Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA5260

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
AWB 07/1632 BESLU en 07/1633 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijdering van de twee kinderen van eiseres van een openbare basisschool wegens gedrag van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van verwijdering bij de huidige stand van zaken na afweging van alle belangen in redelijkheid als een te zwaar, en derhalve niet geschikt, middel moest worden gekwalificeerd. Dit leidt tot het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding met het besluit te dienen doelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/1632 BESLU en 07/1633 BESLU

van:

[verzoekster], wonende te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert,

tegen:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 12 april 2007 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoekster van 12 april 2007, gericht tegen het besluit van verweerder van 3 april 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 3 mei 2007.

2. OVERWEGINGEN

2.1 De toepassing van artikel 8:86

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak, geregistreerd onder nummer AWB 07/1633 BESLU, geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

2.2 Feiten

De kinderen van verzoekster, [kind1] en [kind2], zijn leerlingen op de openbare basisschool De Flevoparkschool. [kind1] is leerling in groep 5, [kind2] is leerling in groep 7.

In het najaar van 2006 zijn er confrontaties geweest tussen verzoekster en de directeur van de Flevoparkschool de heer [naam direc[naam directeur] (hierna: [naam directeur]). Op vrijdagochtend 3 november 2006 heeft verzoekster tijdens een contact met [naam directeur] geschreeuwd, waarna deze haar heeft verzocht om de kamer te verlaten. Blijkens een gespreksverslag van 21 november 2006 heeft verzoekster erkend in een gesprek tussen verzoekster en haar echtgenoot en de heer [naam bestuursmanager], bestuursmanager Openbaar Onderwijs te Zeeburg, [naam directeur] een racist te hebben genoemd als hij een leerkracht in opleiding met een hoofddoek heeft geweigerd. Voorts heeft zijn er op een bijeenkomst op 22 december 2006 woorden gevallen van verzoekster in de richting van [naam directeur], die verweerder als ernstig heeft opgevat.

Naar aanleiding van een door verzoekster geuite klacht over [naam directeur] en gesteld opruiend en intimiderend gedrag richting [naam directeur] en ouders van leerlingen van de Flevoparkschool, heeft verweerder op 8 januari 2007 schriftelijk het voornemen geuit om [kind1] en [kind2] te verwijderen van de Flevoparkschool.

Verzoekster heeft op 18 januari 2007 een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.

Bij besluit van 2 februari 2007 heeft verweerder -onder verwijzing naar artikel 40, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO)- besloten tot verwijdering van [kind1] en [kind2]. Verweerder heeft een andere school gevonden voor de kinderen. Volgens verweerder is sprake van een onoverbrugbare vertrouwensbreuk tussen verzoekster en de schoolleiding. Volgens verweerder heeft hij zorgvuldig de belangen van de kinderen van verzoekster afgewogen tegen het belang van de school en het bestuur. Er is overleg geweest met het team en de groepsleerkrachten. De onderwijsinspectie is op de hoogte gesteld van de dossierstukken en heeft geen bezwaren naar voren gebracht.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 26 februari 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het primaire besluit geschorst tot en met de op het besluit op bezwaar volgende reguliere schoolvakantie.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en het besluit van 2 februari 2007 gehandhaafd met inachtneming van de uitspraak van de voorzieningenrechter, zodat [kind2] en [kind1] met ingang van de eerste dag na de meivakantie, te weten 7 mei 2007, van de Flevoparkschool zullen worden verwijderd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Tevens is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.3 Standpunt van verzoekster

