Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5883

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
AWB 06-603 WWB en AWB 06-604 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Eiser ontvangt bijstand en heeft met toestemming van verweerder inkomsten uit fietsenreparaties (op grond van de zogenaamde "bescheiden schaal regeling"). Verweerder heeft ten onrechte zijn toestemming ingetrokken. Eiser heeft de voorwaarden om inkomsten te ontvangen naast zijn uitkering voldoende nageleefd.

Daarnaast heeft eiser €50,- aan inkomsten niet aan verweerder opgegeven. Verweerder heeft eisers uitkering ten onrechte éénmalig met € 200,- verlaagd."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/603 WWB en AWB 06/604 WWB

van:

[eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. R.S. Pot,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.M. Tjen A Kwoei.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 31 januari 2006 twee beroepschriften ontvangen gericht tegen de separate besluiten van verweerder van 24 januari 2006 (hierna: de bestreden besluiten).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 28 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een gezin.

Eiser verricht fietsenreparaties voor buurtbewoners. Bij besluit van 4 december 1998 heeft verweerder eiser heeft met ingang van 1 januari 1999 toestemming verleend om met behoud van zijn bijstandsuitkering bedrijfs- en/of beroepsmatige werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van eiser wordt met ingang van dezelfde datum de zogenaamde “bescheiden schaal regeling” toegepast.

Bij brief van 22 augustus 2005 heeft verweerder eiser verzocht om, in verband met de herbeoordeling van het recht op bijstand van eiser, vóór 5 september 2005 de balans en winst- en verliesrekening van 2003, 2004 en 2005 over te leggen. Bij brief van 5 september 2005 heeft verweerder eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens vóór 12 september 2005 over te leggen. Bij brief van 11 september 2005 heeft eiser de gevraagde gegevens overgelegd.

Bij besluit van 22 september 2005 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van 22 september 2005 geen gebruik meer mag maken van de “bescheiden schaal regeling”. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser niet aan de voorwaarden van de “bescheiden schaal regeling” voldoet. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 september 2005 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat op eiser de verplichting rustte om jaarlijks een winst- en verliesrekening en/of andere boekhouding te overleggen in het kader van het gebruik van de “bescheiden schaal regeling”. Uit onderzoek is gebleken dat eiser heeft verzuimd zijn winst- en verliesrekeningen over – onder meer – de jaren 2003 en 2004 te verstrekken. Eiser heeft dan ook niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht en voldoet zodoende niet meer aan de voorwaarden van de “bescheiden schaal regeling”.

Bij besluit van 26 september 2005 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de eerstkomende betaling van de bijstandsuitkering inclusief vakantiegeld eenmalig met € 200,00 wordt verlaagd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 17 van de Wet werk en bijstand (WWB) door de inkomsten over 2005 niet aan verweerder door te geven. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij separaat besluit van 24 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het besluit van 26 september 2005 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser en zijn echtgenote geen opgave hebben gedaan van de door hen genoten inkomsten naast de uitkering. Zo heeft eiser in 2005 de door hem ontvangen bedragen voor fietsenreparaties en de ontvangst door hem en zijn echtgenote van € 50,- van “Eye to Eye productions” niet opgegeven aan verweerder. Gelet op het vorenstaande heeft eiser zijn inlichtingenplicht geschonden en is terecht besloten tot afstemming van de bijstand. De boekhouding over 2003, 2004 en 2005 zijn niet onverwijld uit eigen beweging overgelegd. Eiser heeft dit pas gedaan nadat hierom was gevraagd door verweerder. Eiser is ernstig tekort geschoten in zijn inlichtingenplicht. Derhalve bedraagt de toepasselijke verlaging ingevolge artikel 2, onder c, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Verordening) € 200,-.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de afspraak met verweerder was dat eiser op verzoek van verweerder jaarlijks de boekhouding zou overleggen. Verweerder heeft in het verleden dan ook altijd verzocht om de stukken en eiser heeft vervolgens ook altijd de stukken overgelegd. Blijkbaar heeft verweerder geconstateerd dat verzuimd was de stukken bij eiser op te vragen. Het stopzetten van de regeling voor eiser is niet in verhouding met hetgeen is voorgevallen en eiser wordt hiermee onevenredig hard getroffen terwijl hij de boekhouding direct kon overleggen. Gelet op de werkinstructie in het kader van de Wet werk en inkomen kunstenaars dient indien niet tijdig de inlichtingenplicht wordt nagekomen een maatregel, bestaande uit een waarschuwing, te worden opgelegd, dit had in het onderhavige geval ook dienen te gebeuren. Eiser heeft altijd voldaan aan de voorwaarden van de “bescheiden schaal regeling” en voldoet daar nog steeds aan. Voorts heeft eiser ten aanzien van de opgelegde maatregel van € 200,- aangevoerd dat hij op verzoek van verweerder de gegevens over 2003, 2004 en 2005 heeft overgelegd, hetgeen in het kader van de “bescheiden schaal regeling” de afspraak was.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de inlichtingenplicht inhoudt dat eiser gevraagd en ongevraagd alle informatie dient te verstrekken die nodig is voor de uitvoering van de WWB. Het argument dat verweerder heeft verzuimd de stukken bij eiser op te vragen acht verweerder niet valide. Eiser heeft immers in 1999 aangegeven één keer per jaar zijn boekhouding aan verweerder te zullen overleggen. Dit heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft dan ook de inlichtingenplicht geschonden en de toepassing van de “bescheiden schaal regeling” is terecht beëindigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het bestreden besluit I

