Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA8894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
371914 / KG ZA 07-1100 SR/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert in kort geding rectificatie van een in De Telegraaf verschenen artikel waarin hij als 'de baas van Holleeder' wordt aangeduid. De vordering wordt afgewezen omdat deze kwalificatie voorshands voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal en derhalve niet onrechtmatig is. Aan het beschikbare feitenmateriaal dienen niet dezelfde eisen te worden gesteld als die gelden voor een veroordeling in een strafproces, te weten dat het wettig en overtuigend bewijs van een beschuldiging geleverd moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 371914 / KG ZA 07-1100 SR/MV

Vonnis in kort geding van 5 juli 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Amsterdam,

eiser bij dagvaarding van 15 juni 2007,

procureur mr. B.L.M. Ficq,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE TELEGRAAF B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [hoofdredacteur],

3. [journalist1],

4. [journalist2],

allen woonplaats gekozen hebbende te Amsterdam,

gedaagden,

procureur mr. M.A. de Kemp.

De procedure

Ter terechtzitting van 25 juni 2007 heeft eiser, hierna te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden, hierna ook te noemen De Telegraaf, [hoodredacteur], [journalist1] en [journalist2], hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

De feiten

In het dagblad De Telegraaf, waarvan [hoodredacteur] hoofdredacteur is, is op 26 mei 2007 een tweedelig artikel (hierna het artikel) verschenen van de hand van [journalist1] en [journalist2]. Zij zijn beiden als redacteur in dienst van De Telegraaf. Op de voorpagina is het artikel verschenen onder de kop “Clubleider stond op dodenlijst”, met als subkop “Moord [betrokkene5] in opdracht baas van [betrokkene3]”. Het artikel is vervolgd op pagina 5 onder de kop “Doodseskader van de onderwereld”.

Het artikel handelt over een kroongetuige van justitie die als huurmoordenaar is opgetreden en van wie, aldus het artikel, tal van uiterst geheime verklaringen in het bezit zijn van De Telegraaf. Over [eiser] (die in het artikel als “[[eiser].” wordt aangeduid) wordt het volgende gezegd:

De kroongetuige stelt dat hij opdrachten kreeg voor zeker elf liquidaties, alle van de topcriminelen [eiser]. en [betrokk[betrokkene1]1]. [eiser]. wordt door justitie gezien als een stille vennoot van [bet[betrokkene3]. De kroongetuige duidt hem aan als ‘baas’ of ‘commissaris [betrokkene2]’.

“De groepen van [betrokkene1] en [eiser] hebben een gezamenlijke liquidatielijst”, stelt hij. (...)

Op pagina 5 van De Telegraaf is in het artikel onder meer het volgende opgenomen:

“Er moesten mensen worden geliquideerd. Er was een lijst waar verschillende personen op stonden. (...) De lijst is afkomstig van een man die ze de [betrokkene2] noemen, of [betrokkene2]. Hij werkt samen met [betrokk[betrokkene1]1]., die tientallen miljoenen heeft verdiend met drugs. [betrokkene1] staat lager dan [betrokkene2]. Later begreep ik dat [[eiser]r]. de [betrokkene2] was.”

Justitie stuit in dit gesprek plots op de absolute top van de misdaad. [eiser]. wordt door justitie gezien als stille vennoot of zelfs baas van [betrokkene3].

Bij brief van 7 juni 2007 heeft de raadsvrouw van [eiser] De Telegraaf verzocht kenbaar te maken waarop de aanduiding ‘baas’ van [betrokkene3] als aanduiding voor haar cliënt is gebaseerd. Tevens heeft zij – voor het geval een feitelijke basis ontbreekt – De Telegraaf verzocht een voorstel tot rectificatie te doen.

