Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA7310

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
15-06-2007
Zaaknummer
AWB 06-1957 WIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu eiser de schenking die tot zijn vermogen is gaan behoren heeft aangewend om beroepskosten, waaronder de huur van zijn atelier, te dekken, heeft verweerder de schenking op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIK ten onrechte in aanmerking genomen bij het vaststellen van eisers vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechter Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met de reg.nr. AWB 06/1957 WIK

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. P.F.A.B. Vos,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.M. Jong-A-Kiem.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 10 april 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2006, verzonden 22 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 februari 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt vanaf 8 december 1999 een uitkering krachtens de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK). Verweerder heeft geconcludeerd, dat door een schenking van eisers vader ten bedrage van € 4.200,- op 1 februari 2003, eisers vermogen over dat jaar boven de toenmalige grens van het vrij te laten bescheiden eigen vermogen kwam. Verweerder heeft bij besluit van 4 mei 2004 het recht op uitkering over het jaar 2003 herzien en een bedrag van € 3.929,81 aan ten onrechte betaalde WIK-uitkering van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 25 november 2004 heeft verweerder eisers bezwaren hiertegen kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep bij de rechtbank ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 9 september 2005 heeft de voorzieningenrechter onder toepassing van hetgeen is bepaald in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep gegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De rechter heeft daartoe overwogen dat verweerder eiser ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld diens bezwaren mondeling toe te lichten en derhalve ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard. Reeds hierom heeft de rechter het beroep gegrond verklaard. Voorts heeft de rechter overwogen dat de wettelijke grondslag waarop verweerder het besluit heeft gebaseerd niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen ten tijde van belang. Verweerder had de WIK zoals die gold van 11 oktober 2000 tot

1 januari 2004 als uitgangspunt moeten nemen, nu het geding gaat over de uitkering over het jaar 2003. Verweerder dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser. Nu verweerder in een eerder stadium heeft aangegeven dat geen nadere incassomaatregelen tegen verzoeker worden ondernomen gedurende de bezwaarfase en de rechter er vanuit gaat dat verweerder tot de (nieuwe) beslissing op bezwaar wederom niet tot feitelijke invordering over zal gaan, heeft de rechter geen aanleiding gezien een voorlopige voorziening te treffen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van eiser na eiser in de gelegenheid te hebben gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Verweerder komt ook op grond van de wettelijke bepalingen van de WIK zoals die gold van 11 oktober 2000 tot 1 januari 2004 tot de conclusie dat de schenking dient te worden aangemerkt als vermogen, en verklaart het bezwaar (wederom) ongegrond en handhaaft het primaire besluit van 4 mei 2004.

Eiser heeft thans in beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder de bijdragen van eisers vader ten onrechte heeft aangemerkt als vermogen. Indien al niet gesteld moet worden dat de bijdrage dient te worden gezien als inkomsten waartegenover de reële kosten van het bedrijf alsmede de kosten van levensonderhoud moeten worden gesteld, dan dient naar eisers mening in ieder geval op grond van het vertrouwensbeginsel alsmede het gelijkheidsbeginsel gesteld te worden dat verweerder, nu in voorgaande jaren de bijdragen van de vader van eiser steeds als inkomsten zijn aangemerkt, niet zonder nadere berichtgeving kon afwijken van de eerdere handelswijze. Van enige twijfel met betrekking tot de besteding van de bijdrage aan atelierskosten, is geen sprake.