In geschil is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de toepassing van de “bescheiden schaal regeling” voor eiser heeft opgeheven.

De “bescheiden schaal regeling” is beleid dat is neergelegd in de Werkvoorschriften Wet werk en bijstand (WWB) van verweerder. Bijstandsgerechtigden die op bescheiden schaal werkzaamheden voor eigen rekening en risico verrichten, dat wil zeggen minder dan gemiddeld 23,5 uur per week, en een bescheiden inkomen verdienen kunnen aanvullende bijstand via de WWB krijgen als zij voldoen aan de voorwaarden die verweerder daaraan verbindt. Deze voorwaarden worden door middel van het toestemmingsbesluit aan de betrokkene kenbaar gemaakt.

Blijkens het besluit van 4 december 1998 van verweerder is aan eiser met ingang van 1 januari 1999 toestemming verleend om werkzaamheden op bescheiden schaal te verrichten onder de volgende voorwaarden:

- de werkzaamheden, inclusief die van de eventuele partner, zijn van bescheiden omvang, zodanig dat bij de belastingaangifte geen gebruik gemaakt kan worden van de zelfstandigenaftrek, derhalve maximaal 23,5 uur per week;

- de werkzaamheden moeten binnen korte tijd zonder enige belemmering gestaakt kunnen worden in verband met werkaanvaarding of noodzakelijk geachte scholing;

- de betrokkene moet voldoen aan de wettelijk gestelde vestigingseisen die voor het bedrijf of beroep gelden;

- er mag geen sprake zijn van concurrentievervalsing;

- de betrokkene dient een deugdelijke administratie te voeren;

- de inkomsten uit de activiteiten (= belastbare winst) bedragen maximaal fl. 12.000,00 per jaar.

Tijdens de voorbereiding van dit besluit heeft eiser op 29 oktober 1998 op verzoek van verweerder schriftelijk verklaard dat hij akkoord gaat met het deelnemen aan de “bescheiden schaal regeling” met ingang van 1 januari 1999, alsmede dat hij één keer per jaar een boekhouding zal overleggen aan de sociale dienst van Amsterdam.

Eiser heeft in het kader van het door verweerder bij brief van 7 maart 2000 aangekondigde heronderzoek zijn boekhouding over 1999 aan verweerder doen toekomen.

Bij brief van 17 april 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat uit heronderzoek naar zijn recht op uitkering is gebleken dat er voor hem niets zal veranderen.

Bij brief van 18 december 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld dat na heronderzoek naar zijn recht op uitkering is vastgesteld dat er voor hem niets zal veranderen.

Bij brief van 22 april 2002 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de door eiser overgelegde boekhouding over 2000 en 2001 aanleiding is om een inkomsten korting van

€ 194,- per maand in te voeren. Bij besluit van 29 mei 2002 heeft verweerder die korting terug gebracht naar € 80,-.

Bij brief van 16 april 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat uit een heronderzoek naar zijn recht op uitkering is gebleken dat voor hem niets zal veranderen.

Naar aanleiding van eisers boekhouding over 2002 heeft verweerder op 20 juni 2003 besloten om de korting van € 80,- niet langer toe te passen.

Eerst ter gelegenheid van een onderzoek naar eisers recht op uitkering in het kader van het project “klant in beeld” heeft verweerder op 22 augustus 2005 eiser verzocht zijn boekhouding over de jaren 2003, 2004 en 2005 aan verweerder over te leggen. Eiser heeft deze op 12 september 2005 aan verweerder doen toekomen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser zich niet aan de voorwaarden voor deelname heeft gehouden omdat eiser pas in 2005 de boekhouding over de jaren 2003, 2004, 2005 heeft overgelegd. Eiser heeft ter gelegenheid van het huisbezoek dat medewerkers van de sociale dienst op 18 augustus 2005 bij hem aflegde, hierover verklaard dat hij zijn gegevens niet heeft opgestuurd omdat hij daarover geen post meer had gehad en hem telefonisch te verstaan was gegeven “dat er niets meer met zijn dossier werd gedaan”. Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat hij met de sociale dienst had afgesproken dat hij zijn boekhouding zou overleggen nadat hij daartoe een verzoek had ontvangen, omdat de boekhouding anders wellicht kwijt zou raken.

