Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5372

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
21-05-2007
Zaaknummer
AWB 07-855 WRO en AWB 07-856 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sloopvergunning van deel 2-onder-1 kap woning.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, zodat vrijstelling daarvan is vereist. Tevens is niet in geschil dat het perceel voor een gedeelte binnen zone 4 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: het Lib) ligt.

Welstandsadvies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 07/855 WRO en AWB 07/856 WRO

tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats],

verzoekster,

bijgestaan door mr. J.M. van den Berg,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer,

verweerder,

vertegenwoordigd door L. van der Leij.

Ter zitting is tevens verschenen [vergunninghouder], wonende te [woonplaats],

vergunninghouder,

bijgestaan door mr. M. van Stigt Thans.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 27 februari 2007 een verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoekster van 26 februari 2007, gericht tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2007, verzonden op 20 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 16 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan, indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Naar het oordeel van de rechter vergen de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek, zodat met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gelijktijdig op het beroep kan worden beslist.

De woning van verzoekster grenst aan de woning van vergunninghouder (een zogenaamde twee-onder-één-kap-constructie).

In verband met toekomstige herbouw heeft vergunninghouder een vergunning aangevraagd voor de sloop van zijn woning op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Voorts heeft vergunninghouder een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het herbouwen en vergroten van zijn woning. Bij primair besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder de sloopvergunning onder bepaalde voorwaarden aan vergunninghouder verleend. Bij primair besluit van 21 maart 2006 heeft verweerder tevens de bouwvergunning verleend. Tegen beide primaire besluiten heeft verzoekster tijdig bezwaar gemaakt.

Ten aanzien van de verleende sloopvergunning

Feiten

Het door verzoekster ingediende bezwaar tegen de sloopvergunning is door verweerder bij besluit van 21 maart 2006 ongegrond verklaard. Het primaire besluit is daarbij onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter het tegen het besluit van 21 maart 2006 - de sloopvergunning - ingestelde beroep gegrond verklaard, voornoemd besluit vernietigd, verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het primaire besluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De rechter heeft daartoe - onder meer - overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder voorafgaand aan de afgifte van de sloopvergunning, althans voorafgaand aan de besluitvorming een voldoende grondig onderzoek heeft verricht naar de risico’s van de voorgenomen sloop en de in dat verband noodzakelijke voorschriften die aan de vergunning moeten worden verbonden. Daarnaast is niet gebleken dat er voldoende duidelijkheid bestond over de precieze wijze van effectuering van de sloop.

Met inachtneming van deze uitspraak heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen. Daarin heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportage van Geomet van 21 augustus 2006 (hierna: de rapportage) welke conclusies en aanbevelingen integraal onderdeel uit maken van het thans bestreden besluit, overwogen dat uit voornoemde rapportage in voldoende mate is gebleken dat door het stellen van voorschriften bij de sloopvergunning, zorgvuldig handelen van de uitvoerend aannemer en adequaat toezicht in voldoende mate zekerheid kan worden geboden om de noodzakelijke bescherming, zoals bedoeld in artikel 8.1.6 van de Bouwverordening, te bieden. Voorts zijn er overige aan de sloopvergunning verbonden voorwaarden gesteld.

Standpunt verzoekster

Verzoekster heeft met betrekking tot de sloopvergunning aangevoerd dat uit de rapportage blijkt dat er nog aanvullende onderzoeken en berekeningen gemaakt moeten worden. Deze onderzoeken en berekeningen maken thans nog geen deel uit van het bestreden besluit, zodat er sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding.

Wettelijk kader

Artikel 8, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een bouwverordening vaststelt. Het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel bepaalt dat de verordening voorschriften bevat omtrent het slopen, waaronder begrepen voorschriften omtrent selectief slopen.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Aalsmeer (hierna: de Verordening) is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 8.1.6 van de Verordening moet een sloopvergunning worden geweigerd, indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. (...);

d. (...);

e. (...).