Eiser verschilt subsidiair met verweerder van mening over de berekeningssystematiek van het vrij te laten vermogen. Hij betoogt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het vermogen zoals dat is vastgesteld op 5 juni 2002, te weten € 4.704,81. Op 24 oktober 2003 is een veel lager bedrag aan vermogen vastgesteld, namelijk € 1.985,20. Onbegrijpelijk is waarom verweerder niet uitgaat van eisers vermogenspositie op 1 februari 2003, de datum waarop het bedrag door eisers vader aan hem ter beschikking is gesteld. Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat ten onrechte geen interingsperiode is vastgesteld. Nu hij steeds heeft voldaan aan de informatieplicht doordat hij de bijdragen van zijn vader steeds op de daartoe verstrekte formulieren heeft vermeld, stond hieraan niets in de weg, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geding is het besluit van 21 maart 2006, waarin verweerder het besluit van 4 mei 2004 heeft gehandhaafd, waarbij de schenking van € 4.200,- is aangemerkt als vermogen en een bedrag van

€ 3.929,81 aan ten onrechte betaalde WIK-uitkering van eiser wordt teruggevorderd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WIK wordt in de WIK en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. inkomen: de in aanmerking te nemen middelen, bedoeld in Hoofdstuk IV, afdeling 3, § 1 en 2 van de Algemene bijstandswet (Abw);

b. vermogen: de in aanmerking te nemen middelen, bedoeld in Hoofdstuk IV, afdeling 3, § 1 en 3 van de Abw, met uitzondering van het vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;

c. beroepskosten: de kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;

d. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

Ingevolge artikel 42 van de Abw – voor zover hier van belang – worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 44 van de Abw worden bij de vaststelling van de middelen giften van instellingen en personen niet in aanmerking genomen voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van de giften, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Abw wordt onder inkomen verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie voor het voltooien van een scholing of opleiding of voor het aanvaarden of behouden van betaalde arbeid of een subsidie voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of uit het hebben van een of meer kostgangers, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Abw wordt onder vermogen verstaan:

a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;

b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de onderhavige schenking heeft aangemerkt als vermogen en niet als inkomsten, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WIK in verbinding met de artikelen 42, 47 en 51 van de Abw. Eisers grief dat verweerder bij de berekening van de hoogte van het terug te vorderen bedrag ten onrechte niet de beroepskosten op eisers inkomsten (bestaande uit de schenking) in mindering heeft gebracht, zoals is bepaald in artikel 10a, eerste lid, van de WIK, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder evenwel ten onrechte voorbij gegaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIK, dat bij het vermogen niet in aanmerking wordt genomen het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep als kunstenaar.

Eiser heeft namelijk voldoende aannemelijk kunnen maken dat hij de schenking die tot zijn vermogen was gaan behoren heeft aangewend om zijn beroepskosten, waaronder de huurkosten van zijn atelier, te dekken. Uit eisers overgelegde winst- en verliesrekening over het jaar 2003 blijkt immers dat hij een negatief bedrijfsresultaat van € 4.383,91 heeft geboekt, omdat hij slechts € 858,- heeft omgezet en de totale beroepskosten in dat jaar € 5.242,91 bedroegen. Eiser heeft voorts op het heronderzoeksformulier over 2003 aangegeven dat hij in het begin van dat jaar een schenking van zijn ouders heeft ontvangen ten bedrage van € 4.200,- onder vermelding van “om het kunstenaarsschap te kunnen blijven uitoefenen”. Voorts heeft eiser op dit formulier aangegeven dat in 2003 geen schulden zijn ontstaan. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het vermogen dat eiser in de vorm van de schenking heeft ontvangen dan ook noodzakelijk is geweest voor de uitoefening van het beroep als kunstenaar. Verweerder heeft de schenking dan ook ten onrechte bij het reeds aanwezige vermogen opgeteld, waardoor eisers vermogen boven de vrij te laten vermogensgrens is gekomen. Hieruit volgt dat verweerder het recht op uitkering ten onrechte heeft herzien en op onjuiste gronden een bedrag van eiser heeft teruggevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit dan ook niet in rechte standhouden en zal het besluit worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

Dientengevolge behoeven de overige argumenten die door eiser naar voren zijn gebracht geen bespreking meer.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 644,-. Verweerder zal tevens het door eiser gestorte griffierecht dienen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 38,- (zegge: achtendertig euro) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 april 2007 door mr. B.E. Mildner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Leijen, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B