Verweerder heeft deze gang van zaken kunnen bevestigen noch ontkennen.

Gelet echter op de gang van zaken tot juni 2003, in het bijzonder de jaarlijkse heronderzoeken die verweerder verrichtte, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat eiser gewoon was, teneinde te voldoen aan zijn inlichtingenverplichting die is verbonden aan zijn recht op uitkering, desgevraagd aan verweerder zijn boekhouding over te leggen. Aangezien eiser dat óók in 2005 op eerste verzoek van verweerder binnen drie weken heeft gedaan, kan van eiser niet worden gezegd dat hij in dit opzicht niet aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan, dan wel zich niet aan de hem opgelegde voorwaarden voor de “bescheiden schaal regeling” heeft gehouden. Uit de verklaring die eiser op 28 oktober 1998 heeft ondertekend volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser niet aan zijn inlichtingplicht heeft voldaan door zijn boekhouding niet eerder over te leggen dan dat verweerder daarnaar heeft gevraagd.

Ter zitting heeft verweerder voorts aangevoerd dat eiser niet aan de voorwaarden voor deelname heeft voldaan omdat hij over de jaren 2003 en 2004 geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, nu bepaalde aftrekposten ten onrechte zijn opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet de kwalificatie “deugdelijk” uit de voorwaarden voor deelname aan de “bescheiden schaal regeling” op een volledige en transparante administratie, en niet op een in de ogen van verweerder volledig juiste boekhouding, zodat ook in dit opzicht niet kan worden gezegd dat eiser zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden.

Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit I niet in rechte standhouden en wordt het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook overigens uit de gedingstukken of ter zitting geen feiten of omstandigheden gebleken die beëindiging van de “bescheiden schaal regeling” rechtvaardigen, zodat rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om op de voet van het vierde lid van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien, door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Ter voorlichting van verweerder merkt de rechtbank op dat als gevolg van deze beslissing de toestemming om gebruik te maken van de “bescheiden schaal regeling” met ingang van de intrekkingsdatum (22 september 2005) herleeft.

Ten aanzien van het bestreden besluit II

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening wordt de bijstand eenmalig met € 200,- verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

In geschil is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de bijstandsuitkering van eiser eenmalig met € 200,00 heeft verlaagd.

Aan het opleggen van de maatregel ligt ten grondslag dat eiser en zijn echtgenote voor 2005 geen opgave hebben gedaan van de door hen naast de uitkering genoten inkomsten.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen onder die inkomsten niet worden verstaan de inkomsten die eiser had uit fietsenreparaties, aangezien hij die inkomsten op grond van de “bescheiden schaal regeling” pas na afloop van het jaar 2005 bekend hoefde te maken. Aan eiser kan dan ook niet reeds in september 2005 worden verweten van die inkomsten geen opgave te hebben gedaan, te minder daar hij op 12 september 2005 zijn boekhouding over de maanden januari 2005 tot en met juni 2005 aan verweerder heeft doen toekomen.

Vast staat voorts dat eiser en zijn echtgenote voor het verrichten van figurantenwerk in 2005 ieder éénmalig € 25,- hebben ontvangen van “Eye to eye productions” en dat zij die inkomsten niet bij verweerder hebben opgegeven.

Weliswaar komt verweerder bij de vaststelling dat eiser ernstig te kort is geschoten in zijn verplichtingen een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe, desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere motivering in redelijkheid niet kan worden gezegd dat eiser ernstig is tekort geschoten in zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, door éénmalige geringe inkomsten van € 50, - niet op te geven. Voor de afstemming van de uitkering met € 200,- bestaat dan ook geen grondslag. Daarbij heeft de rechtbank bovendien in aanmerking genomen dat uit hoofdstuk 8 van de Werkvoorschriften van verweerder blijkt dat het enkele niet nakomen van de inlichtingenplicht niet altijd hoeft te leiden tot afstemming.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank ook het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond verklaren en het bestreden besluit II vernietigen, omdat dat niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht met betrekking tot de ingediende beroepen te vergoeden. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op

€ 966,00 als kosten van verleende rechtsbijstand. Daarbij zijn 2 punten toegekend voor het indienen van de beroepschriften (wegingsfactor 1) en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verlenend.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I;

- verklaart het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 september 2005 gegrond;

- herroept het besluit van 22 september 2005;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op eisers bezwaar gericht tegen het besluit van 26 september 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de hiervoor omschreven proceskosten, begroot op

€ 966,00 (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 84,00 (zegge: vierentachtig euro) aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2007 door mr. B.E. Mildner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Seijsener, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B