Public Prosecutor's Office in Bydgoszcz, Polen, heeft per brief van 12 april 2007 de volgende garantie gegeven:

Polish party ensures, that (...) in case when a country executing the European Arrest Warrant shall send the wanted person to Poland for an offence on condition that execution of the penalty of deprivation of liberty or any other measure resulting in deprivation of liberty shall take place in this country, the proceedings regarding execution of the penalty shall not be instituted, and the sentenced person shall be sent to the country that inflicted such penalty. So, if in the decision admitting the release of the suspect on the basis of the European Arrest Warrant there shall be a saving that the suspect is to serve his sentence at the territory of the Kingdom of the Netherlands when the judgement becomes valid the Polish court shall immediately, when the final adjudication becomes valid in our case, issue a decision on the release of the above mentioned person to the Netherlands to serve his penalty.

De Chairman of III Penal Division bij de Regional Court in Bydgoszcz, Polen, heeft per brief van 23 mei 2007 de aanvullende garantie gegeven:

Regional Court in Bydgoszcz, III Penal Division, hereby declares that if [opgeeiste persoon] is transferred to Poland under European Arrest Warrant, and if following the proceedings, the sentence of deprivation of liberty is imposed on him and decision is passed under art. 607 § 1 and 2 of Code of Penal Procedure on transfer of the sentenced person to the Netherlands in order to execute the custodial sentence, and if conditions under article 3 of the Convention of 1983 on transfer of sentenced persons are met (including the condition that [opgeeiste persoon] must consent to transfer) and all the remaining conditions included in this Convention, the Polish Court will not object, following the transfer of the said person, to adjustment of the sentence by the Netherlands according to the procedure stipulated in the Convention of 1983.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het onder 4.1 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de OLW

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de feiten geheel in Polen zijn gepleegd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aanvullende informatie van de officier van justitie te Bydgoszcz d.d. 19 juni 2007 blijkt dat het feit, bedoeld onder 4.1 waarvoor de Poolse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon wil vervolgen, mogelijk gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor dit feit.

Subsidiair heeft de officier van justitie, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat een deel van het feit in Nederland is gepleegd, gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond nu:

1. slechts een deel waarvoor overlevering wordt verzocht mogelijk gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, te weten het leveren van apparatuur en zaden voor de hennepplantage;

2. de opsporing van het strafbare feit in Polen is aangevangen;

3. de medeverdachte [betrokkene2] in verband met de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht reeds op 4 april 2007 door de Duitse autoriteiten is overgeleverd aan de Poolse autoriteiten;

4. de bewijsmiddelen - onder meer in de vorm van getuigenverklaringen - in Polen voorhanden zijn;

5. de rechtsorde in Polen rechtstreeks is aangetast, nu de verdovende middelen op een professionele wijze werden geteeld in Polen met als doel het behalen van financiële voordelen;

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Verweren

Redelijke termijn.

8.1 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM zodanig is overschreden dat de overlevering dient te worden geweigerd. In 2001 is door de Poolse autoriteiten een rechtshulpverzoek opgesteld waaruit is af te leiden dat de opgeëiste persoon in Polen verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek naar de cannabisplantage. In 2002 is van dit rechtshulpverzoek mededeling gedaan door een Nederlandse officier van justitie in een Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon. Vanaf dat moment wist de opgeëiste persoon dat hij in Polen onderwerp van een strafrechtelijke vervolging was, zodat toen de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak moet zijn behandeld is gaan lopen, aldus de raadsman. Nadien is de strafzaak jaren blijven liggen. Thans is sprake van een zodanig lange periode van inactiviteit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden en de overlevering dientengevolge moet worden geweigerd.

8.2 De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu de opgeëiste persoon pas bij zijn aanhouding op 19 maart 2007 officieel op de hoogte is gesteld van het tegen hen lopende strafrechtelijke onderzoek.

8.3 De rechtbank overweegt als volgt.

8.3.1 Teneinde te kunnen beoordelen of en zo ja, in welke mate, de redelijke termijn is geschonden zal de rechtbank eerst dienen te bezien op welk moment de redelijke termijn een aanvang heeft genomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de opgeëiste persoon op een strafzitting in Nederland op 12 september 2002 door de Nederlandse officier van justitie geconfronteerd is met een Pools rechtshulpverzoek waaruit viel op te maken dat de Poolse justitie de opgeëiste persoon verdenkt van betrokkenheid bij de cannabisplantage. De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of dit moment als aanvang van de redelijke termijn dient te gelden. Daartoe overweegt zij dat op grond van jurisprudentie van het Europese Hof en de Hoge Raad de redelijke termijn aanvangt op het moment dat de beschuldigde door middel van een official notification, gegeven door een competent authority, op de hoogte is gesteld van de beschuldiging dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat de enkele mededeling van een Nederlandse officier van justitie in een Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon, dat er een Pools rechtshulpverzoek bestaat waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon betrokken is geweest bij een cannabisplantage in Polen, niet als zodanig kan gelden. Er is immers niet sprake van een official notification, gegeven door een competent authority.

