Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA7249

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
13.497.069.2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5 EVRM. Het verweer, dat de detentie van de opgeëiste persoon in de EBI een flagrante schending van artikel 5 EVRM oplevert, wordt gepasseerd. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat de aanhouding en inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon op grond van het EAB rechtmatig zijn. Hieruit volgt dat in dit opzicht geen sprake is van schending van artikel 5 EVRM in het kader van de overleveringsprocedure.

Artikel 7 EVRM. De OLW biedt geen ruimte voor de verzochte garantie dat de opgeëiste persoon in Italië zal worden berecht volgens de oude tekst van artikel 73 van het DPR, de Italiaanse wetgeving met betrekking tot verdovende middelen. De rechtbank vertrouwt er op dat Italië zijn verplichting krachtens artikel 7 EVRM zal naleven. Uit het EAB blijkt dat artikel 73 van het DPR op de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht een maximum vrijheidsstraf van 20 jaar stelt. Meer zekerheid omtrent het strafrisico kan de opgeëiste persoon onder de Overleveringswet niet worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.069.2007

RK nummer: 07/1395

Datum uitspraak: 18 mei 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 maart 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 29 januari 2007 door de Pre-trial Investigation Judge attached to the Court of Napels, Italië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede-tineerd in de Penitentiaire Inrichting EBI Vught te Vught,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 april 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, gehoord. Het onderzoek op deze zitting is aangehouden tot de zitting van 4 mei 2007 teneinde van de Italiaanse justitiële autoriteiten antwoord te verkrijgen op de volgende vragen:

- Welke rechterlijke beslissing, wanneer genomen en afgegeven door welke justitiële autoriteit, ligt ten grondslag aan het EAB?

- Door de verdediging is een Nederlandse vertaling van een stuk, genoemd beschikking 2620 van rechtbank Napels van 16 april 2007 aan de rechtbank overgelegd. Is hier sprake van een door de rechtbank Napels gegeven beschikking? Zo ja, dan wil de rechtbank graag nader worden geïnformeerd over het volgende. In deze beslissing wordt beroep van het Openbaar Ministerie tegen afwijzing vordering voorlopige hechtenis afgewezen. Hoe verhoudt deze beslissing zich tot het onderhavige verzoek tot overlevering? Het in voormelde beslissing als parketnummer opgenomen nr. 52613/2005, is ook genoemd als referentienummer van de Remand in custody order in het EAB.

- Het is de rechtbank nog niet geheel duidelijk geworden of er sprake is van een verzoek ter vervolging van de opgeëiste persoon of ter executie van een aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf.

- Op welk(e) feit(en) heeft het EAB betrekking? Gaat het alleen om de handel in verdovende middelen, zoals aangekruist in de onder E I van het EAB opgenomen lijst onder nummer 5.

Of gaat het (ook) om deelneming aan een criminele organisatie, zoals vetgedrukt is bovenaan de onder E I van het EAB opgenomen lijst?

- Wanneer tevens de overlevering wordt gevraagd voor deelneming aan een criminele

organisatie, dan verzoekt de rechtbank om een nadere omschrijving van dit feit naar plaats en tijd en ook de overlegging van de relevante strafbepalingen terzake.

- Aan de rechtbank zijn als toepasselijke strafbepalingen overgelegd de artikelen 73 en, bij

nadere fax van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden van 16 april 2007, 74 van de Italiaanse Opiumwet. Welk van beide artikelen is van toepassing op het/de feit(en) waarvoor de overlevering wordt gevraagd? Of hebben beide artikelen betrekking op het/de feit(en) waarvoor de overlevering wordt gevraagd?

- De rechtbank mist bij de toegezonden wetsartikelen nog art. 110, 81 tweede paragraaf, dat

genoemd wordt in het EAB onder f). De rechtbank verzoekt de overlegging hiervan.

Bij fax van 27 april 2007 heeft Sostituto Procuratore della Republica het volgende medegedeeld:

Met betrekking tot uw vraag naar aanvullende informatie:

- De rechtelijke beslissing waarop het EAB voor [opgeëiste persoon] zich baseert is N. 62/07 N. OCC – n. 52613/05 RNRT – n. 41888/06 RG GIP, genomen op 29 januari 2007, afgegeven door de RC van het Tribunaal van Napels, dott. Antico en door het Tribunale del Riesame bevestigd;

- De beschikking van het Tribunaal del Riesame van Napels van 16 april 2007 heeft betrekking tot ene beschuldiging, anders dan die waarvoor het EAB is afgegeven, die was afgewezen door de RC in de beslissing boven genoemd en waarvoor het OM in hoger beroep was gegaan;

- Het gaat niet om uitvoering van de straf maar over de beschikking van voorlopige hechtenis in het kader van het vooronderzoek;

- Het EAB heeft betrekking slechts op handel in verdovende middelen en heeft betrekking

slechts op het strafbaar feit genoemd in art. 73 DPR 309/90.