Volgens verzoekster is het bestreden besluit strijdig met de ontwikkeling van haar kinderen en hun plezierige schoolgang. Volgens verzoekster is geen sprake van een vertrouwensbreuk. Juist van verzoekster -met een BAPO achtergrond- is een extra kritische houding te verwachten. Zij heeft zich echter nimmer negatief uitgelaten over het onderwijs op de school. Verzoekster is ten onrechte beschuldigd door [naam directeur]. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat geen onafhankelijk onderzoek is verricht en dat de feiten gekleurd zijn weergegeven. Er is geen sprake van onrust binnen de school. Verzoekster heeft een bemiddelingsaanbod gedaan. De gevolgen voor de kinderen zijn onevenredig. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de Landelijke Klachtencommisie Onderwijs bij advies van 3 april 2007 heeft aanbevolen dat de mogelijkheid van overleg en bemiddeling tussen partijen wordt onderzocht, een interne klachtprocedure wordt vastgesteld en het toegangsverbod zo snel mogelijk op te heffen al dan niet onder voorwaarden. Verzoekster heeft ten aanzien daarvan aangegeven dat de situatie onnodig groot is geworden, zij staat nog immer open voor overleg en bemiddeling. Het besluit tot verwijdering is disproportioneel. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat de bezwaarschriftencommissie in haar advies is uitgegaan van een aantal feiten die onjuist zijn. Verzoekster heeft zich daartoe beroepen op onder meer een verklaring van een ouderraadslid.

2.4 Standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich in het verweerschrift -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit is gebaseerd op drie gronden. Ten eerste wenst verweerder het norm overschrijdend gedrag van verzoekster te sanctioneren. Verweerder is van mening dat verzoekster met haar dreigende en intimiderende houding jegens de directeur en het verspreiden van ongefundeerde geruchten zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag. Verzoekster is hiermee doorgegaan ondanks de sommatie van verweerder dit na te laten. Verweerder vindt dat dergelijke gedragingen dienen te worden gesanctioneerd. Het bevoegd gezag kan niet anders dan de leerlingen te verwijderen, anders zou dit een vrijbrief voor normoverschrijdend gedrag betekenen. Ten tweede is het besluit noodzakelijk om de rust en orde binnen de school te waarborgen. De aanwezigheid van verzoekster leidt tot onrust binnen het team en onder de ouders. Het algemeen belang bij rust en orde dient te prevaleren boven het belang van verzoekster. Het belang van de kinderen en verzoekster wordt overigens nauwelijks geschonden. Er is immers een alternatieve school gevonden. Ten derde is sprake van een verstoorde verhouding tussen ouders en school. Vooropgesteld moet worden dat het verweerder vrij staat de incidenten als ernstig te kwalificeren. Immers, bij de waardering van feiten en omstandigheden die tot het verwijderingsbesluit hebben geleid heeft verweerder een eigen vrijheid die in deze procedure slechts marginaal kan worden getoetst. Verweerder verwijst naar gedingstuk B12, de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 augustus 2005. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake is van een ernstige onherstelbare verstoring van de verhoudingen. Tegenover de door verzoekster ingebrachte verklaring heeft verweerder verwezen naar verklaringen van een tweetal getuigen waaruit blijkt dat sprake was van grote onrust binnen het team en de school.

2.5 Juridisch kader

Artikel 40 van de Wet op het primair onderwijs (Wpo):

“1. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag.

(...)

5. Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken groepsleraar. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bereid is de leerling toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.

6. Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.”.

2.6 Het oordeel van de rechter

De rechter stelt vast dat genoemde wettelijke bepaling geen nadere aanduiding geeft van de omstandigheden waaronder tot een verwijderingsbeslissing kan worden overgegaan. De rechter gaat er vanuit dat het bevoegd gezag in beginsel tot het nemen van deze beslissing bevoegd is, ook indien de feiten en omstandigheden die tot die beslissing nopen, niet de leerling zelf betreffen. Hierbij neemt de rechter in aanmerking, dat in het geval van bijvoorbeeld een ernstig verstoorde relatie tussen school en ouders die negatieve invloed heeft op het ordelijk functioneren van de school als geheel dan wel individuele leerkrachten, de verwijdering van een leerling in voorkomend geval voor het bevoegd gezag als het enige dan wel laatste middel kan worden beschouwd om een dergelijke situatie het hoofd te bieden.

Wel is sprake van een zodanig ingrijpend middel dat hiertoe slechts in zeer uitzonderlijke gevallen dient te worden overgegaan, waarbij, afgezien van de vereisten van artikel 40 van de Wpo, de belangen van de leerling, ouders en school terdege in overweging dienen te worden genomen.

De rechter gaat ervan uit dat er tot het onfortuinlijke uitvallen van de directeur [naam directeur] sprake is geweest van een periode van spanningen tussen deze en verzoekster. Aannemelijk is dat confronterend gedrag van verzoekster aan deze spanningen mede debet is geweest. Voorts moet worden vastgesteld dat er op de school tenminste sinds een half jaar tussen groepen ouders en leiding, respectievelijk tussen ouders onderling onrust bestaat, die zijn weerslag heeft op het functioneren van de gehele school.