De Telegraaf heeft de onder 2.4. genoemde brief beantwoord bij brief van 8 juni 2007. In deze brief is onder meer vermeld:

Uw verzoek valt in twee delen uiteen: óf een rectificatie van de twee verhalen die d.d. 26 mei 2007 in De Telegraaf verschenen óf een openbaarmaking van de bronnen waarop de verhalen zijn gebaseerd. Aan beide verzoeken zullen wij geen gehoor geven.

De artikelen zijn gebaseerd op meerdere bronnen. Onderdeel daarvan zijn onder meer verklaringen en getuigenissen van onder meer de heer [betro[betrokkene4] en de [kroongetuige, vrz.]. De Telegraaf heeft de hand gelegd op deze gegevens die door zowel justitie als door de politie als betrouwbaar worden beschouwd.

Het geschil

[eiser] vordert – kort gezegd – gedaagden op straffe van dwangsommen te gelasten in De Telegraaf een rectificatie te plaatsen met de volgende tekst:

“Op 26 mei 2007 publiceerden wij een tweedelig artikel onder de koppen: “Clubleider stond op dodenlijst” en “Doodseskader van de onderwereld”. In dit artikel werd onder andere gesteld dat [eiser]. de ‘baas’ van [betrokkene4] zou zijn. Bij vonnis d.d. [ ] heeft de kort gedingrechter in de Rechtbank te Amsterdam deze publicatie onrechtmatig geoordeeld en zijn wij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie. Deze uitlatingen omtrent [eiser]. waren feitelijk onjuist, onzorgvuldig, onnodig grievend, misleidend en bovendien schadelijk voor [eiser]. Met de uitlatingen is [eiser]. ernstig tekort gedaan en ten onrechte genoemd als ‘baas’ van [bet[betrokkene3].”

Tevens vordert [eiser] deze rectificatie gedurende één week te plaatsen op de website van De Telegraaf.

[eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij betwist dat hij als baas van [bet[betrokkene3] kan worden gezien. In een eerdere publicatie van De Telegraaf van 19 november 2006 wordt [eiser] nog gezien als compagnon van [betrokkene3]. De Telegraaf beschikt thans niet over informatie, waaruit zou blijken dat [eiser] van compagnon tot baas zou zijn gepromoveerd. De bronnen waarop De Telegraaf zich bij het schrijven van het gewraakte artikel heeft gebaseerd, kunnen deze nieuwe beschuldiging niet staven. De verklaringen van de kroongetuige van het openbaar ministerie kent [eiser] niet en hij betwist de juistheid ervan. De betrouwbaarheid van de kroongetuige zal nog door de strafrechter moeten worden beoordeeld en het is dus voorbarig hem nu al als betrouwbaar aan te merken, zoals De Telegraaf doet. Overigens blijkt uit een in het geding gebrachte verklaring van de kroongetuige dat hij [eiser] nimmer als ‘baas’ heeft aangeduid. Ook de verklaringen van [betrokkene4] (‘de achterbankgesprekken’) kunnen niet als bron dienen voor de beschuldiging dat [eiser] de baas is van [betrokkene3]. De Telegraaf heeft zeer selectief gebruik gemaakt van deze verklaringen. Beschuldigingen van [betrokkene4] tegen [eiser] zijn in latere verklaringen teruggenomen. Het artikel maakt er verder melding van dat ook justitie [eiser] ziet als baas van [betrokkene3], terwijl in de brief van 8 juni 2007 van De Telegraaf justitie niet als bron van het artikel wordt genoemd. Volgens De Telegraaf kwalificeert justitie de verklaringen van de kroongetuige en van [betrokkene4] als betrouwbaar, maar dit blijkt nergens uit. De conclusie is dat de beschuldiging dat [eiser] de baas van [betrokkene3] zou zijn, niet verklaard kan worden uit de door De Telegraaf genoemde bronnen. Deze beschuldiging is dan ook, zeker in de context van het artikel, onrechtmatig jegens [eiser]. Hij wordt hierdoor ernstig in zijn eer en goede naam aangetast. Verder is nog van belang dat [eiser] geen weerwoord is geboden. Ook op grond hiervan kan worden gezegd dat het artikel op onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen.

