Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA7909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
AWB 06-4541 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Teneinde te kunnen beoordelen of eiseres recht heeft op langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) heeft verweerder haar bij brief van 19 juni 2006 gevraagd een jaaropgave van 2005 te verstrekken die “uiterlijk terug” diende te zijn op 27 juni 2006. Er vanuit gaande dat verweerders brief eiseres op 20 juni 2006 bereikte, en de jaaropgave op 26 juni 2006 verzonden diende worden teneinde op 27 juni 2006 ontvangen te zijn, moet worden vastgesteld dat eiseres slechts 7 dagen had om de jaaropgave te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde termijn van 7 dagen in zijn algemeenheid onredelijk kort is. Niet uitgesloten kan worden dat aanvragers door omstandigheden, waaronder tijdelijke afwezigheid of ziekte niet terstond in staat zijn aan het verzoek gevolg te geven. Nu verweerder na overschrijding van de gestelde termijn de aanvraag terstond buiten behandeling stelt, dient die termijn langer te zijn dan 7 dagen. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat verweerder eerst na vier maanden om nadere gegevens heeft gevraagd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet in redelijkheid buiten behandeling kunnen stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. AWB 06/4541 WWB

tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. T.M. van Angeren,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 6 september 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 15 augustus 2006, verzonden op 16 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit).

Nadat partijen toestemming hebben gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres heeft op 13 februari 2006 een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag ingediend.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder eiseres verzocht om nadere informatie dan wel ontbrekende stukken in te leveren. Eiseres diende voor 27 juni 2006 een kopie van haar jaaropgave over het jaar 2005 mee te sturen.

Bij primair besluit van 3 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiseres de jaaropgave niet heeft overgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard daartoe overwegende dat eiseres heeft nagelaten voor 27 juni 2006 een kopie van haar jaaropgave over te leggen waardoor de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld. De door eiseres in haar bezwaarschrift aangevoerde gronden doen daaraan volgens verweerder niets af.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij wegens ziekte niet onmiddellijk aan het verzoek om informatie heeft kunnen voldoen. Eiseres lijdt aan gonarthrose en retropatellaire artrose, welke gebreken bij tijde zodanige pijnklachten bij haar veroorzaken dat zij niet of nauwelijks nog tot iets in staat is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres medische verklaringen overgelegd. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat zij de gevraagde jaaropgave in de bezwaarfase heeft overgelegd. Het bezwaar is echter door verweerder ongegrond verklaard zonder dat eerst een hoorzitting heeft plaatsgevonden en zonder dat er enige navraag is gedaan naar de medische omstandigheden. Eiseres heeft het onbegrijpelijk en onjuist geacht dat verweerder er toe over is gegaan om de aanvraag, die verweerder zelf dan al circa vijf maanden in behandeling heeft zonder iets te doen, buiten behandeling te stellen, zonder dat een rappel is gestuurd en zonder dat zij is gewezen op de gevolgen van niet- dan wel laattijdige inzending.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag buiten behandeling te stellen. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord op grond van het navolgende.

Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:5, eerste lid van de Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de behandeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

Teneinde te kunnen beoordelen of eiseres recht heeft op langdurigheidstoeslag ingevolge de WWB heeft verweerder haar bij brief van 19 juni 2006 gevraagd een jaaropgave van 2005 te verstrekken die “uiterlijk terug” diende te zijn op 27 juni 2006. Er vanuit gaande dat verweerders brief eiseres op 20 juni 2006 bereikte, en de jaaropgave op 26 juni 2006 verzonden diende worden teneinde op

27 juni 2006 ontvangen te zijn, moet worden vastgesteld dat eiseres slechts 7 dagen had om de jaaropgave te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde termijn van 7 dagen in zijn algemeenheid onredelijk kort is. Niet uitgesloten kan worden dat aanvragers door omstandigheden, waaronder tijdelijke afwezigheid of ziekte niet terstond in staat zijn aan het verzoek gevolg te geven. Nu verweerder na overschrijding van de gestelde termijn de aanvraag terstond buiten behandeling stelt, dient die termijn langer te zijn dan 7 dagen. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat verweerder eerst na vier maanden om nadere gegevens heeft gevraagd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook niet in redelijkheid buiten behandeling kunnen stellen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op voldoende zorgvuldige wijze is voorbereid. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.

Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd hoeft, gelet op dit oordeel, geen bespreking meer.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zijn, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- (1 punt voor het beroepschrift x factor 1 x € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Tevens dient de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht van € 38,00 te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,00 (zegge: driehonderd tweeëntwintig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht van € 38,00 (zegge: acht en dertig euro) aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.I. Blom, griffier en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B