Op de zitting van 4 mei 2007 zijn wederom de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een remand in custody order van the GIP to the Court of Naples van 29 januari 2007 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul-dig heeft gemaakt aan één naar het recht van Italië strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Italiaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op dit feit is bovendien naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Uit de aanvullende stukken stelt de rechtbank vast dat de verdenking zich alleen richt op de handel in verdovende middelen, zoals bedoeld in artikel 73 van het DPR 309/90.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan dit feit, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a en b, OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat het feit dat de opgeëiste persoon vanuit Nederland heeft gehandeld en kennelijk de verdovende middelen vanuit Nederland zijn gekomen, in ieder geval artikel 13 OLW van toepassing doet zijn. Daarmee is volgens de raadsman tevens van belang geworden over hoeveel verdovende middelen het EAB gaat. De raadsman stelt dat, indien immers de hoeveelheid onder het Nederlandse gedoogbeleid zou vallen, in Nederland geen vervolging zou plaatsvinden.

Ten aanzien van de vordering van de officier van justitie ex artikel 13, lid 2 OLW merkt de verdediging op dat hier sprake is van een situatie waarvoor artikel 13 OLW is bedoeld.

Naar de mening van de raadsman is er sprake van een persoon die volledig in Nederland heeft gehandeld en bovendien op een strafrechtelijk terrein waarop Nederland een uitgesproken eigen beleid voert. De raadsman acht de Nederlandse rechtsorde door de handel in verdovende middelen ten minsten evenzeer geschokt als de Italiaanse.

De raadsman verzoekt dan ook om de vordering van de officier van justitie ex artikel 13, lid 2 OLW af te wijzen, waardoor de overlevering geweigerd dient te worden.

Op grond van het tweede lid van artikel 13 OLW heeft de officier van justitie ter zitting van

20 april 2007 gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

De officier van justitie heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd:

Gelet op de wet en de uitspraak van de Hoge Raad (HR 28 november 2006, LJN AY6634) is de weging van de persoonlijke omstandigheden voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Slechts een deel van de strafbare handelingen heeft in Nederland plaatsgevonden. Wij moeten kijken naar het complex van de strafbare feiten. Er is sprake van een langlopend, omvangrijk onderzoek in Italië. Een deel van dat onderzoek betreft de opgeëiste persoon. Veel verdachten bevinden zich in voorlopige hechtenis in Italië. De softdrugs waren bestemd voor de Italiaanse markt. De rechtsorde is daar het meest aangetast. In het kader van de concentratie van de strafvervolging is overlevering van de opgeëiste persoon aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, hij in redelijkheid tot deze vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond.

7. Verweren

Naar het oordeel van de verdediging voldoet, zelfs met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, het EAB niet aan de door de OLW gestelde eisen, zodat de overlevering dient te worden geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie van de Italiaanse officier van justitie in het faxbericht van 13 april 2007 het tijdstip, de plaatsen en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit inhoudt, terwijl eveneens een korte omschrijving van het feit wordt gegeven. Daarbij stelt de rechtbank uit de Italiaanse aanvullende informatie vast, dat er sprake is van aanzienlijke hoeveelheden (“di ingenti quantitativi”) hasjiesj en marihuana. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door de Italiaanse autoriteiten ingediende overleveringsverzoek voldoet aan de eis die artikel 2, tweede lid, van de OLW stelt.

Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

De raadsman heeft vervolgens betoogd dat de enkele constatering dat de opgeëiste persoon in de EBI is vastgehouden zonder titel een flagrante schending van artikel 5 EVRM oplevert. Volgens de raadsman is de onrechtmatigheid gegeven, ongeacht de latere rechtmatige detentie in het kader van de OLW, die daar een rechtstreeks gevolg van was, evenals de feitelijke overlevering.

Naar de mening van de raadsman is in dit geval sprake van een situatie als bedoeld in artikel 11 OLW. Dat de schending heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de overleveringsprocedure, doet volgens de raadsman hieraan niet af.

De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat de aanhouding en inverzekeringstelling van de opgeëiste persoon op grond van het EAB rechtmatig zijn. Hieruit volgt dat in dit opzicht geen sprake is van schending van artikel 5 EVRM in het kader van de overleveringsprocedure.

De rechtbank passeert derhalve reeds hierom het verweer van de raadsman.

Aan de hand van de op 20 april 2007 overgelegde pleitnota heeft de raadsman verzocht om een garantie, in dier voege dat de opgeëiste persoon in Italië zal worden berecht volgens de oude tekst van artikel 73 van het DPR.

De rechtbank stelt vast dat de OLW geen ruimte biedt voor een dergelijke garantie.

Bovendien vertrouwt de rechtbank er op dat Italië zijn verplichting krachtens artikel 7 van het EVRM zal naleven. De rechtbank wijst dienaangaande het verzoek van de raadsman af.

Ter zitting van 20 april 2007 heeft de raadsman bepleit dat niet is vast te stellen welk strafrisico de opgeëiste persoon loopt.

Uit het EAB blijkt dat artikel 73 van het DPR, de Italiaanse wetgeving met betrekking tot verdovende middelen, op de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht een maximum vrijheidsstraf van 20 jaar stelt. Meer zekerheid omtrent het strafrisico kan de opgeëiste persoon onder de Overleveringswet niet worden gegeven. De rechtbank passeert derhalve ook dit verweer van de raadsman.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7, 11 en 13 van de OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Pre-trial Investigation Judge attached to the Court of Naples ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit-ter,

mrs. A.A. Spoel en A.H.J. Swart, rech-ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, grif-fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.