Anderzijds moet de rechter constateren op grond van de stukken en de toelichting van partijen alsmede hetgeen in de voorlopige voorzieningprocedure met reg.nr. AWB 07/695 BESLU ten name van [naam] naar voren is gekomen, dat genoemde onrust voortkomt uit een reeks factoren en in redelijkheid niet voor het grootste deel op het conto van verzoekster -hoezeer zij daarin ook een aandeel heeft- kan worden geschreven. Voorts is niet gebleken dat de vader enige polariserende rol heeft gespeeld in deze onrust.

Dit brengt de rechter in de eerste plaats tot het onderschrijven van het oordeel van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 26 februari 2007 waar deze heeft geoordeeld dat verweerder zijn standpunt dat –zonder de instandlating van dit verwijderingsbesluit- de rust en orde op de Flevoparkschool in het geding zijn, onvoldoende heeft onderbouwd.

Voorts acht de rechter bij de beoordeling van het bestreden besluit van belang, dat daaraan voorafgaand sprake was van een door de voorzieningenrechter in de evengenoemde zaak met reg.nr. AWB 07/695 BESLU als (voorshands) niet onrechtmatig beoordeelde verwijdering van een leerling van deze school. Die verwijdering stond in verband met een verstoorde relatie tussen ouders en school die haar ontstaan voor een belangrijk deel vond in dezelfde, voor een grote groep ouders en de leiding van de school problematische, periode die kennelijk eind 2006 is aangevangen. Het in die zaak gegeven voorlopig rechtmatigheidsoordeel ontsloeg verweerder niet van de verplichting om zich af te vragen of het te verwachten toegevoegde effect van de verwijdering van nog weer twee leerlingen ter oplossing van deze problemen zodanig groot is, dat de belangen van die te verwijderen leerlingen en hun ouders daaraan ondergeschikt moesten worden geacht. In dit geval komt het de rechter voor, dat die vraag in redelijkheid ontkennend moet worden beantwoord. Hierbij is, naast de hiervoor gegeven beoordeling, van belang dat sprake is van een tweetal leerlingen, waarvan vaststaat dat zij aan de ontstane onrust part noch deel hebben, en wier belang om niet van hun school verwijderd te worden evident is. De rechter tekent hierbij ten overvloede aan dat [kind2] naar verwachting na de zomer aan de laatste groep van deze school zal beginnen.

De rechter overweegt voorts dat mede door het optreden van een interim-directeur -zoals ook door verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had kunnen worden aangenomen- het tot de mogelijkheden moet behoren om de hiervoor beschreven onrust op de school om te buigen naar een voor alle partijen werkbare situatie. Hierbij merkt de rechter op dat van verzoekster, in het belang van haar kinderen, mag worden verwacht dat zij het hare bijdraagt aan normalisering van de verhoudingen met de leiding van de school.

De hiervoor genoemde omstandigheden in samenhang bezien, brengen de rechter tot de conclusie dat de maatregel van verwijdering van de betrokken leerlingen bij de huidige -ten tijde van het bestreden besluit te beoordelen- stand van zaken bij afweging van alle belangen in redelijkheid als een te zwaar, en derhalve niet geschikt middel moest worden gekwalificeerd. Dit leidt tot het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, zodat het wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet worden vernietigd.

Doende wat verweerder had behoren te doen, zal de rechter het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2007 gegrond verklaren, dit besluit herroepen en met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is, gelet op het hiervoor weergegeven oordeel, geen aanleiding.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten, begroot op € 966,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,-, wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. In het onderhavige geval is dit éénmaal griffierecht voor de beroepsprocedure en éénmaal griffierecht voor de voorlopige voorzieningenprocedure.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van 8 februari 2007 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegrond;

- herroept het primaire besluit van 2 februari 2007;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten verzoekster, begroot op € 966,- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 286,- (zegge: tweehonderd zesentachtig euro) aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2007 door mr. J.J. Bade, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Seijsener, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (reg.nr. AWB 07/1633 BESLU), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B