De Telegraaf heeft tegen de vordering – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat [eiser] in de Nederlandse media al enige jaren wordt genoemd als één van de kopstukken in het criminele circuit. Ter illustratie hiervan heeft De Telegraaf eerdere publicaties over [eiser] in het geding gebracht. [eiser] heeft tegen deze publicaties geen actie ondernomen. Nu De Telegraaf vergelijkbare mededelingen doet, handelt zij niet onrechtmatig. De beschuldigingen aan het adres van [eiser] worden zowel door De Telegraaf als door andere media in de eerste plaats gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene4], die door justitie uiterst serieus worden genomen. Verder heeft De Telegraaf zich voor het artikel gebaseerd op de verklaringen van de kroongetuige die zij in haar bezit heeft. De aanduiding ‘baas’ is weliswaar niet letterlijk uit de mond van de kroongetuige opgetekend, maar uit die verklaringen kan wel eenduidig worden opgemaakt dat [eiser] de baas is. De betrouwbaarheid van de kroongetuige blijkt uit het feit dat justitie, na overleg met de Minister van Justitie en met toestemming van het College van procureurs-generaal, met hem een overeenkomst is aangegaan die ziet op strafvermindering in ruil voor informatie. Een dergelijke overeenkomst zou nooit zijn goedgekeurd indien justitie de verklaringen van de kroongetuige onbetrouwbaar zou achten. Verder blijkt ook uit de verklaringen zelf dat de kroongetuige betrouwbaar is. Zo heeft hij vóór de moord op [betrokkene5] al verkaard dat [betrokkene5] op de “liquidatielijst” stond. Dat justitie [eiser] ziet als kopstuk van de Nederlandse onderwereld baseert De Telegraaf verder op een interview met mr. Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal, opgenomen in het Algemeen Dagblad. Ook andere media maken er melding van dat justitie [eiser] ziet als ‘topcrimineel’.

Over de subkop “Moord [betrokkene5] in opdracht baas [betrokkene3]” voert De Telegraaf aan dat het hier gaat om een kop boven een uitgebreid artikel over diverse liquidaties in de onderwereld. In een kop dient een pakkende samenvatting te worden gegeven van de inhoud van een artikel en er is dan geen plaats voor nuancering. Bij lezing van het artikel wordt duidelijk hoe De Telegraaf tot deze subkop is gekomen. Dat [eiser] de baas is van [betrokkene3] volgt immers uit de verklaringen van [betrokkene4] en dat [eiser] er een liquidatielijst op nahield waarop [betrokkene5] voorkwam volgt uit de verklaringen van de kroongetuige.

Over het verwijt dat geen wederhoor zou zijn toegepast voert De Telegraaf aan dat [journalist1] in het verleden regelmatig artikelen heeft geschreven waarin aandacht is besteed aan [eiser]. [journalist1] heeft meerdere keren contact gezocht met de (voormalige) raadsman van [eiser] en verzocht om een reactie. Dit bleek steeds vruchteloos. [eiser] is ook al enige tijd onvindbaar – er loopt een internationaal opsporingsbevel tegen hem – zodat het niet mogelijk is hem rechtstreeks te benaderen. Onder deze omstandigheden maakt het ontbreken van wederhoor het artikel niet onrechtmatig.

Verder doet De Telegraaf een beroep op de aansprakelijkheid van de bron: zij heeft de uitlatingen van de kroongetuige niet tot de hare gemaakt. Dit blijkt uit het veelvuldig gebruik van citaten. Dat hier en daar een beeldende omlijsting is gekozen, behoort tot de vrijheid van de journalist.