Overwegingen

De rechter overweegt dat blijkens de toelichting behorende bij artikel 8.1.6 van de Verordening de weigeringsgronden die in dit artikel zijn vermeld, limitatief zijn bedoeld. Dit betekent dat verweerder geen sloopvergunning kan weigeren op andere gronden dan die in artikel 8.1.6 van de Verordening zijn opgenomen. Dit blijkt ook uit de toelichting waarin is gesteld dat het niet de bedoeling is om het slopen onmogelijk te maken. Er moet, aldus de toelichting, van worden uitgegaan dat ooit ieder gebouw wordt gesloopt. De rechter verwijst voorts naar de rechtspraak op dit punt (zie bijvoorbeeld www.rechtspraak.nl LJN: AZ0804, Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 25 oktober 2006).

Mede gelet op de ter zitting gedane toezeggingen van vergunninghouder en verweerder dat de conclusies uit rapportage en de overige aan de sloopvergunning verbonden voorwaarden geheel zullen worden opgevolgd alsmede de fax van 8 maart 2007 afkomstig van Geomet waaruit blijkt dat bepaalde onderzoeken en berekeningen pas tijdens of na de sloop kunnen worden uitgevoerd, is de rechter met verweerder van oordeel dat zich in het onderhavige geval geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 8.1.6 van de Verordening. Gelet hierop heeft verweerder terecht de sloopvergunning verleend voor de woning op het perceel.

Het vorenstaande overziend komt de rechter tot de conclusie dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op de sloopvergunning ongegrond zal worden verklaard. Gelet op de uitspraak in de bodemzaak voor zover deze betrekking heeft op de sloopvergunning bestaat er in zoverre geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

Ten aanzien van de verleende vrijstelling en bouwvergunning

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar gericht tegen de bouwvergunning ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan, zodat vrijstelling daarvan is vereist. Tevens is niet in geschil dat het perceel voor een gedeelte binnen zone 4 van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: het Lib) ligt.

Verweerder heeft vrijstelling verleend van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Standpunt verzoekster

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder vanwege strijd met het Lib geen vrijstelling en bouwvergunning had mogen verlenen omdat geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart is verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van VROM. Voorts had geen vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen worden verleend omdat de vrijstelling een speerpunt betreft uit het beleid van GS. Het beleid schrijft voor dat ingeval de vrijstelling een speerpunt betreft een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO moet worden verleend. Ten slotte is in het besluit een onvoldoende ruimtelijke onderbouwing gegeven voor de vrijstelling zoals vereist ingevolge artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO en is het plan in strijd met de redelijke eisen van welstand.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden om te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag alleen en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan of met eisen die krachtens zo’n plan zijn gesteld, het bouwwerk niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Stommeer 1964”. Ingevolge dit plan rust op het betreffende perceel de bestemmingen “Bebouwing met eensgezinshuizen Eg” en “Tuinen en erven”.

Ingevolge artikel 8 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) is op de gronden bestemd voor “bebouwing met eensgezinshuizen Eg” bebouwing met eensgezinshuizen toegestaan met inachtneming van het op de kaart bepaalde.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door Gedeputeerde Staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 2.2.1, vierde lid, van het Lib - voor zover relevant - zijn in het gebied waarin het perceel is gelegen, behoudens bestaand gebruik, geen woningen toegestaan.

Ingevolge artikel 8.9, derde lid, van de Wet Luchtvaart - voor zover relevant - kan bij de toepassing van artikel 19 van de WRO van het Besluit worden afgeweken indien van de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft.

Overwegingen

Ten aanzien van het Lib

In geschil is of het vervangen en daarbij uitbreiden van de woning valt onder het begrip “bestaand gebruik” als bedoeld in het Lib.

In de Nota van Toelichting (Staatsblad 2002, 519 p. 26-27) behorende bij artikel 2.2.1 van het Lib staat vermeld dat het de bedoeling is dat ook het vervangen van een bestaande woning door een andere woning (een gebouw met dezelfde bestemming op dezelfde plaats) binnen dit begrip blijft. Een “vervanging” op een andere plaats, een uitbreiding, of een functieverandering (van een woning naar een ander gevoelig gebouw) past niet meer binnen de toegestane afwijking. Een dergelijke afwijking kan slechts plaatsvinden als daarvoor overeenkomstig artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart een verklaring van geen bezwaar is verleend.

De rechter is met verzoekster van oordeel dat de term “uitbreiding” in voorgaande passage eveneens ziet op een uitbreiding als in het onderhavige geval gelet op de volgende passage uit dezelfde Nota van Toelichting.

