Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA8476

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
AWB 07-2399 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geding betreft een bouwvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2399 WRO

tussen:

Creative Leisure Company B.V., gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. J.M. van den Berg en mr. J. de Koning,

en:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P.C Leegwater, mr. G. Koop, mr. L. Gratama en mr. E.J. Hetebrij.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

Bueno de Mesquita Holding B.V., gevestigd te Amsterdam,

vergunninghoudster,

vertegenwoordigd door mr. S. Levelt.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster gericht tegen het besluit van verweerder van 8 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 juni 2007, alwaar mr. [betrokkene] namens de gemachtigde van vergunninghoudster aanwezig was.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder aan Creative Leisure Island B.V. een bouwvergunning met tijdelijke vrijstelling verleend voor de periodes van 1 juli 2006 tot 1 november 2006 en 1 mei 2007 tot 1 november 2007, voor het oprichten van een restaurant met terras op het Langbroekpad te Amsterdam Zuidoost en het gebruik daarvan als ‘zomerrestaurant’.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze vergunning overgedragen aan en op naam gesteld van vergunninghoudster. Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoekster heeft aangegeven onder dezelfde voorwaarden geen gebruik meer te willen maken van de verleende vergunning, doch heeft geweigerd mee te werken aan de overdracht van de vergunning aan vergunninghoudster. Nu verweerder de exploitatie van het in eigendom van de gemeente opgerichte restaurant evenwel wenselijk acht, heeft verweerder deze op grond van artikel 10.3 van de Bouwverordening Amsterdam (hierna: de Bouwverordening) overgedragen aan vergunninghoudster.

Verzoekster heeft de rechter verzocht te bepalen dat het bestreden besluit zal worden geschorst alsmede dat de bij het besluit van 14 juni 2006 aan verzoekster verleende vergunning wederom op naam zal worden gesteld van verzoekster.

De rechter overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen verzoekster en verweerder hierover ter zitting hebben opgemerkt, acht de rechter voldoende aannemelijk dat verzoekster de rechtsopvolgster is van de aanvrager van de in het geding zijnde vergunning. Verzoekster is dan ook belanghebbende bij het bestreden besluit, zodat het verzoek ontvankelijk is.

Niet in geschil is dat verzoekster door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen ten aanzien van het voorgenomen besluit. Voorts is vooralsnog niet gebleken dat verzoekster anderszins op zorgvuldige wijze in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Naar het oordeel van de rechter bestaat er dan ook reeds hierom ernstige twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Bovendien is het de vraag of artikel 10.3 van de Bouwverordening voldoende grondslag biedt voor het bestreden besluit. Het is in dit stadium niet aan de voorzieningenrechter om deze vraag te beantwoorden. De rechter is echter wel van oordeel dat het standpunt van verzoekster niet bij voorbaat kansloos is.

Verder stelt de rechter vast dat het besluit van 14 juni 2006 niet alleen ziet op de aan verzoekster verleende vergunning voor de uitvoering van het daarbij behorende bouwplan, maar tevens vrijstelling regelt van het bepaalde in het bestemmingsplan ten aanzien van het gebruik van de grond. Het al dan niet reeds gerealiseerd zijn van het bouwplan door vergunninghoudster is dan ook niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of er voor verzoekster thans nog een belang bestaat bij het treffen van de gevraagde voorziening. Hoewel verzoekster, bij gebreke van onder andere een gebruiksovereenkomst ten aanzien van het restaurant, zelf niet zal kunnen overgaan tot exploitatie indien de gevraagde voorziening wordt getroffen, heeft zij naar het oordeel van de rechter in ieder geval belang bij het evenmin kunnen gebruiken van de vergunning door vergunninghoudster. Immers, het in 2007 exploiteren van het restaurant door vergunninghoudster, die overigens wél de daarvoor benodigde contracten heeft kunnen sluiten, zal ertoe kunnen leiden dat vergunninghoudster ook in de toekomst hiervoor de gerede kandidaat zal zijn en niet verzoekster. De gevraagde voorziening heeft tot gevolg dat ook vergunninghoudster niet tot exploitatie kan overgaan. Bovendien is met het treffen van de gevraagde voorziening in ieder geval een beletsel voor de exploitatie door verzoekster weggenomen. Hierin is, wat er ook zij van het belang van vergunninghoudster bij het exploiteren van het zomerrestaurant, voldoende (spoedeisend) belang gelegen. De rechter onderschrijft dan ook niet het standpunt van verweerder en vergunninghoudster dat verzoekster geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening.

Nu hetgeen is overwogen ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechter zou kunnen leiden tot een herroeping van het bestreden besluit en nu verzoekster belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, ziet de rechter aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin, dat het bestreden besluit zal worden geschorst tot zes weken na de beslissing op verzoeksters bezwaarschrift. De rechter laat daarbij, gelet op de gerezen twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, in dit stadium het belang van verzoekster zwaarder wegen dan het belang van vergunninghoudster.

De rechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, welke kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,00 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter terechtzitting x factor 1 x € 322,00).

Tevens dient het betaalde griffierecht te worden vergoed.

3. BESLISSING

De rechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking door verweerder van de beslissing op het bezwaarschrift;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 143,00 (zegge: honderd en drieënveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2007 door mr. H.P. Kijlstra, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B