Tot slot beroept De Telegraaf zich erop dat de gevorderde rectificatie een inbreuk vormt op haar vrijheid van meningsuiting. Zij dient het publiek te informeren over een ernstige misstand, te weten de golf van liquidaties, en het publiek heeft ook recht op deze informatie. In de gegeven omstandigheden dient dit belang zwaarder te wegen dan het belang dat [eiser] heeft bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

De beoordeling

Toewijzing van de vordering tot rectificatie zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van De Telegraaf op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van De Telegraaf onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [eiser] is dat hij niet mag worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het belang van De Telegraaf is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend of waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. De mate waarin de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is zo’n omstandigheid.

Ter zitting heeft [eiser] zijn bezwaren tegen het artikel beperkt tot de kwalificatie ‘baas van [betrokkene3]’. De Telegraaf zou, aldus [eiser], onvoldoende met feiten hebben gestaafd waarom hij een half jaar geleden nog als compagnon en thans als baas van [betrokkene3] wordt afgeschilderd. De bezwaren van [eiser] zijn er derhalve niet tegen gericht dat hij met [betrokkene3] of het criminele milieu in verband wordt gebracht.

Voor beantwoording van de vraag of in dit geval de beschuldiging ‘baas van [betrokkene3]’ steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, dient in de eerste plaats in aanmerking te worden genomen dat aan een beschuldiging in een krantenartikel niet dezelfde eisen moeten worden gesteld als de eisen die gelden voor een veroordeling in een strafproces, te weten dat het wettig en overtuigend bewijs van die beschuldiging geleverd moet worden. Voor een beschuldiging in een krantenartikel is voldoende dat er serieus te nemen aanwijzingen zijn, die, in samenhang bezien, die beschuldiging kunnen dragen. Dit is wezenlijk anders dan het wettig en overtuigend bewijs van die beschuldiging. Het verschil in benadering is erin gelegen dat het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting meebrengt, dat ook niet strafrechtelijk bewezen beschuldigingen geuit mogen worden, zij het dat deze beschuldigingen niet lichtvaardig mogen worden gedaan.

In het boek “[titel boek]” is onder meer vermeld dat [betrokkene4] [eiser] ziet als de baas van het groepje (pagina 22). Verder zegt [betrokkene4]: “Als je [eiser] hebt, ja, dan is [betrokkene3] zwak” (pagina 49). Tot slot zegt hij over [eiser]: “Het is gewoon....écht, hij is echt de baas” (pagina 123) en “[eiser]. Dat is gewoon de man” (pagina 159).

De kroongetuige heeft blijkens een door [eiser] in het geding gebrachte verklaring weliswaar niet letterlijk verklaard dat [eiser] ‘de baas’ is, maar wel dat hij “[betrokkene2]” of “de commissaris” werd genoemd. Dit laatste blijkt uit de (passages van de) verklaringen van de kroongetuige die De Telegraaf in het geding heeft gebracht. Hieruit blijkt eveneens dat de kroongetuige heeft verklaard: “[eiser] stond in de hierarchie boven [betrokkene1], zoveel was duidelijk”. En over de liquidatielijst: “Deze lijst kwam van [betrokkene1] en [eiser[eiser] als opdrachtgevers”.

In de door De Telegraaf overgelegde eerdere publicaties uit het NRC-Handelsblad, Vrij Nederland en het Algemeen Dagblad wordt [eiser] afgeschilderd als ‘crimineel kopstuk’, als iemand die ‘een prominente rol speelt in het hoofdstedelijk milieu’, als een ‘hoofdrolspeler in de vaderlandse onderwereld’ en als ‘de ongekroonde koning van de onderwereld’.