Op pagina 14 staat onder het kopje “Andere beperkingen” vermeld, voor zover hier van belang, dat van het uit artikel 2.2.1 van het Lib voortvloeiende verbod voor de daarin bedoelde respectievelijk genoemde typen gebouwen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken op grond van artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart. Waar het gaat over woningen zijn afwijkingen voorstelbaar als sprake is van het opvullen van open gaten binnen aaneengesloten bebouwing, functiewijziging, herbouw van woningen op een minder milieubelastende plaats of bouw van bedrijfswoningen. Als beleidslijn zal, zo meldt de toelichting, onder meer worden gehanteerd dat bij de herbouw van woningen wordt uitgegaan van een vervanging van 1 op 1, dus geen uitbreiding van de woningvoorraad. De vervanging moet elders in het beperkingengebied kunnen worden gerealiseerd op een minder milieubelastende plaats. De te vervangen woning moet aan de voorraad worden onttrokken en ter plaatse mag geen andere kwetsbare bestemming worden gerealiseerd.

De rechter neemt daarbij tevens in aanmerking dat op pagina 8 van de toelichting onder het kopje “Achtergronden” is vermeld dat het Lib samen met het luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de gevolgen van het luchthavenluchtverkeer met betrekking tot de aspecten veiligheid, geluid, lokale luchtverontreiniging en geur. De bescherming ten aanzien van veiligheid en geluid wordt geboden door een samenspel van beide besluiten. Het luchthavenverkeerbesluit begrenst de gevolgen van het vliegverkeer (onder meer) in termen van externe-veiligheidsrisico en geluidbelasting op de grond. Het aantal mensen dat getroffen wordt door die gevolgen, wordt begrensd door de (bouw- en gebruiks)beperkingen waartoe het luchthavenindelingbesluit verplicht.

Gezien de substantiële vergroting van de oorspronkelijke woning, namelijk tenminste een verdubbeling van het oppervlak, is de rechter van oordeel dat niet is uitgesloten dat door deze uitbreiding ook het aantal mensen dat gebruik kan maken van deze woning in vergelijking met de oude situatie zal vergroten. De onderhavige vervanging valt daarom naar het oordeel van de rechter niet onder bestaand gebruik in de zin van het Lib.

Gelet op het voorgaande is de rechter van oordeel dat voor het onderhavige bouwplan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, van de Wet Luchtvaart is vereist. Slechts in het geval een dergelijke verklaring is verleend is verweerder bevoegd met inachtneming van alle andere voorwaarden op grond van artikel 19 WRO vrijstelling en een bouwvergunning te verlenen. Nu voornoemde verklaring is gevraagd noch verleend komt het bestreden besluit voor zover het de bouwvergunning betreft reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van het speerpuntenbeleid

In het “Beleid inzake de toepassing van artikel 19 van de WRO van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland” van 19 juli 2005 heeft GS bepaald dat geen verklaring van geen bezwaar benodigd is voor projecten die niet afwijken van provinciaal ruimtelijk beleid of van ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid betreffen. Als speerpunten van beleid (speerpunt nr. 12) gelden projecten die gesitueerd zijn binnen de geluidszones en veiligheidszones van vliegvelden alsmede projecten die in strijd zijn met het Lib, waarvoor derhalve een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart is vereist.

Zoals hiervoor is overwogen is het bouwplan als geheel naar het oordeel van de rechter in strijd met het Lib. Afgezien daarvan zijn partijen het erover eens dat de locatie van het bouwplan gedeeltelijk in zone 4 van het Lib alsmede in de 35 KE-geluidszone valt, echter niet voor het deel van het bouwplan op grond waarvan de vrijstelling van het bestemmingsplan diende te worden verleend. Met verweerder is de rechter daarom van oordeel dat voor het project voor zover daarvoor een vrijstelling was vereist, het speerpunt van beleid nr. 12 niet van toepassing is. Gesteld noch gebleken is de toepasselijkheid van een ander speerpunt van beleid.

Ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing

Ten aanzien van de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing is de rechter van oordeel dat deze in beginsel vormvrij kan geschieden. Daarbij is verweerder echter wel gebonden aan het daarover bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Dat brengt met zich dat in de ruimtelijke onderbouwing ten minste zal moeten worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel zal moeten worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

De ruimtelijke onderbouwing van de onderhavige aanvraag is weergegeven in het primaire besluit. De rechter constateert dat in deze onderbouwing alleen wordt ingegaan op de relatie met het huidige bestemmingsplan en zeer summier wordt aangegeven dat het bouwplan ook past in de toekomstige bestemming. De rechter is van oordeel, zeker gezien het feit dat het huidige bestemmingsplan van 1964 en dus gedateerd is, dat van een ruimtelijke onderbouwing verwacht mag worden dat daarin ook in voldoende mate duidelijk wordt gemaakt waarom het project past binnen de toekomstige bestemming van het gebied. Daarbij speelt ook het Lib een rol, daar gemeenten moeten zorgdragen voor bestemmingsplannen die in overeenstemming zijn met het Lib. (zie Nota van Toelichting Lib pagina 12 en 15). Aan deze eis heeft verweerder niet voldaan, zodat er sprake is van een motiveringsgebrek. Voorts is niet nader, althans onvoldoende gemotiveerd en met stukken onderbouwd, ingegaan op de stelling dat het bouwplan stedenbouwkundig acceptabel is. Verweerder heeft volstaan met op te merken dat de maten van het bouwplan passen binnen de maten die worden opgenomen in toekomstige bestemmingsplannen.

Concluderend is de rechter van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen zoals hiervoor overwogen.

Ten aanzien van de welstandstoets

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ABRvS 24 mei 2006, LJN: AX4390) moet bij de welstandstoetsing groot gewicht worden toegekend aan het advies van de welstandscommissie. Niet zonder reden is voorzien in de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen voor het uitbrengen van adviezen ten aanzien van de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Deze advisering moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten. Hoewel verweerder niet aan het welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid van de welstandstoetsing bij hem berust, mag verweerder in beginsel aan het advies van de welstandscommissie doorslaggevende betekenis toekennen.

Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere motivering, tenzij de aanvrager een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Nadere motivering is eveneens vereist indien het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het welstandsadvies niet - of niet zonder meer - aan zijn welstandsoordeel ten grondslag had mogen leggen.

De rechter stelt vast dat het door vergunninghouder ingediende bouwplan een aantal malen aan de Stichting Welstandszorg Noord-Holland, commissie Noord-Holland Zuid is voorgelegd. In haar advies van 19 september 2006 heeft de Bezwaarschriftencommissie van de Gemeente Aalsmeer verweerder geadviseerd om een onafhankelijke derde opnieuw advies te vragen om te kunnen beoordelen of het bouwplan past binnen de stedebouwkundige uitgangspunten van het college en de uitvoering daarvan geen inbreuk maakt op het karakteristieke 2-onder-1-kap beeld van de [straat], waarbij een goed onderbouwd positief welstandsadvies noodzakelijk is.

Daarop heeft van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland de Commissie Haarlemmermeer in plaats van de Commissie Noord-Holland Zuid een positief advies uitgebracht op 15 december 2006. Verzoekster heeft een tegenadvies van 2 maart 2007 overgelegd dat is opgesteld door Architectenbureau Jaap Dijkman B.V.

De rechter stelt vast dat het positieve welstandsadvies vermeldt dat de Commissie Haarlemmermeer met het oorspronkelijke plan niet kon instemmen gelet op het hier toepasselijke criterium Massa: “aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa” en wel vanwege de massa van de aanbouw, de verhouding tussen aanbouw, hoofdgebouw én de afmetingen van de dakkapel aan de voorzijde. Daarbij merkt de Commissie op dat zij dit criterium in dit geval interpreteert als “aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt vormgegeven”. Zij wijst er op dat het oorspronkelijke bouwplan voldoet aan het Materiaal- en kleurgebruik criterium, namelijk dat dit wat betreft de aan- en bijgebouwen is aangepast aan het hoofdgebouw, maar constateert daarbij dat daardoor, alsmede door de afmetingen en positie van de dakkapel, de ‘strenge’ spiegelsymmetrie wordt verstoord. De Commissie heeft ingestemd met een aangepast plan. De aanpassing behelst het terugspringen met een halve steen van de uitbreiding ten opzichte van de voorgevel en het uitvoeren in wit gekeimd metselwerk van de uitbreiding. Ook is de dakkapel verkleind en staat op het dakvlak van de uitbreiding. De Commissie is van oordeel dat op deze wijze de oorspronkelijke spiegelsymmetrische opbouw van het hoofdgebouw herkenbaar is en dat recht wordt gedaan aan de eis van “juiste verhoudingen” uit de gebiedsgerichte criteria.