Het volgende moment dat de opgeëiste persoon geconfronteerd is met het tegen hem in Polen lopende strafrechtelijke onderzoek was in juni 2005, in een procedure van de opgeëiste persoon tegen de Staat der Nederlanden. De landsadvocaat heeft toen bij zijn conclusie van antwoord het eerder genoemde rechtshulpverzoek als productie overgelegd. Weliswaar was ook toen geen sprake van een official notification, gegeven door een competent authority, echter de rechtbank ziet aanleiding om dit moment niettemin als aanvang van de redelijke termijn te nemen. Daarbij hecht de rechtbank er waarde aan dat het rechtshulpverzoek thans integraal door de landsadvocaat, als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, is overgelegd. De opgeëiste persoon had op dat moment volledig inzicht in de in het rechtshulpverzoek opgenomen beschuldiging tegen hem. De Staat, die op reguliere wijze beschikte over het door Polen aan Nederland gedane verzoek, heeft er toen voor gekozen de tegen de opgeëiste persoon bestaande verdenking aan hem kenbaar te maken. Een dergelijke handelwijze is naar zijn aard en feitelijke uitwerking zodanig gelijk te stellen met een officiële mededeling van een daartoe bevoegde autoriteit dat de rechtbank dit moment als aanvang van de redelijke termijn zal beschouwen.

8.3.2. Teneinde te beoordelen of de redelijke termijn is geschonden gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. De redelijke termijn is aangevangen in juni 2005. Het EAB dateert van 12 oktober 2005. De opgeëiste persoon is op 19 maart 2007 aangehouden in het kader van zijn overlevering aan Polen. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie niet gesproken kan worden van enige overschrijding van de redelijke termijn. Het verweer wordt verworpen.

Artikel 11 van de OLW / Artikelen 3 en 6 EVRM

8.4 Naar de mening van de raadsman voldoet het rechtssysteem van Polen niet aan de standaard van het EVRM. Uit het jaaroverzicht van het Europese Hof blijkt dat Polen het op twee na meest bekritiseerde land is, voornamelijk door de duur van de vervolging. Amnesty International spreekt over de slechte behandeling van verdachten in Poolse huizen van bewaring en politiecellen. De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon in Polen ten zeerste moet vrezen voor ernstige schendingen van fundamentele rechten. Naar zijn mening blijkt uit het EAB en de aanvullende stukken dat de Poolse justitie de opgeëiste persoon tot elke prijs in Polen wil veroordelen. In de brief van de officier justitie te Bydgoszcz d.d. 19 juni 2007, die de antwoorden bevat op de in de interlocutoire uitspraak van 8 juni 2007 gestelde vragen, is de beschuldiging 'opgewaardeerd' en worden belastende zaken gemeld die eerder niet ter sprake zijn geweest. De raadsman stelt dat hieruit eens te meer blijkt dat de Poolse justitie bereid is de waarheid geweld aan te doen teneinde een overlevering, berechting en veroordeling van de opgeëiste persoon in Polen te bewerkstelligen.

8.5 De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Polen is aangesloten bij het EVRM en ingevolge dat verdrag staat voor de opgeëiste persoon ook in Polen tegenover de Poolse rechter een rechtstreeks beroep op de bescherming van dat verdrag open. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon in Polen geen eerlijk proces zal krijgen, dan wel dat hem een onmenselijke behandeling ten deel zal vallen. De constatering dat in de aanvullende informatie van 19 juni 2007 belastende elementen worden genoemd die eerder niet ter sprake zijn geweest, kan niet als zodanig gelden. In de eerste plaats is de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gehouden om in het kader van het overleveringsverzoek een uitputtend overzicht te verstrekken van tegen de opgeëiste persoon bestaande bewijsmiddelen. Dat zij in het kader van door de rechtbank gestelde vragen met nieuwe informatie komt die eerder niet is overgelegd komt de rechtbank dan ook niet vreemd voor. Ten tweede is op 4 april 2007 de medeverdachte [betrokkene2] vanuit Duitsland naar Polen overgeleverd en heeft aldaar belastende verklaringen afgelegd, die eveneens in de brief van 19 juni 2007 van de Poolse officier van justitie zijn meegenomen. Of de afgelegde verklaringen van [betrokkene2] en de andere getuigen juist zijn, zal in Polen door de Poolse rechter moeten worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen dat dit onderzoek in Polen op een juiste wijze zal geschieden.

Artikel 2 van de OLW

8.6 De raadsman heeft tenslotte gesteld dat de beschuldiging zoals die uit het EAB en de aanvullende stukken blijkt te vaag is. Stukken waaruit de betrokkenheid van de opgeëiste persoon blijkt zijn niet bijgevoegd, aanwijzingen dat hij enige bemoeienis heeft gehad met de cannabisplantage ontbreken. De raadsman is van mening dat het verzoek niet voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid aanhef en onder e, van de OLW stelt.

8.7 De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Artikel 2, tweede lid aanhef en onder e, van de OLW vereist dat het EAB een beschrijving dient te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. Deze bepaling vormt de grondslag van de beschermende werking van de specialiteit. De rechtbank acht voldoende duidelijk voor welk feit de uitvaardigende autoriteit de overlevering van de opgeëiste persoon verzoekt. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde eisen niet gesteld zijn om vast te kunnen stellen of de uitvaardigende autoriteit op juiste gronden de opgeëiste persoon als verdachte van het strafbare feit heeft kunnen aanmerken. Dergelijke vragen raken het bewijs dat de opgeëiste persoon het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht heeft begaan. De waardering van dit bewijs dient bij uitsluiting te geschieden door de rechter in Polen die na de overlevering zal dienen te oordelen over het feit waarvoor de overlevering wordt toegestaan.

9 Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeiste persoon] aan een rechter bij de Districtsrechtbank in Bydgoszcz, Polen, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzit-ter,

mrs. M. van Mourik en A.A. Spoel, rech-ters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2007.