De verklaringen van [betrokkene4] en die van de kroongetuige vormen, gezien de context waarin zij zijn gedaan en in samenhang bezien met de door De Telegraaf in het geding gebrachte eerdere publicaties, serieus te nemen aanwijzingen die de beschuldiging ‘baas van [betrokkene3]’ kunnen dragen. Voorshands vindt die beschuldiging dan ook voldoende steun in het op dit moment beschikbare feitenmateriaal. Er zijn geen aanwijzingen dat justitie de verklaringen van [betrokkene4] en van de kroongetuige niet serieus neemt. De eerdere publicaties lijken het product te zijn van (journalistiek) onderzoek en door [eiser] is niet aannemelijk gemaakt dat in die publicaties lichtvaardig stellingen zijn ingenomen. Ook de subkop “Moord [betrokkene5] in opdracht baas [betrokkene3]” wordt gedragen door het op dit moment beschikbare feitenmateriaal, waarbij in acht wordt genomen dat – zoals De Telegraaf heeft aangevoerd – in een kop een pakkende samenvatting moet worden gegeven en er dan geen plaats is voor nuancering.

[eiser] zal niet worden gevolgd in zijn standpunt dat alle feiten waarop De Telegraaf zich baseert bij de aanduiding ‘baas van [betrokkene3]’ moeten dateren van na november 2006. Anders dan [eiser] meent is er – gezien de hiervoor geciteerde eerdere publicaties – onvoldoende sprake van een plotselinge “upgrading” in de media van compagnon tot baas van [betrokkene3] die met feiten moet worden gestaafd. Ook in De Telegraaf van 19 november 2006 is [eiser] immers al (samen met [betrokkene6].) betiteld als grote speler in het criminele milieu die achter de schermen aan de touwtjes trekt. Van belang is verder dat [eiser] nooit eerder publiekelijk tegen deze publicatie, of tegen (de hiervoor geciteerde) vergelijkbare publicaties in andere media, is opgetreden. Zoals reeds overwogen heeft [eiser] ook in dit geding niet aannemelijk gemaakt dat in die publicaties lichtvaardig stellingen zijn ingenomen.

Dat de kroongetuige [eiser] niet letterlijk baas heeft genoemd, kan niet bijdragen aan de door [eiser] gestelde onrechtmatigheid van het artikel. De verklaringen van de kroongetuige hebben immers wel die strekking. Het is weliswaar minder zorgvuldig van een journalist om een mededeling als letterlijk citaat te presenteren, terwijl het zo niet letterlijk is gezegd, maar dit feit op zich maakt een uitlating nog niet onrechtmatig.

Dat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld tot het geven van een weerwoord, kan evenmin bijdragen aan de door hem gestelde onrechtmatigheid van het artikel. [journalist1] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij in het verleden meerdere malen heeft geprobeerd om (via de toenmalige raadsman) met [eiser] in contact te komen. Die pogingen bleken vruchteloos en er waren geen aanwijzingen dat [eiser] nu wel met De Telegraaf wilde spreken. Dat [eiser] zich schuil houdt voor justitie en naar verwachting om die reden voor een gemiddelde journalist evenmin is op te sporen, komt voor zijn rekening en risico en hij kan De Telegraaf dan ook niet verwijten dat zij, na eerdere vruchteloze pogingen, niet opnieuw bij zijn raadsman heeft geïnformeerd of [eiser] op het artikel wilde reageren. Tot slot heeft de raadsvrouw van [eiser] ter zitting aangevoerd dat [eiser], indien hem weerwoord was geboden, de beschuldigingen had ontkend en de kwalificaties aan zijn adres had betwist. Voorshands kan hieruit worden afgeleid dat wederhoor in dit geval geen wezenlijk ander artikel had opgeleverd. Hiervoor is immers meer vereist dan het enkel ontkennen van beschuldigingen. Bovendien volgt niet uit het artikel dat [eiser] de beschuldiging erkent.

De slotsom is dat De Telegraaf – gezien alle hiervoor geschetste omstandigheden – met de aanduiding ‘baas van [betrokkene3]’ niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Toewijzing van de vordering tot rectificatie zou daarmee een ontoelaatbare inbreuk vormen op de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf. De vordering zal dan ook worden afgewezen en [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Telegraaf worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevraagde voorziening,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van De Telegraaf tot op heden begroot op EUR 1.067,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2007.?