In het tegenadvies van verzoekster wordt opgemerkt dat men de kritiek van de Commissie op het oorspronkelijke plan kan delen. De voorgestelde wijzigingen komen echter volgens de rapporteur niet of in elk geval onvoldoende tegemoet aan de kritische opmerkingen op het eerste plan, zodat de conclusie dat het aangepaste plan wel aan de redelijke eisen van welstand voldoet niet kan worden gevolgd. Het ondergeschikt maken van de uitbreiding wordt slechts vertaald in het terugleggen met een halve steen van de begane grondgevel van de aanbouw en de nieuwe gevel wordt wit gekeimd. In strijd met de uitgangspunten, met name de zo belangrijk gevonden spiegelsymmetrie, is volgens de rapporteur de uitbreiding van de kap in een doorgaand vlak, welke ook leidt tot verstoring van de verhoudingen van het gebouw.

Met verzoekster is de rechter van oordeel dat het welstandsadvies, gelet op de geldende welstandscriteria, het specifieke criterium van “strenge” spiegelsymmetrie in dit geval en de overgelegde tekeningen en foto’s, niet duidelijk en concludent is onderbouwd. In de bestreden beslissing heeft verweerder dit advies echter zonder nadere motivering overgenomen. Verzoekster heeft hangende beroep en ter gelegenheid van de behandeling van het verzoek voorlopige voorzieningen in een gedetailleerde uiteenzetting onder vermelding van concrete voorbeelden aangegeven waarom het bouwplan volgens haar niet aan de redelijke eisen van welstand voldoet, in het bijzonder voor wat betreft de spiegelsymmetrie, en zij heeft bovendien haar standpunt onderbouwd met een deskundig advies. Het kan verzoekster niet worden tegengeworpen dat zij dit advies pas in beroep overlegt, nu verweerder ook pas hangende bezwaar de welstandsadvisering heeft uitgebreid en om aanpassing van het bouwplan heeft verzocht. Verweerder heeft er, anders dan door zich aan te sluiten bij hetgeen namens de vergunninghouder over het welstandsaspect naar voren is gebracht, niet voor gekozen ter zitting van de voorzieningenrechter haar standpunt op dit aspect nader te onderbouwen. Hetgeen namens vergunninghouder terzake is opgemerkt, namelijk dat de concrete wijzigingsvoorstellen in het tegenadvies ook tot ongewenste effecten leiden, maakt nog niet dat daarmee is vastgesteld dat het gewijzigde bouwplan zoals dat nu voorligt wél voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Gelet op de proceshouding van verweerder en het verzoek van vergunninghouder om direct uitspraak te doen in de hoofdzaak, meent de rechter dat een uitspraak in de hoofdzaak hier mogelijk is. Verweerder heeft hiertegen ook geen bezwaar gemaakt. De rechter concludeert dat het bestreden besluit ook op het welstandsaspect een motiveringsgebrek vertoont hetgeen verweerder in beroep niet ongedaan heeft gemaakt met een nadere, concludente, motivering.

Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard ten aanzien van de bouwvergunning.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens ziet de rechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het primaire besluit van 21 maart 2006 - de bouwvergunning - te schorsen en te bepalen dat deze voorziening vervalt zes weken nadat de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar is bekendgemaakt. Voor schorsing op grond van artikel 8:81 van de Awb is in verband daarmee geen plaats.

De rechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op een bedrag van € 966,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,00). Tevens dient verweerder het door verzoekster voor de behandeling van het verzoek en beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 286,00 (2 x € 143,00) te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op de sloopvergunning ongegrond;

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover dat betrekking heeft op de sloopvergunning af;

- verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op de bouwvergunning gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de bouwvergunning;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de rechter heeft overwogen;

- schorst met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 maart 2006, kenmerk 2006-3884/LE, en bepaalt dat deze voorziening vervalt zes weken na de dag waarop de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover dat betrekking heeft op besluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 maart 2006, kenmerk 2006-3884/LE af;

- bepaalt de gemeente Aalsmeer het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van € 286,00 (zegge: tweehonderd en zes en tachtig euro) aan haar vergoed;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderd en zes en zestig euro), te betalen door de gemeente Aalsmeer aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 2007 door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B